Maar hoe is het daar?

Hoi pap, mam, zus,

Hoe gaat ‘ie nou daar, zo boven?
Hier beneden gaat het wel oké hoor.
Alles onder controle.
Ik vind alleen sommige dagen soms zo moeilijk.
Zoals morgen weer.

Van de week was ook nog de begrafenis van buurman Tijmen.
Ik telde 35 koppen.
-Tellen, of boodschappenlijstjes samenstellen.
Dat is de truc-
-Maar hoe is het daar?-

Binnenkort ga ik weer afspreken met Esther, en in januari met Alice, Jeanette, Yvonne en Jaq.
Een paar weken terug vroeg Tineke mij of ik zin had om wat af te spreken met Jos Schaper, weten jullie wel?
Die muziek leraar?
Als ik Tineke denk, denk ik Plastic Bertrand, Blondie, Jacco en Joop Zoetemelk.

Morgen is mijn collega Marijke 25 jaar in dienst.
Daar ga ik even heen.
En dan zet ik mijn ‘een jaar geleden’ gedachten gewoon maar even uit.
-Je zou jezelf alleen maar gek maken.
Ja toch, niet dan?-

Ik kwam laatst nog een filmpje van je tegen pap. Gewoon, op youtube. Na 3minuut 5 of zo.
Met de Wormerveerse Stoomspuit.
Je was best een knapperd hoor.
De langste van het stel.
Toeter op je borst.
En ome Piet loopt voorop met zijn vaatje jenever.
Wat hadden jullie het altijd leuk hè?!

Ik had Carool laatst al de link gestuurd.
Carool en ik gaan ook eens afspreken hoor. Ze is zo druk met voetbaltrainen en zo. – Nog steeds ja-.
-Maar hoe is het dan daar?-

Het zou nu vast niet lang meer duren voor ik mam op mag halen. De kaarten moeten ook nog op de bus.
Rem heeft ze uiteindelijk zondag maar geschreven.
Ik kon me er niet toe zetten.
Nu nog zegels plakken en posten.
Zaterdag maar, als Rem bij zijn ouders steunen gaat plaatsen.
-Maar hoe is het dan daar?-

Kyl wil waarschijnlijk een opleiding in vastgoed/ makelaardij gaan doen als hij klaar is in juli.
Echt wat voor hem hè?!
-Zei ik toch?!-

Ik ga in januari ook weer naar school.
Nou ja, het is maar een schrijfcursus hoor.
Acht weken, dus het is te overzien.
Dat moet zelfs mij wel gaan lukken toch?!
-Ik zie heus jullie hoofden wel schudden hoor, flauw!-

Verder weinig nieuws.
Alles onder controle, zoals ik al zei.
Ben blij met je shawl Fen, jullie ringen, de brandweerjas-knoop aan mijn sleutelbos, de handdoeken, de thee en de anijsblokjes, en alles wat jullie verder nog een heel klein beetje tastbaar maakt voor mij.

-Maar hoe is het nou daar?-

Advertenties

Fragment uit mijn jeugd: ’83 strand Bakkum

‘Ben je nou klaar Kruif?’
San staat beneden in de keuken.
Snel prop ik mijn oude badlaken in mijn zelfgemaakte roltas met ijshoorntje applicatie en stamp gehaast de trap af in mijn veel te grote le Coq Sportief broekje.
‘Mag ik een fles cola mee mam?’
Hij zit al in mijn tas voor ze antwoord kan geven. Mam schudt haar hoofd. ‘En niet zo laat thuis hoor, zes uur gaan we eten’.

We gaan naar Bakkum. San op haar witte fiets met versnellingen, en ik op mijn zelfgeschilderde rode opoefiets met witte stippen.
-Zonder stippen en flatjes aan je voeten ben je nergens deze zomer-. We hebben afgesproken met de jongens bij de brug bij WFC. Twee andere vriendinnen van ons zijn er ook.
De jongens vertrekken al zodra we aankomen.
Het is te heet om lang stil te blijven staan.
‘Jongens, even rookpauze straks bij het viaduct?’
-Het viaduct bij Uitgeest.-

Op Bakkum gaan we linksaf. Ergens daar, net voorbij waar de houten vlonders stoppen, tegen de duinen aan is ons plekje, het plekje van Wormerveer.

Het is rustig op het strand.
Het is eind mei.
De meeste mensen werken, of moeten naar school.
Wij niet, wij hebben examen gedaan.
Zijn klaar, 16 als we zijn.
Bevinden ons in een vaag gebied ergens tussen verleden en toekomst, waar de wereld nog aan onze voeten ligt, veelbelovend, zinderend van beloftes, en met oneindig veel mogelijkheden en kansen.

De V. zet gelijk de ghettoblaster aan. UB’40 natuurlijk.
De voetbaltassen van de jongens liggen her en der in het zand.
Terwijl zij al aan het voetballen zijn leggen wij onze handdoeken netjes naast elkaar, lezen de Flairs die San mee bracht, en smeren elkaars ruggen in met Nivea.

‘Hé meiden’.
We heffen quasi verveeld onze hoofden naar de G. op.
‘Tegenwoordig is topless is de mode hoor’.
De jongens rusten even uit en openen een voor een behendig een flesje Heineken met de achterkant van een groene aansteker terwijl het Klein Orkest zingt over Koos Werkeloos, omdat sommigen de Top 40 wilden horen.
‘Ja, jullie hoeven je toch nergens voor te schamen?’ roept R.
-Ik ben smoorverliefd op R.-

‘Zwemmen?’
De jongens zijn alweer weg.
De bal gaat natuurlijk mee.
‘Komen jullie ook zo?’

We gaan lummelen.
Winnen kunnen we natuurlijk nooit, maar lachen is het wél.
We stoeien.
Bikinitopjes sneuvelen.
We laten het maar zo, mode bewust als we zijn.
Ook als we even later op onze buiken weer op onze handdoeken liggen.
Het is warm, en het blijft warm.
Onze lauwe cola verruilt zich voor bier.
We krijgen honger.
‘Patatjes eten?’
San en ik halen onze schouders op.
‘Best’.
-Wie wil er nou naar huis?-

Het wordt later en later.
Ik had allang thuis moeten zijn, maar het kan me niet schelen.
Even was het druk geweest op het strand, maar nu zijn de meeste mensen weer naar huis vertrokken.
Wij niet.
Terwijl de zon lager en lager zakt voetballen wij langs de vloedlijn.
En stoeien wat in de duinen.
‘Wie is er bruiner geworden?
De G, of Narda?’
‘Zwarter bedoel je?’

Ik zie hoe P. in een verlaten strandstoel wat voor zich uit mijmert in de branding terwijl de zon langzaam de zee in lijkt te zakken, verbazingwekkend groot, rood en vurig.
We hebben onze topjes en onze shirtjes met ballen weer aangetrokken.
Onze badlakens hebben zich inmiddels allang verbroederd met die van de jongens.
Hazes zingt, ergens ver weg, over een vlieger, een brief.

R. Heeft zijn arm om me heen geslagen.
De G. de zijne om San.
De V. met zijn gevoel voor dramatiek roept dat we dit, deze dag, en dit moment nooit meer mogen vergeten.
‘Nooit, nooit nooit’ voor hij naast Pascalle gaat liggen.

We waren 16, 17.
En innig verliefd op het leven.

Ik heb het tot nu toe onthouden.

En ik hoop zij ook.

Elfstedenkoorts?

IMG_6469
Taart by Kylian

Ik kan niet slapen.
Het is al 03:00 uur.
Blogje dan maar?

Morgen haal ik mam weer op.
-Vanmiddag bedoel ik.-
Gaan we lekker een paar uurtjes naar de Elfstedentocht kijken van ’85.
Lìve.
-Zouden ze soms echt mijn blog gelezen hebben?-

Ik weet het nog best goed,
die Elfstedentocht van ’85.
De kooi.
De start.
Het klunen.
Ik werkte nog in de bakkerij.
De banketbakker had zijn televisie meegenomen.
Eerst verwachtte ik er niet zoveel van.
Of liever, wist ik niet zo goed wàt ik er precies van moest verwachten.
Sterker nog: Ik hàd gewoon geen verwachtingen.
Niemand denk ik.
Behalve de banketbakker dan.
Martien, zo heette hij.
Ik geloof dat hij hem eigenlijk zelf ook had willen schaatsten.

Mijn ome Kees, de man van een zusje van mijn vader reed wel mee.
Drie keer heeft hij hem trouwens gereden.
Niet op één dag hoor, drie kruisjes heeft hij, als ik me niet vergis.
Ik zie mijn ome Kees niet zo vaak meer, maar nog steeds word ik blij als ik hem zie.
Grappenmaker.
Nu heeft hij Alzheimer.

Ik dwaal af.
We waren dus in de bakkerij, op die ochtend, op de kop af dertig jaar geleden.
Ik was zeventien.
En blond.

Terwijl ik de witte puntjes op de werkbank omtoverde in roombroodjes en Martien de chocola in brokken sloeg keken we toe hoe het langzaam licht werd in Friesland.

De winkelbel ging.
‘Volluk’
Vaste klant.
De meesten.
Zelfs de schooljongens die in hun pauze een pizzabroodje kwamen halen.
‘Wie ligt er op kop?’
‘Niesten er nog bij?’
Wij Zaankanters waren natuurlijk allemaal voor Jos Niesten uit Heemskerk, een achterneef van mijn moeder als ik het wel heb.

Om een uur of twaalf reed ik op mijn fiets naar huis om daar een broodje te eten.
De Zaan lag dicht.
De grote schotsen waren aan elkaar vast gevroren.
Het was stil op straat.

Naarmate de dag vorderde werd er meer en meer over de Tocht gesproken.
De Tocht begon meer en meer te leven.
Een eigen leven te leiden.
‘Kunnen jullie het wel een beetje volgen?’
Er werd een gebakje voor bij de tv gehaald.
Stokbrood voor bij de snert.
Ik meen dat er zelfs spontaan een Elfsteden aanbieding verzonnen werd.
Dat was het leuke van werken in een bakkerij.
De gezelligheid.
Knèuterigheid.
‘Drie volkoren en een knip wit?’
Meestal wist ik ongeveer wel wat ze wilden.
‘Ja, en doe maar wat van die Tompouces dan’.

Ik weet nog goed hoe de gekkigheid toe nam.
De rare acties.
‘Rollen wc papier mensen’.
De verbroedering.
Langzamerhand veranderde Friesland in één groot feest.
Kwamen er dorpjes op de kaart.
Brùggen op de kaart.

Eenmaal weer thuis stond de tv natuurlijk nog aan.
Één voor één kwamen we thuis en schoven we aan.
Bordje op schoot.
Aan de buis gekluisterd.
‘Kijk dan!’
Ja, ik weet het nog goed.
De laatste kruisjes.
Vreugde.
Verdriet.
Pijn.
Alles.
We leefden intens mee.

Man, man, man, wat was dat mooi.
Die Elfstedentocht in ’85.
Ik denk dat ik gewoon nog maar even wakker blijf.
-zo moeilijk is dat niet-.

Zoiets moet je gewoon niet willen missen toch?
————————;-D———————–

Gaan jullie ook kijken?
-de Elfstedentocht wordt vandaag van begin tot het eind herhaalt op NPO best. Start uitzending 05:00 uur-

Wat vinden de Vlamingen onder ons nou eigenlijk van onze Elfstedentocht?

PC/2-12: Beeld van een beeld: Keteltje

IMG_6455-0

Mag ik jullie voorstellen aan Keteltje, geesteskind van schrijver Cor Bruijn.
De oudere bloggers kennen hem vast nog wel van Sil de Strandjutter, misschien dan niet van het boek, maar dan toch zeker van de serie?

Mijn ouderlijk huis staat op nog geen 200 meter hemelsbreed van waar het zijne heeft gestaan.
Ik heb nog lang niet alle boeken van hem gelezen, maar de romans die zich afspeelden in mijn geboortedorp natuurlijk wèl.
Keteltje uiteraard. Maar ook in de Zaadsjouwers beschrijft Cor Bruijn het leven zoals dat er voor mijn opa uit moet hebben gezien in zijn kindertijd. Maar door alleen deze reden te geven doe ik het boek zeer te kort. Het beschrijft ook het harde leven van de arbeidersklasse die op een bijna onmenselijke wijze het hoofd boven water probeerde te houden, de teloorgang van de molens, en de opkomst van de fabrieken.
Mijn favoriete boek van hem is echter
‘Wijd was mijn land: mijn jeugd aan de Zaan’.

De tekst hieronder is geschreven door Redactie Oneindig Noord-Holland, 31-7-2011
Een idealistisch bevlogen onderwijzer die de Zaanstreek van zijn jeugd koesterde en verwerkte in tal van boeken. Zo staat Cor Bruijn, geboren op 17 mei 1883 te Wormerveer, te boek. Zelf verwoordde hij het als: ,,Ik ben geboren in de mooiste tijd van het jaar – midden mei – en op een van de mooiste plekjes op aarde: te Wormerveer.’’

Zestig romans
Bruijn schreef in totaal zestig romans voor volwassenen en kinderen, waarvan er twintig zich in de Zaanstreek afspelen, waaronder zeven kinderboeken. Bruijn, de oudste uit een gezin van tien kinderen, volgde de opleiding tot onderwijzer aan de Normaalschool te Zaandam en de Rijkskweekschool in Haarlem. Hij verhuisde in 1906 naar het Gooi was hij tot zijn dood bleef wonen. Hij overleed in 1978. Beroemde jeugdboeken van Bruijn zijn het drieluik Keteltje in de Lorzie (1922), Keteltje in het veerhuis (1922) en Keteltjes thuisvaart (1930). Zijn bekendste werk is zonder twijfel de roman Sil de strandjutter dat later werd bewerkt tot een televisieserie. De naam van Cor Bruijn leeft nog altijd voort in Wormerveer. Er is een straat naar hem vernoemd, het buurthuis aan het Marktplein kreeg de naam De Lorzie en op het plein voor het buurthuis staat een beeldje van Keteltje.

Beeld van een beeld is een maandelijkse challenge. Voor meer informatie en bijdragen van andere bloggers verwijs ik u graag naar
http://nachtbraker.wordpress.com

Waterkou

Zondag 30 november.

We hebben nergens zin in.
Zijn weer laat wakker.
Moe.
Ik denk dat de spanningen zijn tol eisen.

Ik begin toch maar met het sorteren van bak 1 van zus haar privé post en
kom tot mijn verbazing een verjaardagskaart tegen uit 1972 met daarop een geborduurd Spaans meisje.
Ooit gestuurd door de buurvrouw van de camping de Oude Boomgaard.
Ik herinner me haar nog goed.

Het was een alleenstaande wat oudere dame met twee Golden Retrievers, Sonja en Donna. Soms mochten we met haar mee de honden uitlaten. Aan de achterkant van de camping liepen we de dijk op, linksaf langs de boerderij van onze vriendinnetjes, dan langs de boerderij met de zwarte hond die altijd blafte, en verder de dijk af, net zo lang tot we weer linksaf konden slaan en een paar minuten later weer voor de ingang van de camping stonden.
Ik was altijd met zus.
Waar zij was, was ik.
We deden nagenoeg alles samen.
-wat niet wil zeggen dat mijn zus daar altijd even blij mee was.-

Kwart voor vier haal ik mam op.
We zijn al in geen weken bij pap op de begraafplaats geweest.
‘Nee, wanneer had ik dat moeten doen? Jij spreekt steeds wat af voor me’, grapt mam met een klein serieus ondertoontje.
‘Zaterdag kwam Lidy, zondag tante L, maandag Yvonne, dinsdag de dokter. Ik ben hartstikke druk!’

Het is koud.
Koud en leeg op de begraafplaats.
Het Urnentuintje heeft zich in een paar weken een heel andere look aan weten te meten.
Bruiner.
Kaler.

Doods.

De schelpjes die zus bij pap had neergelegd liggen er nog steeds.
De madeliefjes die ze er bij had gelegd zijn allang al vergaan.
Weg.
Zus is er slechts 1 keer geweest.
Mam steekt het waxinelichtje aan en stopt het terug onder het bronzen engeltje wat mam van Linda van de thuiszorg heeft gehad.
Haar handen beven.
Ze wil het perse zelf doen.
Ik haal wat helikoptertjes weg.
Ken je ze? Die zaden die je omhoog kon gooien?
Als je het goed deed kwamen ze als helikoptertjes weer naar beneden dwarrelen.

Ik zie ons weer gaan.
Zus en ik.
Op een dag in de herfst.
Ik denk dat ik vijf geweest moet zijn.
Hooguit zes.
Zus zeven of acht.
Ik kon net fietsen op mijn blauwe fietsje.
Zus had groene, iets groter fietsje.
Witte gevlochten rieten mandjes voorop.
En een Mickey Mouse fietsbel van Bakkertje op het stuur.

‘Gaan jullie met ons mee?
Wij weten waar je heel veel kastanjes en helicopters kan vinden’.
Natuurlijk gingen we mee!
We hielden wel van een beetje avontuur.
Voor het eerst fietste ik over de Cor Bruijnweg naar de Ruyterkade.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Ik was bang daar op die lange Cor Bruijnweg.
Te ver van huis.
Veel te gevaarlijk.
Al die auto’s.
Als mama dit wist.
Nou!!
Maar Zus was bij mij.
Alles zou goed komen

‘Kijk, daar is die boom al’.
Ik was meteen mijn angst vergeten.
We gooiden onze fietsen neer bij de fietsen die er al lagen en zochten tussen de andere kinderen op de grond.
Daar zag ik ze voor het eerst.
Helikoptertjes!

‘Daarachter ligt er nog eentje kind’.
Ik til het plantje voorzichtig opzij zodat mam het kan pakken.
Daarna legt ze voorzichtig haar handen op de urn.
‘Ze is nu bij jou schat’.

Samen kijken we naar het vlammetje.
Ik haak mijn arm in die van mam.
Zo staan we even.
Gewoon te staan.
Wat valt er te zeggen?

‘Zullen we maar gaan kind, het is zo koud.’
Gearmd lopen we langzaam terug naar het groene hek dat ik weer zal openen.
En weer zal sluiten.

Er scheert een klein bruin vogeltje met een geel borstje vlak langs ons heen.

In het park verderop blaft een hond.

Het hek piept.

Verder is het stil.

Doodstil.