12 minuten fietsen aan de Zaan

Mijn fysiotherapeute zit gevestigd op de eerste etage van het voormalig Gemeentehuis/politiebureau in Wormerveer, mijn geboortedorp.
Het fitnesszaaltje, daar op de eerste verdieping, kijkt uit over de Stationsstraat en de Zaanweg.
Links het Guisveld.

Als ik op de hometrainer zit, kijk ik uit over de Zaan die daar meestal zomaar zachtjes in zichzelf wat ligt te blikkeren in haar mooie bochtje.
Oneindig diep lijkt ze mij in gedachten, de spiegeling van de molens nog amper maar in haar diepten vervaagd.

Zachtjes hoor ik haar trots wat kabbelen over de kleine jongens die zij dezelfde wijze oude mannen zag worden.

-Wist ik wel dat Herman Gorter, naast haar geboren was?
Van Cor Bruijn, die zo vaak met haar op heeft gelopen, op zijn voettochten?
Van de losse ploegers?
Van de zaadsjouwers?
De kiepvrouwen?
De kerkgangers?
De loopjongens?
Ach, kwajongens!
Wist ik wel van Suze, het lieve witte paard dat de goederenwagons naar haar losstation trok.
Van die gemene Spanjaarden?
Haar vele molens.
Haar veer.
De Alkmaar Packet?
Haar fabrieken.
Haar grote krabben.
Haar koude Noorder.
Haar kermis
Haar Jonge Prins?
En
de keren dat zij zoveel plezier voor de kinderen bracht toen zij helemaal dicht gevroren was in de lange strenge winters?-

Zachtjes echoot ze de voetstapjes van mijn vaders klompjes in mijn hoofd.
Klompjes en een boezeroentje.
En handjes van kleinere broertjes.

En kijk nou!
Daar lopen wij:
Zus en ik.
Met onze boeken.
Een zoethout.
Vast op weg naar ballet in Ons Huis.
of de bieb.

En daar vis ik.
Daar zie je? Iets verder, over de Noord.
Daar zwem ik, op een zomerse dag bij de Stoel.
Daar fiets ik, naar San, of naar mijn werk.
Daar zingen we, met z’n allen.
En daar rij ik in een donkere nacht.
Alleen.
Met pap. En mam.

Nee. 12 minuten fietsen.
Het is net niks.

Advertenties

Verhaaltje tbv Actie WFC Wormerveer KiKa /AVL

WFC naar de hoofdklasse:
25 jaar geleden.

Het was een mooie eerste Pinksterdag.
Mart en ik sliepen in de flat van Sandra en André op de Herman Gorterstraat.
Zelf waren ze weg.
Baerle Nassau.
De kat kon niet mee.
Zodoende.

We hadden de hele eerste dag op het balkon gezeten. Slechts afgewisseld met het wiebelende waterbed.
Mart was geblesseerd.
-Ik een beetje zeeziek-

Mart kon niet goed lopen.
Hij had vaak wat.
Hij lag meer bij Kees de fysiotherapeut dan bij mij.

Ik werkte in die tijd als verkoopster bij bakker Dirkson.
‘Hoe gaat het nou met Martje?’
Hoevaak werd die vraag me niet gesteld.
Martje het goudhaantje.
Mart, de geweldige linksback die ook nog eens verrassend goed kon aanvallen.

Natuurlijk kwamen de scouts.
Az. Vitesse. Haarlem.
Volendam.
Nog meer hoor.
Op een dag mocht Mart meespelen bij Haarlem.
Hij had nog geen rijbewijs.
Ik wel.
Mart studeerde nog.
We huurden een auto bij garage Zwart.
Gewoon.
Voor de leuk.
Een mosgroene Opel.
Dat weet ik nog.
En ik nam de verkeerde afslag.
Die naar Alkmaar.
‘Wat doe je nou?’

Terwijl Mart zich om ging kleden, ging ik naar de kantine.
Het regende zachtjes.
De tribune was nagenoeg leeg.
‘Speelt je vriend ook mee?’
Een man aan de bar.
Ik knikte trots.
‘Wat speelt hij?’
‘Links-back. Die links-back die ze nu hebben is al heel oud’.

Mart was klaar.
Het ging best aardig.
‘Wat stond je net gezellig met Andre Stafleu te praten schat’.

Een week later werden we uitgenodigd voor een borrel na de wedstrijd in het spelershome.
Mannen in pak.
Spelers in pak.
En wij, in ons gewone alledaagse kloffie.
Mart wees het aanbod af.
-Het pilsje niet-.

Daarna kwam het Nederlands Amateur team in beeld.
Dat jaar waren de WK net in Nederland.
Zul je net zien.
‘Hoe gaat het nu met Martje.
Heeft hij nog wat gehoord?’
Veel klanten kwamen niet eens zo zeer voor het brood volgens mij.

Tja.
Die blessures.
Meestal viel het na de wedstrijd nog wel mee.
Meestal kwam de pijn altijd pas na de bier opzetten.
Als we net in zijn of mijn eenpersoons bedje lagen.
Zaten we weer midden in de nacht bij de huisarts.
Of in de Heel.
‘Kan hij wel meespelen denk je?’

Pinksteren 1989
Mart kon niets.
Nou ja, dat balkon,
-en dat wiebel bed-
Ik ruimde op.
Deed de boodschappen.
Schonk wat in.

Mart belde.
-Nee.
Rectificeer:
Hij belde nooit.
Mart werd altijd gebeld!-
Steeds gebeld.
Kranten voor interviews.
-Hij kon toen al lekker lullen-
Vrienden.
De spanning steeg op het hete balkon.
We aten broodjes hamburger speciaal.
Met ei!
Van de Cor Bruijnweg.

We sliepen die nacht slecht.
Pijn.
Warm.
Zeeziek.
‘Nar, kun je even…?’
Zenuwen.

Eindelijk was het tweede Pinksterdag.
Stil in de spelersbus.
Eigen gedachten.
De vrouwen ook.
Zouden ‘we’ het vandaag nog eens flikken?
Zouden ‘we’ nog een keer op de karren door de straten gaan van Wormerveer?

Ik herinner me alleen heel veel sigaretten.
En de andere spelers vrouwen.
Sandra, Alice, Corina, Helga.
En nog veel meer.
Zenuwachtig gegil.
‘O Nee, ga weg daar!’
Mart aan de overkant.
Op een klapstoel langs de lijn
Op die mooie tweede pinksterdag.

Van de wedstrijd herinner ik me niet veel.
Wel van die in Utrecht.
In twee delen.
Gestaakt.
Datzelfde seizoen.
Tien supportersbussen.
En nu zelfs nog meer.
Heel veel spandoeken.
Voor 1 team.
1 wereldteam.
Wat zeg ik?
Vriendenteam!

Dan eindelijk het eindsignaal.
Ontlading.
De gekte barste los.
Dolle dwaze mannen.
Dolle dwaze vrouwen.
Dansen en springen op het veld onder een regen van
champagne

De bus.
‘We are the champions’
Bolle Jan.
“En een papegaai is veel te klein…”
Feest.
De rondrit.
Feest.
Jongens wat prachtig.
Eten in het jeugdhonk.
De Bres.
Feest.
Gekte.
Bier.
Vooral veel bier.

Opeens kon Mart weer best lopen trouwens.
Zijn krukje was hij in het feestgedruis schijnbaar kwijtgeraakt.
Kijk, daar stond hij op de dansvloer.
‘Straks gaan wij dansen Nar’.

Mart werd opgeslokt door de supporters.
Zijn vrienden.
En heel veel vrouwen.
Bier, euforie.
Speeches.
En nog meer Queen.
Met de armen om elkaar.
1 grote WFC familie.
Dat waren ‘wij’.

Mart bleef dansen.
‘Dans je zo ook nog even met mij?’
Ik was zo jaloers als de pest.
Het was er aan het eind van de avond nog steeds niet van gekomen.
Zijn been deed ineens weer zo’n pijn.
Strompelend en laveloos verlieten we uiteindelijk samen het feest.
‘O. Mijn kruk. Wil jij me kruk zoeken Nar’.

‘Volgens mij redt je het prima zonder Mart. Probeer maar eens!’
Hoewel het niet eens echt een harde duw was geweest tuimelde Mart zo van de bordes trapje af.
Lag ie dan.
-Kon ‘ie weer naar Kees!-

Tja. Herinneringen aan die dag.
Iedereen heeft de zijne.
Dit waren een paar van de mijne.

Fantastisch dat deze mannen – want dat zijn het inmiddels- deze actie voor Kika en het Anthonie van Leeuwenhoek hebben opgezet.
Het zijn nog steeds vrienden.
Fenomenaal.
En een aantal van hen heeft dagelijks te maken met (de gevolgen van) kanker.
Net als zoveel mensen.

Maar dit weekend is het het feest.
En natuurlijk ga ik heen.
Herinneringen ophalen.

Maar vooral ook om te sponsoren.
-En oké. Misschien wordt het na 25 jaar toch ook wel eens hoog tijd om mijn excuses aan te bieden aan dat Martje van toen-.

Kermis in Wormerveer in de jaren ’70

In Wormerveer is er 1 keer per jaar een grote kermis met de Paasdagen.
De kermis was in de jaren ’70 groter dan dat hij nu is. Waar nu de AH en de Blokker staan was toen gewoon nog voor een groot gedeelte plein. Het gebouw van buurthuis de Witte Vlinder lag toen wat meer naar achter volgens mij, waardoor het Marktplein dus groter was. Of was ik gewoon kleiner?

Toen we nog te jong waren om zelf naar de kermis te mogen gingen we met Pasen met onze ouders. Net als ieder ander klein meisje waren we dan op ons paasbest gekleed met onze witte kniekousjes en zwarte lakschoentjes.

Net als nu kon je er touwtje trekken, in de draaimolen, de
rups – van hout!-, waren er vliegtuigjes en kon je natuurlijk ballen gooien. En na afloop kregen we natuurlijk een zachte kaneelstok waar we dagen mee deden. Ook talloze dropballen hebben we versleten. Dagen napret hadden we daarmee.

Naast die eerste paasdag gingen we nog een keertje alleen met mam op de woensdag middag. Soms ging Marjo, het jongste zusje van mijn vader ook mee. Of was ze er gewoon. Ik herinner me nog wel dat ze in zo’n Afghaanse stinkjas in die attractie zat waar je zelf je kar aan een touw vast moest houden. Later werd deze attractie verboden omdat er teveel ongelukken mee gebeurde.
Toen we alweer zo groot waren dat we er overdag alleen mochten rond banjeren gingen we alleen nog een keertje ’s avonds met mam. Reuze spannend, vooral in het spookhuis natuurlijk. Hoewel?

Ik herinner me dat er op de plek waar nu de Blokker is, ooit een reuzenrad stond, maar ook een keer een heuse achtbaan.
En geen kinderachtige ook.
Dat ritje zal ik nooit vergeten.
Ik zag toen mezelf even zitten van bovenaf.
Brrr…
Maar ja, zus wilde er perse in, ze mocht niet alleen en mam kon mij moeilijk alleen op het stoepje laten staan. We – dwz mam en ik, zus was euforisch- stonden na afloop te trillen op onze benen. Nooit meer!

Toen we ouder werden waren we helemaal niet meer te houden Net als de vele andere kinderen Ja, ‘zij’ van de rij van het zwembad, de rij bij de luilakbollen en de C&A- waren we al op het Marktplein te vinden zodra de eerste wagens nog maar net gearriveerd waren. Het was die week natuurlijk the ‘Place to be’ voor alle kinderen van alle basisscholen in Wormerveer. ‘Heb je het gezien? De Hully Cully is er’.
Uren brachten we er door. Een groepje hier, een groepje daar. Er werd wat af geroddeld.
Veel kinderen uit de Ambonese wijk waren er ook, zij stonden meestal met een grote groep bij de botsauto’s.
Er werd natuurlijk ook nogal eens gevochten, daar keek niemand van op. Je was allang blij dat je zelf niet de lul was.
‘Ze vechten. Kom, kijken!’
Nauwlettend hielden we daarnaast natuurlijk de opbouw in de gaten. ‘De botsauto’s gaan proefdraaien!’ Af en toe maakten we een uitstapje naar de Minimarkt voor een schuimblok of iets dergelijks. Of Abba plaatjes.
Kon je mooi gelijk ruilen.
‘Er staat een centrifuge!’
Nou, dat was me wat!
Als je daar niet in geweest was…

In de tijd van Mud kwam de Hully Cully volgens mij voor het eerst op de Wormerveerse kermis. ‘Durf jij erin?’
Zus durfde alles.
En ik ‘durfde’ dus ook.
Er was gewoon geen sprake van dat ik aan de kant mocht blijven staan.
‘Kom Nar’.
Een ritje koste destijds 1 gulden. Eerst ging het vooruit waarbij het leek alsof je over de golven vaarde. Dan achteruit, en vaak daarna nog even vol gas terwijl de schotel in 1 stand scheef bleef staan. ‘Hobbobobobob’ Doodeng vond ik het. ‘Als je eruit valt lig je gelijk goed’, zei zus dan lachend.
Het Marktplein grensde pal aan de Oude Begraafplaats, slechts onderbroken door de kikkersloot. (Ik meen tenminste dat die sloot zo heet).

Alleen al voor de muziek ging je gezellig bij de Hully Cully staan. Mud, Bay city Rollers, Abba.
En wat later Grease..
Die paasdagen in ’78 was het een bont spektakel van glimmende satijnen broeken, wijde glanzende rokken met brede ceinturen en leren jackies. Het was het eerste jaar dat ik door een boze vader ’s avonds bij de jongens bij de botsauto’s vandaan werd gehaald. ‘Vooruit naar huis. Het is al tien uur. Ben jij nou gek geworden?’

Weer een jaar later waren het de pastelkleuren die overheersten, liefst met zwarte puntschoenen eronder.
De Wranglers.
De spijkerjasjes.
Glitter nagellak.
Java.

Ja. De Wormerveerse kermis. Ik kwam er graag. Met zus. Met mijn klasvriendinnen en met mijn vriendinnetje C die ik op mijn beurt weer pushte om in de Hully Cully te gaan.
‘Bobobobobobob, daar gaat ie weerrrr’.
C. was meer van het gokken.
Grijparm, of bulldozers. Maakte niet uit waar ze haar geld in flikkerde, het was altijd wel goed voor een horloge of twee, drie.

Natuurlijk kwam ik er ook met Kyl toen hij klein was.
Oma ook. Op de woensdagmiddag. Als ik werkte.
Later ging hij alleen.
Met kleine Remco, zijn vriendje.
Op een dag kwam hij huilend terug.
‘Ze hebben mijn geld afgepakt.
In het stee-heeg-juh..’

Ach ja, Kermis in Wormerveer.
Wie is er niet groot van mee geworden…

Vrijwillige Brandweer en de Wormerveerse Stoomspuit in de jaren ’70

Mijn vader was naast dat hij chef werkplaats was bij een bedrijf dat de zogenaamde SRV wagens maakte, ook vrijwillig brandweerman. Hij was 1 van de mannen die met de materiaalwagen niet alleen ter plaatse was bij de branden, maar ook bij bijvoorbeeld auto-ongelukken.

Hij vertelde me laatst een keer in de auto op weg maar de Heel dat hij ooit een moeder en een zoon op tijd uit een auto heeft proberen te redden op Plein 13. Dat was niet gelukt.
Ook reed er wel eens iemand met zijn auto in de Nauernasche Vaart wat volgens mij ook niet altijd even goed afliep. ‘En toen bestond er nog niet zoiets als nazorg voor ons hoor’. Het had hem allemaal nog meer aangegrepen dan ik me als kind had beseft, al voelde ik wel degelijk de stemming destijds haarfijn aan.

Zijn laarzen en brandweerpak had hij klaar staan waar hij was, de broekspijpen al om de laarzen heen, klaar om er in te springen en de bretels over zijn schouders te halen als de pieper ging.

Ik kan me de storm van ’72 nog goed herinneren. Pap was uitgerukt. De storm was zo hevig dat er zelfs (stukken) daken van de flats afwaaiden. Ook ons dak maakte vreemde ‘whoeei’ geluiden. Mam. Zus en ik zaten doodsbang op de bank. Mam het meest, en zus -zoals altijd de held van ons drie-het minst.
De tv was uit. Moest uit, denk ik. ‘En niet bij het raam staan’.

Soms nam mijn vader ons de volgende ochtend mee om te kijken naar waar hij die nacht nog had geblust. Naar het Zuideinde bijvoorbeeld. De brand die mij echter nog het meeste bijstaat was de brand aan de overkant van de Zaan in Wormer. Het was 1 november, de verjaardag van mijn zus. Zoals zoveel mensen keek ik vanaf het Noordeinde toe hoe het hele gebouw in vlammen op ging. Mijn vader moest het brandende pand in. Wat hij daar nou precies moest doen ben ik vergeten. De reactie van mijn moeder niet.

Gelukkig zaten er ook leuke kanten aan het brandweerman-schap. Zo waren daar de Spuitfeesten, waarbij groots werden uitgepakt. In het jaar dat China het thema was mocht ik, verkleed als Chineesje, het kussentje dragen met de verschillende onderscheidingen. Daar ging natuurlijk een eindeloos passen en oefenen aan vooraf, ‘al’ die vrouwen bemoeiden zich met mijn outfit, maar het resultaat mocht er geloof ik wel zijn, ik kreeg een luid applaus. Ik deelde die avond mijn kleedkamer ruimhartig met Corrie Konings.
Als een echte diva keerde ik na mijn optreden met een taxi terug naar huis.
De ochtend na het feest was het altijd weer een verrassing wat mijn ouders hadden gekregen. Houten sake kommetjes bijvoorbeeld. Er was altijd wel wat leuks waar we wel iets mee konden. Het was zo’ n beetje de tijd waarin den Uyl ook ‘in den olie was’.

Op een goede dag begin jaren ’70 besloten de mannen op een maandagse avond in de kazerne dat ‘ze’ maar eens wat moesten met die oude stoomspuit die ergens in een hoek stond te vegeteren. Nu was mijn vader nogal handig, dus uiteraard weidde hij zich met veel enthousiasme aan dit karwei. In de avonduren mocht hij in de werkplaats van zijn baas zijn gang gaan. Avond aan avond was hij bezig met lassen en solderen. ‘Moet je nu alweer weg schat?’ Mijn moeder vond het niet altijd even leuk, en als ik mijn vader die maanden wilde zien, zat er weinig anders op dan mee te gaan naar de werkplaats, of de kazerne.

In de eerstgenoemde rook het heerlijk naar werkplaats. De geur van staal. De krullen op de grond. Ik kwam er graag. (Toen ‘project Stoomspuit’ ten einde was, heeft mijn vader daar nog een hele stalen boot in elkaar geflanst. Vertel mij wat over een zeeg, ha!)

In de kazerne klom ik dan op de materiaalwagen. Vandaar had ik een prima zicht op mijn vader en de Spuit.

Na een paar maanden was het ding klaar. Er zullen heus vast andere mensen aan meegewerkt hebben, maar IK heb ze nooit gezien. En ik ben toch regelmatig mee geweest. Wel de oude meneer Blij. Die kon poetsen dat het een lieve lust was.

Er volgden gezellige jaren waarin de Spuit bij vele evenementen haar opwachting mocht maken. Uiteraard stond ze altijd bij de braderie in Wormerveer en op de jaarmarkt op de Schans, maar ook elders in het land werden ze uitgenodigd. ‘Hoorn op stoom’, of wedstrijden. Gingen we weer met de caravan en het hele spul naar Warffum bijvoorbeeld. Oude meneer Blij (ook een Klaas) en zijn vrouw waren mee, en Hennie Blij, hun zoon. Meneer en mevrouw Charmant, meneer Coks, meneer en mevrouw Kooiman, meneer de Jong en natuurlijk ‘ome’ Piet en ‘tante’ Truus, de ouders van mijn vriendinnetje C. waarmee ik in de loop der jaren massa’s bitterballen heb weggewerkt. Ik ben er vast een aantal vergeten.
Dat het allemaal enorm gezellig was allemaal, dat natuurlijk niet. Op zolder bij mijn ouders liggen nog een aantal albums met foto’s van de oma’s van nu in de mini-rokken van toen.
Erg grappig.

Alle mannen hadden hun eigen taak. Meneer Zwart zat geloof ik meestal op het bokkie, ome Piet liet met zijn vaatje jenever de glaasjes van tijd tot tijd rond gaan, meneer Kooiman verkocht de kaarten en mijn vader was samen met meneer Blij 1 van de 2 stokers. (later werd dit Cees Whenis).

Ik zie nog zo voor me hoe ze om beurten de deur van de ketel dan openden, en verse kolen in het vuur schepte. Met zakdoeken veegden ze van tijd tot tijd het zweet van hun voorhoofd. De slangen werden uitgerold en in de Zaan of een sloot gehangen. De Spuit siste en schudde dan een beetje tijdens het heter worden van de ketel. Af en toe lieten ze dan wat stoom ontsnappen. Naarmate de druk in de ketel op liep,-3 bar?- schudde het ding meer en meer. ‘Ssssshhhht’ en ‘Oemph-oemph-oemph’ nog maar wat stoom laten ontsnappen. ‘Mag ik trekken pap?’ Een geluid dat ik voor de rest van mijn leven uit duizenden zal herkennen. Evenals de brandtoeter die mijn vader altijd om zijn nek droeg.

Ik was erbij toen hij deze toevallig opviste in het Noorderveld. Hij heeft hem een aantal jaar terug weggegeven. Aan café de Kroon geloof ik, waar destijds meer van dat soort brandweerdingen aan de wand hingen. Nu niet meer denk ik. De Kroon is overgenomen. Spijtig.

Als de Spuit uiteindelijk goed op stoom was kon er ‘geblust’ worden. Vaak had ik er na een minuut of wat alweer genoeg van om de slang vast te houden, dat ding was loodzwaar, maar de meeste kinderen vinden dat geweldig leuk om te doen.

Op een dag mochten de Stoomspuit haar opwachting maken tijdens het defilé op Koninginnedag in Soestdijk. Zus en ik zaten bij onze oma in Wormerveer uren lang aan het beeld gekluisterd, tot we de Spuit eindelijk door het beeld zagen langskomen. Samen met de grote zwarte Friese paarden zag het er zeer indrukwekkend uit. Ze hebben er de voorpagina van de Varagids zelfs mee gehaald. Zie foto.

C. en ik waren er vaak bij. Een keer mochten we samen op het bokkie vanaf de Zaanse Schans terug naar de kazerne. Natuurlijk ging dat stapvoets, maar toch, nu hoef je zoiets echt niet meer te proberen….
Tja, mooie tijden, en prachtige herinneringen.

20140104-112149.jpg

Van wie en wat we nou eigenlijk leerden in de brugklas…

Vorige keer heb ik al wat geschreven over de eerste week in de brugklas. Het lijkt me leuk om vandaag wat over de leraren te schrijven, en dan met name wat ik van ze geleerd heb….

….De lessen duurde destijds maar 50 minuten. De eerste weken deed ik enorm mijn best, maar het duurde natuurlijk niet lang voor de sleur ook daar in trad.

Op een dag zaten we een beetje te klieren bij Biologie. Meester Daalder,
-zeg maar een soort kruisbestuiving van kabouter Plop en Griet Titulaer met geitenwollen sokken-, had die dag een paar kievietseieren mee. Een paar dagen eerder hadden we voor zijn lol al met onze knieën in de prut met een klein schepnetje vieze plantjes en enge beestjes moeten verzamelen in het Noorderpark, dat hadden we hem nog niet helemaal vergeven.
Wat we deden weet ik niet meer. Dat we voor straf in het lokaal werden opgesloten tijdens de pauze nog wel.

We waren met vier meiden.
‘Hij heeft hem echt op slot gedaan’.
‘Dat meen je niet!’
‘Gigantisch!’ (We noemden zo’n beetje alles gigantisch).
‘Hey Es, vangen!’
‘Vangen Marjan’.
Ik greep uiteindelijk mis. Het ei lag gebroken op de bruine vloerbedekking.
Het was een oud ei geweest.
Die dag leerde ik dat rotte eieren nog erger stonken dan stinkbommen.
‘Gigantisch, wat een meur’.
‘O jee’.
‘En nu?’
‘Het raam uit?’

Na de pauze kregen we Frans van mevrouw Bartstra die nogal gecharmeerd was van Essie. Toen begreep ik nog niet helemaal precies waarom, dat kwam pas later. (Na muziekles). Frans was saai. Ik had nog nooit zo’n burgerlijk zootje bij elkaar gezien als die familie Duval. Uiteindelijk heb ik vijf jaar met de hele familie opgescheept gezeten. En met juf Bartstra op de koop toe.
Het leek me een hele wijze les.
Ik besloot dat ik later nooit zo zou worden als de familie Duval. Of juf Bartstra.

Engels kregen we van Ellen.
Ellen pretendeerde ‘jong, wild en hip’ te zijn door het dragen van veelkleurige gebreide truitjes boven beige corduroy broeken en platte suède laarsjes met pompoentjes of kwastjes eraan.
Denk daarbij nog even twee smalle vlechtjes links en rechts naast haar oren in haar verder losse halflange haar, een indianenbandje om haar hoofd en je hebt het plaatje wel compleet. Bij Ellen mochten we op de tafel staan en spugen. ‘Th’….’Thhhhe!’
Door Ellen weet ik dat het in Londen altijd regent.
Ellen heeft bovendien alle coupletten van ‘On the first day of Christmass my truelove sent to me’ in mijn kop gestampt.

Geschiedenis kregen we van Chris Braaksma. Chris was een soort jonge blonde god met een absolute voorliefde voor Nikes en basketbal.
Daarbij was Chris Groot en Sterk.
Als ik niet lief was bij Chris, tilde hij me aan de schouders van mijn bodywarmer op en hing hij me aan een knaapje aan de deurpost.
Van Chris leerde ik dat ‘spitsroede lopen’ toch lastiger was dan ik dacht.

Eric Prins leerde mij de wereld in perspectief te bezien. Door het vierkant tussen mijn tegen elkaar gehouden wijsvingers en duimen heb ik wat afgestaard naar stillevens, klasgenoten, of -als het weer mee zat- naar de bomen aan het eind van het sportveld. Gezellig op onze jas in het zonnetje met onze rug tegen de muur van het gymlokaal.

Dat Gymlokaal was het domein van Cor Dorsman, onze kale coole gymleraar. Waar Cor vandaan kwam weet ik niet, maar hij had een beetje een Amerikaans dialect. Zou me niets verbazen als die man rechtstreeks uit de NBA was komen wandelen. Bij Cor moesten we ‘ alle ballen verzamelen’.
Van Cor heb ik mijn perfecte lay up shot geleerd.

Zijn we aanbeland bij wiskunde.
Van Laar heette hij geloof ik.
Er staat me nog weinig van Wiskundeles bij. Ik vond het maar vage toestanden en vertrouwde al die abacadabra voor geen cent.
Aan het eind van de eerste was ik het spoor al volledig bijster.
Dat E MC kwadraat was, begreep ik pas later van ‘Doe maar’.

Aardrijkskunde vond ik wel leuk, hoewel ik niet meer weet van wie ik daar in de eerste klas les van kreeg. Met mijn ‘Stop de neutronenbom’ badge naast mijn Madness badge op mijn spijkerjasje hield ik een spreekbeurt over de kerncentrale in Borssele
Voor het eerst in mijn leven hoorde ik over het ‘Broeikaseffect’ en maakte ik me zorgen over de aarde.

Hoewel mevrouw Lensen in het eerste jaar les gaf, zeg ik liever dat Hans Taat mijn leraar Nederlands was. Hans was een rasechte Amsterdammer. Bruin Corduroy colbertje, dito aktetas en een prachtige snor, die ik door de jaren heen zo vaak heb getekend dat ik er makkelijk een expositie mee zou kunnen houden.
Hans liet mij gedichten lezen van Hans Lodijzen. En de gevoelens van een oude beuk doorgronden die verliefd was geworden op de vijver. Hij zorgde dat de gedichten van Herman Gorter me raakten tot op het bot, en leerde me gelukkig wat ‘gigantisch’ nou eigenlijk precies betekende.

Hoewel Mavo ’t Veer zich graag associeerde met alles wat bruin, oranje, jong en hip was, kregen de meisjes handwerkles en de jongens niet. Geen flauw idee eigenlijk wat die deden. Misschien hadden ze wel een tussenuur?
En omdat we met zo weinig waren mochten we ‘gezellig’
in de lerarenkamer onze Zaanse huisjes in verschillende steekjes op een lapje borduren.
‘Zeg maar Lenny’ was ook al jong, knap, wild en modern. Daar werden de nieuwe leraren geloof ik een beetje op geselecteerd om de gemiddelde leeftijd van de leraren een beetje naar beneden bij te stellen. De heer Mantel, meneer de Vrieze, juf Bartstra en Lifman leken rechtstreeks uit de mottenballenbak te komen. Hoewel meester de Vrieze altijd een keurig au de cologne op zijn satijnen shawltje sprenkelde om dat enigszins te verdoezelen. Van de eerste twee leraren heb ik nooit les gekregen, maar van horen zeggen weet ik dat het gedreven en aardige leraren waren. De lessen van Lifman werd onze tere brugklas-zieltjes nog even bespaard.

Lenny was aardig. Van Lenny heb ik geleerd dat ik beter heel ver weg kan blijven van, knotten wol, borduurpatronen en naaimachines. Door Lenny weet ik dat ik het beste de naalden kan kopen met van die hele grote ogen. ‘Als het dan echt niet anders kan Narda’.

Kom ik uiteindelijk bij Jos Schaap, op wiens naam ik maar niet kon komen vorige week
(Dank Arend).
Wat hij droeg staat me ook niet bij. Hij was niet bijzonder hip, bijzonder jong, of bijzonder knap.
Wie was Jos dan wel?

Deze Jos met zijn liefde voor de synthesizer waarop hij ons de tonen van ‘School’ van Supertramp liet horen?
Die ons uit volle borst ‘Michelle’, ‘Yesterday’ en ‘When I’m 64’ van de Beatles liet zingen.
En ‘I don’t like Mondays’ op maandag.
Jos, die ons op piano begeleidde
bij ‘Baggy trousers’ en ‘Our house’ van Madness.
Jos die ons ongemerkt Engels, maatschappijleer en Geschiedenisles gaf.
Jos, die huilde in de les om de dood van Lennon.

Jos, die door Roxanne’ van de Police, en ‘Lola’ van de Kinks en zoveel andere liedjes mij een glimp van de wereld liet zien in toonaarden waarvan ik nog nooit had gehoord.
Dat was Jos.
Ik was zijn naam vergeten en zijn gezicht ben ik kwijt, maar zijn lessen blijven me voor altijd bij.

Jos.