Het slooppand

fictief

Het waren de stemmen die het eerst vaag tot haar door waren gedrongen. Veraf, hol, alsof ze zich onder water bevond. Daarna was het de pijn geweest.
De verschrikkelijke pijn die bezit had genomen van haar hele lijf.
En de angst.
-Ze wist het weer.-

Ze lag op haar rug.
Hoe lang lag ze al daar?
Haar handen waren vastgebonden aan het frame van het bedspiraal.
Haar benen waren wel los.

Ze beefde.
Haar broek was tot aan haar knieën nat.
De stank van haar eigen urine vermengd met de bedompte lucht in het vertrek maakte haar misselijk.
Ze kokhalsde een beetje.
Even verderop hoorde ze met regelmaat een druppel in een plasje water vallen.
Er schuifelde iets onder haar bed.
Een rat!
In paniek bewoog ze haar zere heupen op en neer op het piepende matras. Was hij weg? Ze hoorde het slepende geluid van zijn staart door de gang langzaam verstommen.

Voorzichtig probeerde ze of ze haar ogen open kon doen.
Haar linkeroog zat helemaal dicht. Het klopte en bonkte. Haar rechteroog ging wel een stukje open, net genoeg om het kleine brandende peertje aan het plafond te ontwaren.

Voorzichtig tilde ze haar hoofd een stukje op.
Gelukkig.
Niemand.
En nu?
Opeens zag ze het groene verlichte bordje.
Nooduitgang.
Ze was in ieder geval in een gebouw.
Of liever ònder een gebouw.
En betekende gebouwen niet: mensen?
Mensen die haar zouden komen bevrijden.
Een ambulance zouden bellen en de politie.
Zíj waren nu vast wel weg.
De sukkels hadden haar niet eens geblinddoekt.
Of monddood gemaakt.

In een reflex begon ze te gillen.
Ze negeerde haar pijn en trapte zo hard als ze kon zijwaarts tegen de kale muur naast haar ijzeren matras.
Dat móésten de mensen toch wel horen?

Het duurde niet lang.
Hooguit twintig seconden,
voor ze bij haar waren.

-Verder was er niemand.-

————————————————————–

Iedere maand verzint Plato een nieuwe schrijfuitdaging.
Het is de bedoeling dat je in precies 300 woorden een verhaal schrijft waarin het door Plato opgegeven woord niet in de tekst zelf mag voorkomen. Deze maand is het woord: ‘Waarnemen’. Het verhaal wat ik gisteren geplaatst heb was eigenlijk ook bedoeld voor deze uitdaging, maar ik zat ver over de 500 woorden.
Vandaar dus hier mijn tweede poging.
Voor meer verhalen, of als je mee wilt doen, kun je kijken bij:
http://platoonline.wordpress.com

Advertenties

De badmeester

-fictief-

Ze zeggen dat ik alles zie.
Dat is ook zo. Er is maar weinig wat mij nog ontgaat na al die jaren. Soms is dat niet leuk. Soms zou ik het gewoon eens níet willen zien of horen. Van die dikke natte bleke dijbenen met spataders bijvoorbeeld, die bij iedere stap tegen elkaar sompen en een kleverig spoor achterlaten op mijn droog getrokken vloer. Of lege, afgelebberde borsten die als een paar verschrompelde theezakjes zowat tot aan de navel reiken.
Die zie ik liever niet.
Ik hoor ze trouwens ook liever niet.
Maar ze schreeuwen allemaal deze vrouwen. Tegen hun kinderen die nooit naar haar luisteren. Tegen hun mannen die in hun ogen nooit iets goed kunnen doen.

De meeste vrouwen zijn trouwens niet mooi wist je dat? Negentig procent is gewoon lelijk. Vaak lijkt het nog wat, maar dat is gewoon nep. Sommige vrouwen dragen gewoon de juiste kleding, de juiste make-up.
Maar hier zijn ze allemaal naakt. Nou ja, op hun zwarte badpak na dan.
En ze zijn allemaal even lelijk.
Behalve Zij.

Zij is er tegenwoordig bijna altijd op zondagochtend. Haar twee jongens rennen dan direct op de glijbaan af. Die redden zich prima zelf. A, B en C. Ja, een tweeling heeft ze.
En dán nog zo’n figuurtje!
Ik geloof dat ze gescheiden is.

Met een handdoek over haar schouder gaat Zij dan richting het vijftig meter bad om haar baantjes te trekken in haar rode bikini met de touwtjes en de franjetjes. Het is de mooiste die ze heeft, vind ik.

Het doet me altijd deugd om te zien hoe de mannen haar nakijken. Een man blijft een man blijft een man, ook al heeft hij vijf kinderen die om hem heen jengelen en zo’n dikke lelijke zeekoe die hem lens zou slaan als ze het zou merken.
Ze zijn allemaal hetzelfde.

Straks, als ze klaar is met haar baantjes zal Ze wat hijgerig het trapje afdalen van het warme bubbelbad. Ze zal ze vriendelijk begroeten en naar ze glimlachen.
Haar borsten zullen nog nèt boven het water uitsteken als Ze haar armen zal spreiden, haar hoofd achterover zal laten leunen, en haar lange blonde haren zal laten uitwaaieren over de rand.
Er is er altijd wel één die even kon ontsnappen aan de ijzeren greep van het gezin.

Ik weet niet precies hóe ze het iedere keer weer doet.
Ik weet wel dàt ze het iedere keer weer doet.
Maar bijna nooit met dezelfde.

Eerst gebruikte ze gewoon een pashokje. Dat vond ik niet oké. Voor de kinderen begrijp je? Niet erg hygiënisch bovendien. Tegenwoordig laat ik voor haar gewoon het hok open. Daar is het lekker warm, en er staat een stapel met van die grote gele drijfplanken. Ze maakt er dankbaar gebruik van.

Zo wordt het toch iedere keer maar mooi weer drukker op de zondag. Vorig jaar dreigde het zwembad nog failliet te gaan.
Tegenwoordig moet ik gewoon weer ogen in mijn achterhoofd hebben.
-Wacht even. Wat zegt u mevrouw? Uw man?
Volgens mij zag ik hem zojuist bij de glijbaan.-
Ja, ik zie van alles.
Maar daar praat je gewoon niet altijd over toch?
Sommige zaken vallen nou eenmaal onder mijn beroepsgeheim.

De laatste keer

‘Je bent te triest voor woorden’.
Snel stopte Valentijn zijn mobiel weer in zijn zak.
Zijn vrouw keek demonstratief de andere kant op, naar het raam.

Zwijgend keek hij met haar mee hoe de regendruppels samen kleine riviertjes vormden en naar beneden stroomden, tot ze uiteindelijk via het raamkozijn op de grond zouden landen en weer daar zouden zijn waar ze ooit waren begonnen.
-Of geëindigd-.

Veel liever had hij nu thuis gezeten; bordje op schoot, DWDD, maar hij zat hier, in ‘de Krokodil’, waar ze sinds ze elkaar hier ontmoet hadden toen hij er in zijn studententijd werkte en zij daar een keer was komen eten, minstens al vijftig keer samen waren geweest.

Een grote witte plastic tas van de Hema die door de donkere lucht recht op hem af leek te waaien, deed hem opschrikken uit zijn gedachten.
Heel even bleef hij plakken in de hoek van het raam tot hij weer door de wind werd opgetild en verder werd geblazen, hoger en hoger de boom in, tot hij aan een tak bleef haken.
Op dat moment verscheen de ober met een grote karaf rode wijn.

‘Uw paraplu is gevallen meneer’.
Hij lag in zijn eigen plasje, de zwarte vleugels een klein beetje geopend, alsof het ding een dode raaf wilde imiteren.
Valentijn raapte hem op en zette hem nogmaals met de punt naar beneden in het hoekje achter zijn stoel.
Toen hij ermee klaar was zag hij dat de ober de menukaarten had neergelegd.

‘Zullen we ergens op proosten?’
Hij had het gevraagd terwijl zijn schouders het antwoord eigenlijk al gaven.
Ze rolde met haar ogen.
Het was ook nooit goed bij haar.
Wat wilde ze nou?
Hij was hier toch?
Dit wilde ze toch?
Hèt nog één keer proberen?
Hij nam een slokje.
De wijn smaakte een beetje wrang.
Wranger althans, dan hij het zich herinnerde.
Peinzend keek hij om zich heen terwijl hij zijn glas weer neer zette.
Er waren alleen maar stellen.
Pakken met stroppen en jurken met hakken.
Ròde jurken, ròde hakken, ròde lippen.
Hier en daar was zelfs subtiel een rood bh bandje zichtbaar.
Hij werd bijna onpasselijk van al dat rood.
Hij had ook gewoon een pilsje moeten nemen dacht hij, terwijl hij toekeek hoe zij haar glas in één keer leeg klokte.

‘jij nog wijn?’
Hij schudde zijn hoofd.
Ze haalde haar schouders op.
‘Dan niet’ betekende dat.

Terwijl ze voorovergebogen de menukaart bestudeerde die voor haar op tafel lag, keek hij naar haar.
Ze had haar nagels rood gelakt, hier en daar was ze kennelijk een beetje uitgeschoten.
-Zo moeilijk kon het toch niet zijn om een paar nagels netjes te lakken?-
Het was nu ook duidelijk te zien dat ze grijze uitgroei had; een uitgroei waarvan hij wist dat die de komende jaren niets elegants aan haar leeftijd zou toevoegen, zoals een paar enkele goed geplaatste diepe rimpels het gezicht van een wat oudere vrouw soms zo mooi konden sieren.
Nee, verre van dat.
Het leuke blonde staartje wat hij vroeger altijd zo had gevonden was inmiddels ook allang ingeruild voor het middelbaar kapsel.
In gedachten noemde hij het haar platte-kontenkapsel.
Het maakte hem woedend.
De kont, de nagels, het kapsel.
Zìj!

Ze had haar keuze gemaakt, zei ze.
Een maaltijdsalade!
-Alsof die ene salade haar zou helpen bij de strijd tegen haar overgewicht-.
Hij had nog niet eens op de kaart gekeken, maar een goede biefstuk leek hem wel wat, die waren hier heerlijk -vroeger wel tenminste- en dan eentje die nog lekker rood van binnen was om maar in de sfeer van de liefde te blijven.

Hij glimlachte om zijn eigen grapje.
‘Zit je me nou uit te lachen?’
Hij keek haar quasi verontschuldigend aan.
‘Sorry’.
Het woord leek nog minuten lang na te echoën.

Net toen hij besloot haar een beetje ter wille te zijn door haar te vragen of ze ‘er’ misschien over wilde praten, verscheen de ober alweer.
‘Het spijt me dat het even moest duren, het lijkt ieder jaar wel weer drukker’.
Ze hadden nog een zieke ook.
‘Zal je net zien’.

De ijzige stilte keerde na de korte onderbreking oorverdovend terug.
Moest hij soms haar hand pakken?
Praten?
Hij kon het niet.
Hij kon het echt niet.
Ze kon niet zeggen dat hij het niet had geprobeerd.

‘Mensen, een verrassing van de zaak’, riep de gerant vrolijk, terwijl een muzikant al bij het eerste tafeltje op een viool stond te spelen.
-Ook dat nog-.
In een reflex trok Vaal de strop van zijn das wat losser en maakte zijn bovenste knoopje los.
Het hielp niet veel.
Frisse lucht, dàt was wat hij nodig had.
‘Ik ga even naar het toilet’.
Het voelde warempel goed om haar daar zo miezerig alleen aan het kleine tafeltje in de hoek achter te laten.

Buiten stak hij een sigaret aan onder de luifel en keek op zijn mobiel.
Nog niets.
Ze was natuurlijk net klaar op kantoor.
Een grote regendruppel doofde zijn tweede sigaret voor hij nog maar half op was.

Toen hij weer binnen was zag hij dat zijn biefstuk al klaar stond op tafel.
Ze was al begonnen aan haar salade en had voor zichzelf weer wijn ingeschonken.
Er lag een roos naast haar glas, de donkerrode blaadjes waren al een beetje verlept.
Hij zei er niets over.
En zij ook niet.

Hun bestek tikte in dezelfde cadans op hun borden als de regendruppels tegen het raam.
Ze aten stilzwijgend.
Aan het tafeltje naast hen zat een verliefd jong stel.
Het contrast was schril.
‘Jij nog wijn?’
Hij schoof zijn glas een beetje naar voren.
‘Graag’.

Zij was klaar met eten.
De pitjes van de olijven lagen half afgekloven op het randje van haar bord, pal naast haar mes en vork.
Obers hadden daar een gruwelijke hekel aan.
Hoe vaak moest hij dat nou nog zeggen?
Was het nou zo’n grote moeite?
Hij zweeg.

Met het servetje veegde ze voorzichtig langs haar mond.
Boven haar lippen hadden de dunne lijntjes zich met het rood van haar lippenstift gevuld.
Het zag er goedkoop uit.
Weerzinwekkend zelfs, als hij heel eerlijk was.
Ook haar donkere oogmake-up was uitgelopen.
Hij had geen zin het haar duidelijk te maken, zoals vroeger, door heel subtiel naar zijn eigen ooghoekje te wijzen.
Had ze nou een knoopje van haar blouse extra open gedaan?
Ineens had hij geen trek meer.
Resoluut schoof hij zijn bord van zich af.

‘Wilt u onze dessertkaart zien?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Nee, brengt u de rekening maar’.
Als hij opschoot kon hij misschien nog heel even langs haar.
De ober nam de borden mee.

Terwijl zij de rest van de wijn in haar glas schonk zag hij hoe er een pitje van de rand rolde en midden in het looppad stil bleef liggen.
‘Ik ga nog even naar het toilet, oké?’
Bij het opstaan stootte ze tegen de tafel, waardoor zijn glas gevaarlijk heen en weer schommelde.
Hij was net op tijd.
Het hare was leeg.
Al wéér leeg.
Hij zag hoe ze bijna uitgleed over het pitje, ternauwernood kon ze haar evenwicht bewaren.
Vroeger had het hem niet zoveel kunnen schelen, maar nu schaamde hij zich diep toen zijn vrouw vervolgens tot twee keer toe mis greep naar de deurklink van het toilet.

Snel griste hij zijn mobiel uit zijn borstzak.
Gelukkig, een berichtje.
‘Zie ik je nog vanavond?’
Onder het bericht verscheen een foto van haar met rood getuite lippen, rood gelakte nagels, en rode stiletto’s.
Dàt, en natuurlijk het pikante zwarte setje wat hij vanmorgen nog had laten bezorgen, maakte dat er een wellustige glimlach zijn gezicht lag, toen hij zijn telefoon weer in zijn binnenzak liet glijden.

Hij had haar niet eens zien aankomen.
Opeens had ze achter hem gestaan.
‘Je bent echt te triest voor woorden!’
Toen hij zich omdraaide raakte haar vlakke hand hard zijn wang.
Het geroezemoes in de eetzaal verstomde. Alle hoofden draaiden nu in hun richting.
-God, wat walgde hij van haar-.
‘Kom, alsjeblieft geen scene nu’.
Behulpzaam hield hij haar jas voor haar op.
Als ze eerst maar hier weg waren.

Woest rukte ze de jas uit zijn handen en rende de straat op, dwars tegen de striemende regen in.
‘Sodemieter op Vaal.
Ga alsjeblieft naar haar!’

Dit was het dus.
Hier hield het op.
Hij zou naar háár gaan.
Definitief deze keer.

Voordat hij de hoek om liep keek hij nog eenmaal om, zodat hij nog net kon zien hoe een harde windvlaag de grote Hema-tas uit de tak van de boom rukte.
Eerst vloog hij wat doelloos in het rond, alsof hij zich even moest oriënteren, maar toen de wind even bedaarde dwarrelde hij neer en landde precies op de voorruit van de vrachtwagen die net door de bocht aan kwam rijden.

De chauffeur had de huilende vrouw die midden op straat liep onmogelijk nog kunnen ontwijken.

Te triest voor woorden, herhaalde Vaal.
Ze had gelijk.
Toen stak hij zijn paraplu op en vervolgde zijn weg.

-fictief, deze versie heb ik nog iets verder ingekort en opgestuurd naar de NRC debutantenschrijfwedstrijd die loopt tot en met 12 november-

Inez deel 8: storm op komst

Fictief

Het regende pijpenstelen. Was het een dikke week geleden in Maastricht nog prachtig zonnig nazomerweer geweest, vandaag had de herfst dan toch echt definitief zijn intrede gedaan. Inez zette de fluitketel op het gas en tikte net zo lang met haar nagel op het display van de thermostaat tot daar het cijfer 22 verscheen. De meiden waren al naar school. Kees had haar die ochtend verrast met een kopje thee en een beschuitje Oude Leidse. ‘Blijf jij nog maar even liggen schat’. Ze had het zich geen twee keer laten zeggen, en nadat ze zich nog even lekker had omgedraaid, was ze weer in slaap gevallen.
En nu was het elf uur.
De thee was inmiddels ijskoud.
Zo gaan die dingen.

Met een vers kop hete thee en een stuk overgebleven appeltaart van gister ging ze aan de tafel zitten. Buiten raasde de wind. De bruine bladeren werden omhoog geblazen en daalde langs de schutting weer maar beneden. Er had zich al een heel hoopje verzameld. Code oranje was er voorspeld voor het eind van de middag. Als Kees de meiden nou maar op het hart had gedrukt goed uit te kijken als ze op hun fietsen weer naar huis zouden komen.
Ze zou ze straks wel even een Whatsapje sturen. Het mocht wel niet van school, maar nood breekt wet, vond Ien.
Kees was natuurlijk met de auto. Ze moest straks zelf maar de tram nemen naar de Appie. Getver. Ze had helemaal geen zin om eruit te gaan. En al helemaal niet om die stomme boodschappen te doen. Altijd dat zelfde gezeur met dat eten. Nou ja. Misschien kon ze hachee maken. Met rode kool en oma’s appelmoes uit een potje. Daar was het echt weer voor, en Kees en de meiden waren er gek op. Dat was dan in ieder geval wat.
Terwijl ze bezig was de rest van de boodschappen op te schrijven floot haar mobiel een schel deuntje. Dat was lang geleden zeg, dat ze dat irritante toontje had gehoord. Wie gebruikte er tegenwoordig nou nog de sms?
Ien las het berichtje.
‘Ben in de stad, tijd voor koffie? G.’
Zjiesus, wat moest ze daar nou weer mee? Hij liet het er niet bij zitten zeg.
Zou ze gaan?
Gewoon, gezellig.
De meiden hoefde ze nog lang niet te verwachten.
En als ze zich niet vergistte had ze ook nog vier kant en klaar gebraden ballen gehakt in de vriezer. Aten ze morgen wel hachee.
Ze twijfelde.
Gezellig was het misschien wel.
Een beetje spannend ook.
Maar ja?
Was het niet domweg stom, net nu de rust tussen haar en Kees weer een beetje was teruggekeerd?
Niet dat het helemaal weer koek en ei was, maar de sfeer was er wel op vooruit gegaan sinds hij tegenwoordig wat vaker bij het avondeten aanwezig was en duidelijk zijn best deed haar ervan te overtuigen dat er echt geen ander was. En nooit was geweest ook.
Echt geloven deed ze het niet. Ze wilde wel, maar het lukte haar gewoon niet.
En nu dus dat berichtje van George.

Ien stond op om Sukkel binnen te laten. Ze wreef de zeiknatte kater zo goed en zo kwaad als ze kon droog met een oude handdoek. Hij liet het gelaten toe. Net toen ze de vieze lor in de wasmachine had gestopt ging haar telefoon. Het was Linda.
Kwam dat even uit, ze had haar net zelf willen bellen.
Ja, Lin zou het haar wel uit haar hoofd praten om koffie te gaan drinken met die zelfverzekerde sleetse schrijver!

‘Hai Lin, alles oké? Wat denk je?’
Aan de andere kant bleef het eerst nog even stil. Toen hoorde Ien het zachte gesnif. ‘Hey lievie? Wat is dat nou? Wat is er?’
Ze ging er maar even bij zitten. Dit kon wel even gaan duren begreep ze. Sukkel sprong gelijk op haar schoot, lekker warm natuurlijk.
‘O Ien, ik heb het gedaan!’
Het kwam er met horten uit.
Veel wijzer kon ze er nog niet van worden.
‘Wat dan Lin, vertel, wat heb je gedaan?’
Op de achtergrond hoorde ze hoe haar vriendin zich probeerde te vermannen.
-God, wat had ze zin in een sigaret nu, als ze er eentje had gehad had ze zeker weten voor de bijl gegaan-
De kat draaide zich net lekker in het holletje van haar arm en vergat daarbij zijn scherpe nagels in te trekken toen
het hoge woord er eindelijk uit kwam.
‘Ik heb hem geaccepteerd Ien.
Ik heb de flat geaccepteerd!’

Wordt vervolgd.
Zie voor delen 1t/m7 categorie ‘Inez’.
En voor Linda’s verhalen de WE300 van september ‘Renoveren’ en oktober ‘Kwaliteit’.

WE300: kwaliteit

Vervolg op de We 300 van september: ‘renoveren’:
———————————————–
Peter en Linda stonden samen op het balkon van de verwaarloosde flat.
Zijn armen om haar heen irriteerden haar opeens mateloos. Abrupt draaide ze zich van hem af.
‘Nou, zeg eens eerlijk, denk jij dan werkelijk dat hier nog iets moois uit voort kan komen?’
Peet zuchtte diep.
‘En jij? Denk jij dan werkelijk dat jij hier gelukkig zult kunnen zijn met een goedkoop Gamma laminaatje op de vloer en een bankje van Leen Bakker?’
Ach kom. Laat me niet lachen’.

Hij had gelijk.
Ze zou het hier vreselijk vinden.
Ze zou haar mooie grote huis zo missen.
Haar mooie spulletjes die ze zo met zorg had uitgezocht.
Uren was ze erop uit geweest in haar mooie Porsche cabrio-tje.
En nu stond ze hier op dit stomme balkon.
Ze dacht aan haar dakterras met de grote platanen in potten die zo subtiel hun welkome schaduw over de zondagse lunch konden werpen.
Ze kon bijna het zilver van het bestek zachtjes in hun geruststellende regelmaat horen tikken op de mooie borden, en de champagne belletjes zien in haar kristallen glas.
Nou ja. Haar?
Eigenlijk was er niets van haar. Eigenlijk was het allemaal van Peet.
Eigenlijk was ze zelf niets meer dan slechts een collectors item.
Was ze maar met hem getrouwd geweest, of had ze maar op zijn minst een samenleef contract met hem gehad.
Verdomme!

‘Kom schatje, je stelt je aan.
Laten we het alsjeblieft vergeten’.
Zachtjes streelde Peet haar wang.
Troostend.
Ze liet hem.
Soms kon hij zo lief zijn.
‘Lin, er kan niemand aan jou tippen. Jij hebt klasse!’.
Voor op straat waren wat jongens gaan voetballen.
De bal raakte het ijzeren hek dat het fabrieksterreintje omsloot.
Het rammelde troosteloos.
Linda huiverde.
Leen Bakker.
Gamma.

Ze zou niet eens weten hoe ze er moest komen.

Geschreven voor Plato’s schrijfuitdaging voor de maand oktober: ‘Schrijf een verhaal in precies 300 woorden. Het onderwerp is deze maand ‘kwaliteit‘. Dit woord mag zelf niet in de tekst voorkomen. Zie voor meer verhalen:
http://platoonline.wordpress.com

Over een geslaagde zaterdag en maatjes 38

Zaterdag
Om twee uur pikken we met z’n drietjes mam op.
Vandaag gaan we ‘gezellig winkelen’ in Zaandam.
Als er iets is waar mijn moeder niet van houdt is het winkelen.
Pas nadat ik haar vorige week had beloofd dat we dan echt alleen naar de C&A zouden gaan, en direct aansluitend een gezellig verwarmd terrasje op de Dam zouden pikken wilde ze er wel over nadenken.
‘Mam, je hebt echt een nieuwe jas nodig’. Vorig jaar was het er ook al niet van gekomen omdat pap ziek was.
‘Weet je wat, dan ga ik ook gezellig mee, jij ook Kyl?’

Terwijl rem en Kyl in de Saturn rond struinen gaan mam en ik naar de C&A. Ze parkeert hem keurig voor een grote pas spiegel. Ik zie dat ze het nu al Spaans benauwd krijgt.
‘Blijf maar lekker zitten hoor’.
Het volgende uur loop ik af en aan met jassen. ‘En deze dan? Pas deze dan eens’.
Het valt me mee dat ze ze bijna allemaal wel wil passen als ik tenminste met de ‘juiste’ maat aan kom.
‘Ik heb maat 38 kind, een 36 is me echt veel te klein’.

Na een poosje voegen Rem en Kyl zich bij ons.
‘Die is leuk oma!’
Ook Rem geeft haar een compliment. ‘Ja, die staat je hartstikke goed hoor!’
Het betreft een Camel kleurige jas met een tijgervelletjes voering. ‘Lekker zacht mam’.
Mam glundert.
‘Ja, deze is wel leuk. Waar is de kassa?’
‘Maar je wilde toch nog wat truitjes ook?’
Mam is er helemaal klaar mee.
‘Nee hoor, ik ben het zat’.
Onderweg naar de kassa pluk ik lukraak een lief truitje uit een rek. ‘Wat voor maat?’
’38 mam’.
‘Nou, doe maar dan’.
Even verder zie ik schattige camel kleurige bontlaarsjes staan.
‘Kijk nou, wat heerlijk mam, voor op je scoot!’
Rem en Kyl die ook een duit in het zakje.
‘Precies de kleur van je jas’
‘Lekker warm oma!’
Ik wurm de rechterschoen van mijn moeders voet en trek het laarsje aan.
‘Je hebt toch wel maat 38 Narda?’
Het zit als gegoten.
Eigenlijk wil ze ze gelijk wel aanhouden. En de jas ook.
‘Nou, dan laat ik de kaartjes er toch meteen uit knippen?’

Even later lopen we langs de Gedempte Gracht-die-niet -meer-gedempt-is naar de Dam. Mam kijkt haar ogen uit.
‘Best gezellig geworden toch?’
Bij de Koperen Bel is nog een fijn tafeltje onder de luifel vrij.
Er hangt zelfs een terraskacheltje boven.
Mam kan haar geluk niet op.
Er staat een asbakje klaar.
Ze hebben zelfs sherry.
‘Toch wel droge he?’
Zelfs droge.
In hele grote glazen.
En een bitterballetje lust ze ook wel ja.

Vandaag zelfs wel drie.

Inez deel 7: over tapas en haren.

Inez zat in bad met haar hoofd vol schuim.
Het was nog dezelfde avond.
Ze hadden die middag heerlijk geshopt.
Wat zullen de meiden morgen blij zijn met de leuke tops.
Voor Kees had ze niets.
Wat had ze nou moeten kopen voor hem?
Nee, ze kon niets verzinnen.
Wilde niets verzinnen.
Zou dat nou het begin van het einde zijn?

Misschien moest ze even bellen straks.
Gewoon, even vragen hoe het ging.
Met de meiden.
Met hem.
Ze zouden nu vast naar de ‘Funniest’ kijken.
Lekker, met warme kaasbroodjes van de bakker op de bank.
Opeens sprongen haar ogen vol met tranen.
Kon het maar weer gewoon zijn zoals vroeger.
Met haar neus dichtgeknepen liet ze zich onder het warme water glijden.

Ze vonden een leuk tapas tentje niet ver van het hotel.
Lin hield van dezelfde tapas als Inez, dus het kiezen was snel gegaan en nu zaten ze achter een glas Spaanse rode wijn.
‘Kom, ontspan een beetje Ien’.
Zojuist had ze naar huis gebeld. Giebelend hadden de meiden haar te woord gestaan.
Alles ging goed. Ze waren met Kees naar de manege geweest en ze hadden met z’n drietjes de boodschappen gedaan. ‘Mag ik papa nog even aan de telefoon?’
Op dat moment hoorde ze een lichte aarzeling in Anouk haar stem. ‘O. Ehh….hij staat onder de douche mam’.
Direct had ze het koud en warm tegelijk gekregen. ‘Onder de douche? Gaat hij uit dan?’
Ze deed haar best om luchtig te klinken. ‘Ja, een paar uurtjes maar hoor mam. En weet je wie er dan op ons komt passen? Eric!’ De meiden waren gek op de jongste broer van Kees. Hij was nog maar net twintig.
‘Nou, wens je vader dan maar veel plezier hoor vanavond’.
Met moeite lukte het haar om argwaan in haar stem te verbergen voor Anouk.

‘Joh, wat zou jij doen dan als Kees een weekend weg was?’
Inez nam een slok.
‘Hetzelfde?’
‘Precies. Maak je toch niet zo druk schat. Omdat Peet met Manon het bed indook hoeft Kees dat toch nog niet te doen?’
De ober zette een schaaltje met broodjes en Aouli op het tafeltje.
‘Je begrijpt het niet Lin’.
De broodjes waren gloeiend heet. Snel legde Ien het nog even terug in het mandje.
‘Wat begrijp ik niet Ien? Van die haar op zijn colbert? Daar hebben we het toch al over gehad?’ Linda legde haar hand op die van Inez en kneep er zachtjes in.
‘Hij heeft die secretaresse gewoon getroost schat. Heel normaal toch? Haar man wordt met spoed opgenomen, Kees rijdt met haar naar het ziekenhuis, ze huilt, hij troost. Niks aan de hand. Relax!’
Inez zuchtte.
Waarom snapte Linda het nou niet?

‘Zijn secretaresse heeft kort zwart haar Lin’. Ze pauzeerde even terwijl de ober een plekje zocht voor de schaaltjes met Gamba’s Pil Pil.
‘En de haar op zijn colbert was Lang en Blond’.

Inez deel 6: een soapochtendje in Maastricht

(Als je wit weten wat vooraf ging:Zie categorie ‘Inez’)

De volgende morgen werd Inez wakker van een geur die ze normaal gesproken best lekker vond.
‘Sjeezus Lin, moet dat nu?’
Met een theatraal gebaar trok ze het dekbed over haar heen.
Wat stonk die nagellak.
Ze hoorde hoe Linda de balkondeur opende.
‘Kijk eens naast je Ien’.

Op het nachtkastje lag paracetamol en een vitaminepilletje klaar naast een glas water en een kop koffie.
‘Je bent een schat’.
Het maakte trouwens nooit uit hoeveel Lin de vorige avond gedronken had.
Na vier, vijf uurtjes slaap was ze weer helemaal hersteld.
Inez niet.
Dat duurde nog wel even.
‘Was het laat geworden Ien?’

Gut ja, dat was ook zo.
Ze was het even helemaal vergeten.
Het restaurant.
De koffie.
George.
Mijn god, George.
‘Ien…Je glimlacht. Kom op, vertel. Was het gezellig?’
En of het gezellig was geweest.
Ze hadden heerlijk gekletst.
Nou ja, zelf had ze niet zoveel te vertellen gehad.
‘Gewoon…getrouwd, twee meiden’.
Ze had liever naar hem geluisterd.
Eerst met een koffie.
Later hadden ze nog een wijntje gedronken.
Rood.
En nog een.
‘Ken je George nog?’
Linda dacht even na.
‘Die vent waar je jaren geleden zo verliefd op was? Was het geen schrijver?’
Ze knikte.
‘Die ja. Zullen we nu eerst de stad in gaan? Ik moet nu echt eerst wat eten hoor!’

Even later zaten ze op een terrasje op het Onze Lieve Vrouwe Plein.
‘Zit George ook in ons hotel dan?’
Ien veegde wat kruimeltjes van haar croissant van haar lip.
‘Hij is vanmorgen alweer vertrokken, tegenwoordig werkt hij als sommelier voor verschillende hotels’.
Ja, dat wist ze nog.
Vandaar ook dat wijntje na de koffie nog.
‘Proef deze rode eens Inez’.
Bescheiden had ze een heel klein slokje genomen en liet de wijn even rondgaan in haar mond.
Zo deed je dat toch?
‘Hij is net zo zacht als jouw huid’.
Het had niet eens flirtend geklonken.
Eerder lief.
Even hadden hun ogen elkaars blik vast gehouden.
Grijs.
Ze waren grijs.
Grijs en diep.
Daarna had zich wat naar voren gebogen en haar handen gepakt.
‘Je bent nog steeds een mooie vrouw Inez’.
Ze voelde hoe ze weer rood kleurde toen ze er aan dacht.

‘En toen?’
Lin zat op het puntje van haar stoel.
‘Nou. Niets natuurlijk!’
‘Niets?’
‘Nee. Niets. Kom op Lin, ik ben getrouwd weet je nog?’
Ze stond op.
‘Even naar het toilet’.
Jeetje.
Wat een gezeur.
Moest er nou overal direct wat achter gezocht worden?
Echt om niets.
Nou ja.
Hij had haar een kus op haar mond gegeven.
Per ongeluk.
Het ging ook zo onhandig.
Ze draaide toevallig net haar hoofd.
‘Mag ik je nummer?’
Ze had het hem zonder aarzelen gegeven.
Het zou inderdaad best leuk zijn om eens samen koffie te drinken als hij eens in de buurt was.

Toen ze weer het terras op liep zag ze dat Lin net klaar was met bellen.
‘Peet?’
Lin knikte.
‘Hetzelfde liedje.
Spijt, spijt en nog eens spijt’.
Ze zuchtte.
‘Wat moet ik nou?’
Stel hem voor dat hij zelf in die flat gaat wonen Lin. Hij moet weg.
Niet jij!’

Wordt vervolgd….

We 300: Renoveren

Het beloofde een mooie dag te worden maar de mist was nog maar nauwelijks verdwenen op dit vroege uur in september. Linda had haar adem net niet lang genoeg in kunnen houden toen de lift hen naar boven bracht. Ze nam een diepe teug lucht. Dat was beter. Ze huiverde een beetje en sloeg haar vest wat dichter om haar lijf. ‘Gaat het?’
Ze keek Peter niet aan.
Ze zei niks.
Haalde kort haar schouders op.
Wat moest ze zeggen?

De galerij op de zevende echode naargeestig toen ze samen naar de woning liepen. Dus hier zou ze dan voortaan lopen. Met haar boodschappen. Nou ja, zoveel had ze straks natuurlijk niet meer nodig.
‘Zal ik?’
Peter opende de deur.
Binnen wachtte een donkere bedompte hal. Linda aarzelde even voor ze over de drempel stapte.

De keuken lag aan de galerij.
Hij was oud. Muf. Vet.
De woningbouwvereniging had al gezegd dat er nog het nodige aan de woning zal worden opgeknapt.
‘Nog aardig ruim Lin, daar valt best wat van te maken toch?’
Linda liep door naar de badkamer. ‘Mijn hemel, ik wist niet dat dit nog bestond?’
Ze keek naar het oude lavet waarboven een oude douchekop hing.
Ze dacht aan haar stoomdouchecabine in de luxueuze badkamer thuis die Peter en zij zelf ontworpen hadden.
De cabine waarin Peter en Manon……Notabene haar een na beste vriendin!
‘Lin, je hoeft niet!’
Ze liep verder. Aan de grote slaapkamer grensde een klein balkon.
Ze opende de deur en leunde over de balustrade. Door een waas van tranen keek ze toe hoe de eerste zonnestralen het industrieterrein van zijn grauw verloste.
Ze voelde hoe Peter achter haar kwam staan. Voorzichtig sloot hij haar in zijn armen.
‘Lieverd, blijf alsjeblieft bij me’.
Ze zuchtte diep.
‘Denk jij dat hier nog best wat moois uit kan komen?’

Geschreven voor Plato’s schrijfuitdaging voor de maand september: ‘Schrijf een verhaal in precies 300 woorden. Het onderwerp is deze maand ‘renoveren‘. Dit woord mag zelf niet in de tekst voorkomen. Zie voor meer verhalen:
http://platoonline.wordpress.com

‘Huichelen aan Zee ‘

-FICTIEF-

Het was vandaag een perfecte dag om wat leuks te gaan doen, besloot ze die ochtend toen ze nog maar net haar ogen had geopend. Hoopvol opende ze haar balkondeur.
Gelukkig, hij scheen. En hoe!
Het was nog vroeg, maar al warm genoeg om de deur lekker open te zetten.

Met een beschuitje halvajam en een latte plofte ze op de oude zitzak op het balkon. Ze had het ding daar ooit neergezet toen ze de vloer een goede beurt had gegeven. Daarna had ze hem gewoon nooit meer had terug gezet.
Hij stond ook best leuk hier. Dus waarom zou ze?

Ze klikte in een vloeiende beweging het hoesje van haar telefoon open.
Facebook.
Whatsap.
Instagram.
Mail.
Behalve wat nieuwe statussen was er niet veel te beleven.
De kiekjes van die gelukkige stelletjes die ze tegenwoordig iedere keer weer voorbij zag komen konden haar trouwens ook gestolen worden.
Om over de happy gezinnetjes nog niet eens te spreken.
Huichelaars!

Ze checkte Weer online. Het zou een prachtige dag worden. Zon, 27 graden en een vleugje wind.
Veel te mooi om thuis te blijven toch zeker?
Zou ze gewoon in haar eentje even naar het strand gaan?
Boek mee. Eten en drinken zou ze daar wel kopen.
Soms moest je jezelf gewoon eens verwennen toch?
In 1 teug dronk ze de koffie uit het hoge glas leeg.

Ze had nu best wel een hondje willen hebben. Hoewel? Mochten die eigenlijk wel op het strand in de zomer?
Ze wist het niet eens.
Wat moest zij nou ook met een hondje?

Het was druk op het strand.
Alle bedjes waren bezet.
Ze moest toch maar een beetje dichtbij het terras gaan liggen.
Tussen een stel en een oudere vrouw alleen was nog net een plekje dat net groot genoeg was voor haar alleen.
Terwijl ze zich op haar plekje installeerde zag ze hoe de man links van haar geïnteresseerd naar haar keek.
Niet eens onopvallend.
Zijn vrouw lag op haar buik te zonnen. De bandjes los. Haar blonde haar in een quasi slordige knot bijeen gebonden.
Zou ze slapen?

Eerst maar eens goed insmeren. Ze verbrande altijd zo snel. De zonnebrandolie voelde warm en plakkerig op haar huid. Hij smeerde lekker uit en rook zalig maar de zomer.
De man links keek nog steeds naar haar. Wat een idioot.
Weer zo eentje!
Ze keek hem recht aan.
-Wat moet je nou?-
Meestal keken ze dan wel snel weg. Deze keer niet.
Langzaam liet hij zijn tong over zijn lippen gaan.
Sjezus.
Had zij dat weer?

Ze pakte haar boek.
Maar gewoon negeren bleek toch moeilijker dan ze dacht.
Hij keek gewoon nog steeds ongegeneerd naar haar.
Hij had zelfs zijn stoel nog een beetje in haar richting gedraaid.
Knipoogde hij nou?
Werd die vrouw nou maar eens wakker.
Verdomme.
En ze vertikte het om te verkassen.
Altijd hetzelfde liedje.
Gisteravond ook al dat gezeik.
Zie je nou wel, hij knipoogde!

Er kwam beweging in de knot.
De man zette zijn zonnebril op. Spiegelglazen. Het zal niet.
Halleluja zeg, wat was het al heet.
Misschien moest ze even lekker gaan zwemmen.
‘Zou jij misschien op mijn handdoek willen passen?’
Ze vroeg het aan de buurvrouw rechts. Het was geen probleem.

Het was eb, zodat ze eerst door het grote pierebad moest waden voor ze bij pas bij de zee kwam.
Ja, van een stukje zwemmen zou ze opknappen. Ze was altijd al een hele goede zwemmer geweest, zodat ze wat verder durfde te gaan.
Bovendien was de zee rustig.

Als snel kwam ze lekker in haar slag.
God, wat hield ze hier van.
Na vijf minuten liet ze zich moe op haar rug mee drijven. De golven wiegden haar in een zalig ritme op en weer neer.
Ze hield haar ogen dicht, haar armen gestrekt. Ze zou zo wel kunnen slapen.

‘Hoi’.
Ze schrok.
Nee hè? Daar had je hem ook weer.
Ze besloot hem verder te negeren en langzaam terug te zwemmen naar het strand.
Opeens was hij weg.
Ondergedoken weg.
O kijk, daar was hij weer.
Twee meter verderop.
Hij lachte.
Witte tanden.
Zijn ogen weerkaatsten de spiegeling van het zonlicht op het water.
Lichtblauw.
‘Je gaat nu toch nog niet terug?’
Weer dook hij onder.
Verdomme.
Voelde ze nou wat aan haar been?
Een streling.
Opeens pakte hij haar enkel en trok haar naar beneden.
Ze ging even kopje onder.
Toen liet hij los.
Happend naar lucht kwam ze weer boven. Het was meer van de schrik dan dat ze adem te kort was gekomen.
‘Klootzak!’

Weer lachte hij.
Ze moest hier wegwezen.
Hij spoorde gewoon niet die vent.
Snel zwom ze terug richting strand.
Maar niet snel genoeg.
‘Waar wil je heen schatje?’
Dit keer hield hij haar pols gevangen.

Mijn god waar was ze in verzeild geraakt?
Dit had ze toch kunnen verwachten?
‘Laat me gaan!’
De woorden waren rustig over haar lippen gekomen, in schril contrast met de paniek die inmiddels gierde door haar hele lijf.
Rustig blijven nu.
Zacht, maar dringend, op een toon alsof ze tegen een kind sprak zei ze het nog eens.
‘Kom, laten we terug gaan’.

‘Terug gaan? Nee toch? We hebben het net zo gezellig samen.’
Stevig sloeg hij zijn arm vanachter om haar heen en trok haar naar zich toe.
‘Kom eens hier schatje’.
Ze voelde hoe hij zijn onderlijf hard tegen haar aan duwde.
‘Dit is toch ook wat jij wilt?’

Ze begon te gillen.
Hard en hoog.
Hij schrok.
Haar nagels probeerde zijn gezicht te raken.
Ze leek wel een kat.
‘Laat me gaan lul!’

Het hielp.
Hij had haar los gelaten.
Snel zwom hij met lange slagen terug naar de kust, haar geen blik meer waardig gunnend.
Ze huilde een beetje.
Wat had ze nou toch stom gedaan?
Wat mankeerde haar?

De knot kwam net overeind toen ze terug liep naar haar handdoek.
Hij zat al naast haar en schonk wat drinken in van die hippe plastic bekers.
Zij pakte de broodjes.
Broodjes ei.
Ze kon ze ruiken terwijl ze haar badlaken in haar tas propte.
‘Jongens, kom op. Even naar mama luisteren nu. Zitten!’.
Dat was hij.
Hij keek niet meer.
Niet meer naar haar tenminste.
Wel naar de knot.
‘Heerlijk hè schat, zo’n dagje zee?’
Zo kon hij dus ook klinken.
Teder zoende hij haar op haar mond.
‘O wacht even…’
Ze diepte een IPhone op uit haar tas.
‘Even een selfie maken’.

Hij sloeg een arm om haar heen.
Een vertrouwd gebaar wat hij vast al jaren had gemaakt.
Zij hield haar witte IPhone voor hen uit.

‘Leuke foto hè schat?
Ik zet hem op Facebook!’

Ze hoorde het nog net terwijl ze weg liep.