Maar hoe is het daar?

Hoi pap, mam, zus,

Hoe gaat ‘ie nou daar, zo boven?
Hier beneden gaat het wel oké hoor.
Alles onder controle.
Ik vind alleen sommige dagen soms zo moeilijk.
Zoals morgen weer.

Van de week was ook nog de begrafenis van buurman Tijmen.
Ik telde 35 koppen.
-Tellen, of boodschappenlijstjes samenstellen.
Dat is de truc-
-Maar hoe is het daar?-

Binnenkort ga ik weer afspreken met Esther, en in januari met Alice, Jeanette, Yvonne en Jaq.
Een paar weken terug vroeg Tineke mij of ik zin had om wat af te spreken met Jos Schaper, weten jullie wel?
Die muziek leraar?
Als ik Tineke denk, denk ik Plastic Bertrand, Blondie, Jacco en Joop Zoetemelk.

Morgen is mijn collega Marijke 25 jaar in dienst.
Daar ga ik even heen.
En dan zet ik mijn ‘een jaar geleden’ gedachten gewoon maar even uit.
-Je zou jezelf alleen maar gek maken.
Ja toch, niet dan?-

Ik kwam laatst nog een filmpje van je tegen pap. Gewoon, op youtube. Na 3minuut 5 of zo.
Met de Wormerveerse Stoomspuit.
Je was best een knapperd hoor.
De langste van het stel.
Toeter op je borst.
En ome Piet loopt voorop met zijn vaatje jenever.
Wat hadden jullie het altijd leuk hè?!

Ik had Carool laatst al de link gestuurd.
Carool en ik gaan ook eens afspreken hoor. Ze is zo druk met voetbaltrainen en zo. – Nog steeds ja-.
-Maar hoe is het dan daar?-

Het zou nu vast niet lang meer duren voor ik mam op mag halen. De kaarten moeten ook nog op de bus.
Rem heeft ze uiteindelijk zondag maar geschreven.
Ik kon me er niet toe zetten.
Nu nog zegels plakken en posten.
Zaterdag maar, als Rem bij zijn ouders steunen gaat plaatsen.
-Maar hoe is het dan daar?-

Kyl wil waarschijnlijk een opleiding in vastgoed/ makelaardij gaan doen als hij klaar is in juli.
Echt wat voor hem hè?!
-Zei ik toch?!-

Ik ga in januari ook weer naar school.
Nou ja, het is maar een schrijfcursus hoor.
Acht weken, dus het is te overzien.
Dat moet zelfs mij wel gaan lukken toch?!
-Ik zie heus jullie hoofden wel schudden hoor, flauw!-

Verder weinig nieuws.
Alles onder controle, zoals ik al zei.
Ben blij met je shawl Fen, jullie ringen, de brandweerjas-knoop aan mijn sleutelbos, de handdoeken, de thee en de anijsblokjes, en alles wat jullie verder nog een heel klein beetje tastbaar maakt voor mij.

-Maar hoe is het nou daar?-

Advertenties

Fragment uit mijn jeugd: ’83 strand Bakkum

‘Ben je nou klaar Kruif?’
San staat beneden in de keuken.
Snel prop ik mijn oude badlaken in mijn zelfgemaakte roltas met ijshoorntje applicatie en stamp gehaast de trap af in mijn veel te grote le Coq Sportief broekje.
‘Mag ik een fles cola mee mam?’
Hij zit al in mijn tas voor ze antwoord kan geven. Mam schudt haar hoofd. ‘En niet zo laat thuis hoor, zes uur gaan we eten’.

We gaan naar Bakkum. San op haar witte fiets met versnellingen, en ik op mijn zelfgeschilderde rode opoefiets met witte stippen.
-Zonder stippen en flatjes aan je voeten ben je nergens deze zomer-. We hebben afgesproken met de jongens bij de brug bij WFC. Twee andere vriendinnen van ons zijn er ook.
De jongens vertrekken al zodra we aankomen.
Het is te heet om lang stil te blijven staan.
‘Jongens, even rookpauze straks bij het viaduct?’
-Het viaduct bij Uitgeest.-

Op Bakkum gaan we linksaf. Ergens daar, net voorbij waar de houten vlonders stoppen, tegen de duinen aan is ons plekje, het plekje van Wormerveer.

Het is rustig op het strand.
Het is eind mei.
De meeste mensen werken, of moeten naar school.
Wij niet, wij hebben examen gedaan.
Zijn klaar, 16 als we zijn.
Bevinden ons in een vaag gebied ergens tussen verleden en toekomst, waar de wereld nog aan onze voeten ligt, veelbelovend, zinderend van beloftes, en met oneindig veel mogelijkheden en kansen.

De V. zet gelijk de ghettoblaster aan. UB’40 natuurlijk.
De voetbaltassen van de jongens liggen her en der in het zand.
Terwijl zij al aan het voetballen zijn leggen wij onze handdoeken netjes naast elkaar, lezen de Flairs die San mee bracht, en smeren elkaars ruggen in met Nivea.

‘Hé meiden’.
We heffen quasi verveeld onze hoofden naar de G. op.
‘Tegenwoordig is topless is de mode hoor’.
De jongens rusten even uit en openen een voor een behendig een flesje Heineken met de achterkant van een groene aansteker terwijl het Klein Orkest zingt over Koos Werkeloos, omdat sommigen de Top 40 wilden horen.
‘Ja, jullie hoeven je toch nergens voor te schamen?’ roept R.
-Ik ben smoorverliefd op R.-

‘Zwemmen?’
De jongens zijn alweer weg.
De bal gaat natuurlijk mee.
‘Komen jullie ook zo?’

We gaan lummelen.
Winnen kunnen we natuurlijk nooit, maar lachen is het wél.
We stoeien.
Bikinitopjes sneuvelen.
We laten het maar zo, mode bewust als we zijn.
Ook als we even later op onze buiken weer op onze handdoeken liggen.
Het is warm, en het blijft warm.
Onze lauwe cola verruilt zich voor bier.
We krijgen honger.
‘Patatjes eten?’
San en ik halen onze schouders op.
‘Best’.
-Wie wil er nou naar huis?-

Het wordt later en later.
Ik had allang thuis moeten zijn, maar het kan me niet schelen.
Even was het druk geweest op het strand, maar nu zijn de meeste mensen weer naar huis vertrokken.
Wij niet.
Terwijl de zon lager en lager zakt voetballen wij langs de vloedlijn.
En stoeien wat in de duinen.
‘Wie is er bruiner geworden?
De G, of Narda?’
‘Zwarter bedoel je?’

Ik zie hoe P. in een verlaten strandstoel wat voor zich uit mijmert in de branding terwijl de zon langzaam de zee in lijkt te zakken, verbazingwekkend groot, rood en vurig.
We hebben onze topjes en onze shirtjes met ballen weer aangetrokken.
Onze badlakens hebben zich inmiddels allang verbroederd met die van de jongens.
Hazes zingt, ergens ver weg, over een vlieger, een brief.

R. Heeft zijn arm om me heen geslagen.
De G. de zijne om San.
De V. met zijn gevoel voor dramatiek roept dat we dit, deze dag, en dit moment nooit meer mogen vergeten.
‘Nooit, nooit nooit’ voor hij naast Pascalle gaat liggen.

We waren 16, 17.
En innig verliefd op het leven.

Ik heb het tot nu toe onthouden.

En ik hoop zij ook.

Elfstedenkoorts?

IMG_6469
Taart by Kylian

Ik kan niet slapen.
Het is al 03:00 uur.
Blogje dan maar?

Morgen haal ik mam weer op.
-Vanmiddag bedoel ik.-
Gaan we lekker een paar uurtjes naar de Elfstedentocht kijken van ’85.
Lìve.
-Zouden ze soms echt mijn blog gelezen hebben?-

Ik weet het nog best goed,
die Elfstedentocht van ’85.
De kooi.
De start.
Het klunen.
Ik werkte nog in de bakkerij.
De banketbakker had zijn televisie meegenomen.
Eerst verwachtte ik er niet zoveel van.
Of liever, wist ik niet zo goed wàt ik er precies van moest verwachten.
Sterker nog: Ik hàd gewoon geen verwachtingen.
Niemand denk ik.
Behalve de banketbakker dan.
Martien, zo heette hij.
Ik geloof dat hij hem eigenlijk zelf ook had willen schaatsten.

Mijn ome Kees, de man van een zusje van mijn vader reed wel mee.
Drie keer heeft hij hem trouwens gereden.
Niet op één dag hoor, drie kruisjes heeft hij, als ik me niet vergis.
Ik zie mijn ome Kees niet zo vaak meer, maar nog steeds word ik blij als ik hem zie.
Grappenmaker.
Nu heeft hij Alzheimer.

Ik dwaal af.
We waren dus in de bakkerij, op die ochtend, op de kop af dertig jaar geleden.
Ik was zeventien.
En blond.

Terwijl ik de witte puntjes op de werkbank omtoverde in roombroodjes en Martien de chocola in brokken sloeg keken we toe hoe het langzaam licht werd in Friesland.

De winkelbel ging.
‘Volluk’
Vaste klant.
De meesten.
Zelfs de schooljongens die in hun pauze een pizzabroodje kwamen halen.
‘Wie ligt er op kop?’
‘Niesten er nog bij?’
Wij Zaankanters waren natuurlijk allemaal voor Jos Niesten uit Heemskerk, een achterneef van mijn moeder als ik het wel heb.

Om een uur of twaalf reed ik op mijn fiets naar huis om daar een broodje te eten.
De Zaan lag dicht.
De grote schotsen waren aan elkaar vast gevroren.
Het was stil op straat.

Naarmate de dag vorderde werd er meer en meer over de Tocht gesproken.
De Tocht begon meer en meer te leven.
Een eigen leven te leiden.
‘Kunnen jullie het wel een beetje volgen?’
Er werd een gebakje voor bij de tv gehaald.
Stokbrood voor bij de snert.
Ik meen dat er zelfs spontaan een Elfsteden aanbieding verzonnen werd.
Dat was het leuke van werken in een bakkerij.
De gezelligheid.
Knèuterigheid.
‘Drie volkoren en een knip wit?’
Meestal wist ik ongeveer wel wat ze wilden.
‘Ja, en doe maar wat van die Tompouces dan’.

Ik weet nog goed hoe de gekkigheid toe nam.
De rare acties.
‘Rollen wc papier mensen’.
De verbroedering.
Langzamerhand veranderde Friesland in één groot feest.
Kwamen er dorpjes op de kaart.
Brùggen op de kaart.

Eenmaal weer thuis stond de tv natuurlijk nog aan.
Één voor één kwamen we thuis en schoven we aan.
Bordje op schoot.
Aan de buis gekluisterd.
‘Kijk dan!’
Ja, ik weet het nog goed.
De laatste kruisjes.
Vreugde.
Verdriet.
Pijn.
Alles.
We leefden intens mee.

Man, man, man, wat was dat mooi.
Die Elfstedentocht in ’85.
Ik denk dat ik gewoon nog maar even wakker blijf.
-zo moeilijk is dat niet-.

Zoiets moet je gewoon niet willen missen toch?
————————;-D———————–

Gaan jullie ook kijken?
-de Elfstedentocht wordt vandaag van begin tot het eind herhaalt op NPO best. Start uitzending 05:00 uur-

Wat vinden de Vlamingen onder ons nou eigenlijk van onze Elfstedentocht?

PC/2-12: Beeld van een beeld: Keteltje

IMG_6455-0

Mag ik jullie voorstellen aan Keteltje, geesteskind van schrijver Cor Bruijn.
De oudere bloggers kennen hem vast nog wel van Sil de Strandjutter, misschien dan niet van het boek, maar dan toch zeker van de serie?

Mijn ouderlijk huis staat op nog geen 200 meter hemelsbreed van waar het zijne heeft gestaan.
Ik heb nog lang niet alle boeken van hem gelezen, maar de romans die zich afspeelden in mijn geboortedorp natuurlijk wèl.
Keteltje uiteraard. Maar ook in de Zaadsjouwers beschrijft Cor Bruijn het leven zoals dat er voor mijn opa uit moet hebben gezien in zijn kindertijd. Maar door alleen deze reden te geven doe ik het boek zeer te kort. Het beschrijft ook het harde leven van de arbeidersklasse die op een bijna onmenselijke wijze het hoofd boven water probeerde te houden, de teloorgang van de molens, en de opkomst van de fabrieken.
Mijn favoriete boek van hem is echter
‘Wijd was mijn land: mijn jeugd aan de Zaan’.

De tekst hieronder is geschreven door Redactie Oneindig Noord-Holland, 31-7-2011
Een idealistisch bevlogen onderwijzer die de Zaanstreek van zijn jeugd koesterde en verwerkte in tal van boeken. Zo staat Cor Bruijn, geboren op 17 mei 1883 te Wormerveer, te boek. Zelf verwoordde hij het als: ,,Ik ben geboren in de mooiste tijd van het jaar – midden mei – en op een van de mooiste plekjes op aarde: te Wormerveer.’’

Zestig romans
Bruijn schreef in totaal zestig romans voor volwassenen en kinderen, waarvan er twintig zich in de Zaanstreek afspelen, waaronder zeven kinderboeken. Bruijn, de oudste uit een gezin van tien kinderen, volgde de opleiding tot onderwijzer aan de Normaalschool te Zaandam en de Rijkskweekschool in Haarlem. Hij verhuisde in 1906 naar het Gooi was hij tot zijn dood bleef wonen. Hij overleed in 1978. Beroemde jeugdboeken van Bruijn zijn het drieluik Keteltje in de Lorzie (1922), Keteltje in het veerhuis (1922) en Keteltjes thuisvaart (1930). Zijn bekendste werk is zonder twijfel de roman Sil de strandjutter dat later werd bewerkt tot een televisieserie. De naam van Cor Bruijn leeft nog altijd voort in Wormerveer. Er is een straat naar hem vernoemd, het buurthuis aan het Marktplein kreeg de naam De Lorzie en op het plein voor het buurthuis staat een beeldje van Keteltje.

Beeld van een beeld is een maandelijkse challenge. Voor meer informatie en bijdragen van andere bloggers verwijs ik u graag naar
http://nachtbraker.wordpress.com

Waterkou

Zondag 30 november.

We hebben nergens zin in.
Zijn weer laat wakker.
Moe.
Ik denk dat de spanningen zijn tol eisen.

Ik begin toch maar met het sorteren van bak 1 van zus haar privé post en
kom tot mijn verbazing een verjaardagskaart tegen uit 1972 met daarop een geborduurd Spaans meisje.
Ooit gestuurd door de buurvrouw van de camping de Oude Boomgaard.
Ik herinner me haar nog goed.

Het was een alleenstaande wat oudere dame met twee Golden Retrievers, Sonja en Donna. Soms mochten we met haar mee de honden uitlaten. Aan de achterkant van de camping liepen we de dijk op, linksaf langs de boerderij van onze vriendinnetjes, dan langs de boerderij met de zwarte hond die altijd blafte, en verder de dijk af, net zo lang tot we weer linksaf konden slaan en een paar minuten later weer voor de ingang van de camping stonden.
Ik was altijd met zus.
Waar zij was, was ik.
We deden nagenoeg alles samen.
-wat niet wil zeggen dat mijn zus daar altijd even blij mee was.-

Kwart voor vier haal ik mam op.
We zijn al in geen weken bij pap op de begraafplaats geweest.
‘Nee, wanneer had ik dat moeten doen? Jij spreekt steeds wat af voor me’, grapt mam met een klein serieus ondertoontje.
‘Zaterdag kwam Lidy, zondag tante L, maandag Yvonne, dinsdag de dokter. Ik ben hartstikke druk!’

Het is koud.
Koud en leeg op de begraafplaats.
Het Urnentuintje heeft zich in een paar weken een heel andere look aan weten te meten.
Bruiner.
Kaler.

Doods.

De schelpjes die zus bij pap had neergelegd liggen er nog steeds.
De madeliefjes die ze er bij had gelegd zijn allang al vergaan.
Weg.
Zus is er slechts 1 keer geweest.
Mam steekt het waxinelichtje aan en stopt het terug onder het bronzen engeltje wat mam van Linda van de thuiszorg heeft gehad.
Haar handen beven.
Ze wil het perse zelf doen.
Ik haal wat helikoptertjes weg.
Ken je ze? Die zaden die je omhoog kon gooien?
Als je het goed deed kwamen ze als helikoptertjes weer naar beneden dwarrelen.

Ik zie ons weer gaan.
Zus en ik.
Op een dag in de herfst.
Ik denk dat ik vijf geweest moet zijn.
Hooguit zes.
Zus zeven of acht.
Ik kon net fietsen op mijn blauwe fietsje.
Zus had groene, iets groter fietsje.
Witte gevlochten rieten mandjes voorop.
En een Mickey Mouse fietsbel van Bakkertje op het stuur.

‘Gaan jullie met ons mee?
Wij weten waar je heel veel kastanjes en helicopters kan vinden’.
Natuurlijk gingen we mee!
We hielden wel van een beetje avontuur.
Voor het eerst fietste ik over de Cor Bruijnweg naar de Ruyterkade.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Ik was bang daar op die lange Cor Bruijnweg.
Te ver van huis.
Veel te gevaarlijk.
Al die auto’s.
Als mama dit wist.
Nou!!
Maar Zus was bij mij.
Alles zou goed komen

‘Kijk, daar is die boom al’.
Ik was meteen mijn angst vergeten.
We gooiden onze fietsen neer bij de fietsen die er al lagen en zochten tussen de andere kinderen op de grond.
Daar zag ik ze voor het eerst.
Helikoptertjes!

‘Daarachter ligt er nog eentje kind’.
Ik til het plantje voorzichtig opzij zodat mam het kan pakken.
Daarna legt ze voorzichtig haar handen op de urn.
‘Ze is nu bij jou schat’.

Samen kijken we naar het vlammetje.
Ik haak mijn arm in die van mam.
Zo staan we even.
Gewoon te staan.
Wat valt er te zeggen?

‘Zullen we maar gaan kind, het is zo koud.’
Gearmd lopen we langzaam terug naar het groene hek dat ik weer zal openen.
En weer zal sluiten.

Er scheert een klein bruin vogeltje met een geel borstje vlak langs ons heen.

In het park verderop blaft een hond.

Het hek piept.

Verder is het stil.

Doodstil.

12 minuten fietsen aan de Zaan

Mijn fysiotherapeute zit gevestigd op de eerste etage van het voormalig Gemeentehuis/politiebureau in Wormerveer, mijn geboortedorp.
Het fitnesszaaltje, daar op de eerste verdieping, kijkt uit over de Stationsstraat en de Zaanweg.
Links het Guisveld.

Als ik op de hometrainer zit, kijk ik uit over de Zaan die daar meestal zomaar zachtjes in zichzelf wat ligt te blikkeren in haar mooie bochtje.
Oneindig diep lijkt ze mij in gedachten, de spiegeling van de molens nog amper maar in haar diepten vervaagd.

Zachtjes hoor ik haar trots wat kabbelen over de kleine jongens die zij dezelfde wijze oude mannen zag worden.

-Wist ik wel dat Herman Gorter, naast haar geboren was?
Van Cor Bruijn, die zo vaak met haar op heeft gelopen, op zijn voettochten?
Van de losse ploegers?
Van de zaadsjouwers?
De kiepvrouwen?
De kerkgangers?
De loopjongens?
Ach, kwajongens!
Wist ik wel van Suze, het lieve witte paard dat de goederenwagons naar haar losstation trok.
Van die gemene Spanjaarden?
Haar vele molens.
Haar veer.
De Alkmaar Packet?
Haar fabrieken.
Haar grote krabben.
Haar koude Noorder.
Haar kermis
Haar Jonge Prins?
En
de keren dat zij zoveel plezier voor de kinderen bracht toen zij helemaal dicht gevroren was in de lange strenge winters?-

Zachtjes echoot ze de voetstapjes van mijn vaders klompjes in mijn hoofd.
Klompjes en een boezeroentje.
En handjes van kleinere broertjes.

En kijk nou!
Daar lopen wij:
Zus en ik.
Met onze boeken.
Een zoethout.
Vast op weg naar ballet in Ons Huis.
of de bieb.

En daar vis ik.
Daar zie je? Iets verder, over de Noord.
Daar zwem ik, op een zomerse dag bij de Stoel.
Daar fiets ik, naar San, of naar mijn werk.
Daar zingen we, met z’n allen.
En daar rij ik in een donkere nacht.
Alleen.
Met pap. En mam.

Nee. 12 minuten fietsen.
Het is net niks.

Verhaaltje tbv Actie WFC Wormerveer KiKa /AVL

WFC naar de hoofdklasse:
25 jaar geleden.

Het was een mooie eerste Pinksterdag.
Mart en ik sliepen in de flat van Sandra en André op de Herman Gorterstraat.
Zelf waren ze weg.
Baerle Nassau.
De kat kon niet mee.
Zodoende.

We hadden de hele eerste dag op het balkon gezeten. Slechts afgewisseld met het wiebelende waterbed.
Mart was geblesseerd.
-Ik een beetje zeeziek-

Mart kon niet goed lopen.
Hij had vaak wat.
Hij lag meer bij Kees de fysiotherapeut dan bij mij.

Ik werkte in die tijd als verkoopster bij bakker Dirkson.
‘Hoe gaat het nou met Martje?’
Hoevaak werd die vraag me niet gesteld.
Martje het goudhaantje.
Mart, de geweldige linksback die ook nog eens verrassend goed kon aanvallen.

Natuurlijk kwamen de scouts.
Az. Vitesse. Haarlem.
Volendam.
Nog meer hoor.
Op een dag mocht Mart meespelen bij Haarlem.
Hij had nog geen rijbewijs.
Ik wel.
Mart studeerde nog.
We huurden een auto bij garage Zwart.
Gewoon.
Voor de leuk.
Een mosgroene Opel.
Dat weet ik nog.
En ik nam de verkeerde afslag.
Die naar Alkmaar.
‘Wat doe je nou?’

Terwijl Mart zich om ging kleden, ging ik naar de kantine.
Het regende zachtjes.
De tribune was nagenoeg leeg.
‘Speelt je vriend ook mee?’
Een man aan de bar.
Ik knikte trots.
‘Wat speelt hij?’
‘Links-back. Die links-back die ze nu hebben is al heel oud’.

Mart was klaar.
Het ging best aardig.
‘Wat stond je net gezellig met Andre Stafleu te praten schat’.

Een week later werden we uitgenodigd voor een borrel na de wedstrijd in het spelershome.
Mannen in pak.
Spelers in pak.
En wij, in ons gewone alledaagse kloffie.
Mart wees het aanbod af.
-Het pilsje niet-.

Daarna kwam het Nederlands Amateur team in beeld.
Dat jaar waren de WK net in Nederland.
Zul je net zien.
‘Hoe gaat het nu met Martje.
Heeft hij nog wat gehoord?’
Veel klanten kwamen niet eens zo zeer voor het brood volgens mij.

Tja.
Die blessures.
Meestal viel het na de wedstrijd nog wel mee.
Meestal kwam de pijn altijd pas na de bier opzetten.
Als we net in zijn of mijn eenpersoons bedje lagen.
Zaten we weer midden in de nacht bij de huisarts.
Of in de Heel.
‘Kan hij wel meespelen denk je?’

Pinksteren 1989
Mart kon niets.
Nou ja, dat balkon,
-en dat wiebel bed-
Ik ruimde op.
Deed de boodschappen.
Schonk wat in.

Mart belde.
-Nee.
Rectificeer:
Hij belde nooit.
Mart werd altijd gebeld!-
Steeds gebeld.
Kranten voor interviews.
-Hij kon toen al lekker lullen-
Vrienden.
De spanning steeg op het hete balkon.
We aten broodjes hamburger speciaal.
Met ei!
Van de Cor Bruijnweg.

We sliepen die nacht slecht.
Pijn.
Warm.
Zeeziek.
‘Nar, kun je even…?’
Zenuwen.

Eindelijk was het tweede Pinksterdag.
Stil in de spelersbus.
Eigen gedachten.
De vrouwen ook.
Zouden ‘we’ het vandaag nog eens flikken?
Zouden ‘we’ nog een keer op de karren door de straten gaan van Wormerveer?

Ik herinner me alleen heel veel sigaretten.
En de andere spelers vrouwen.
Sandra, Alice, Corina, Helga.
En nog veel meer.
Zenuwachtig gegil.
‘O Nee, ga weg daar!’
Mart aan de overkant.
Op een klapstoel langs de lijn
Op die mooie tweede pinksterdag.

Van de wedstrijd herinner ik me niet veel.
Wel van die in Utrecht.
In twee delen.
Gestaakt.
Datzelfde seizoen.
Tien supportersbussen.
En nu zelfs nog meer.
Heel veel spandoeken.
Voor 1 team.
1 wereldteam.
Wat zeg ik?
Vriendenteam!

Dan eindelijk het eindsignaal.
Ontlading.
De gekte barste los.
Dolle dwaze mannen.
Dolle dwaze vrouwen.
Dansen en springen op het veld onder een regen van
champagne

De bus.
‘We are the champions’
Bolle Jan.
“En een papegaai is veel te klein…”
Feest.
De rondrit.
Feest.
Jongens wat prachtig.
Eten in het jeugdhonk.
De Bres.
Feest.
Gekte.
Bier.
Vooral veel bier.

Opeens kon Mart weer best lopen trouwens.
Zijn krukje was hij in het feestgedruis schijnbaar kwijtgeraakt.
Kijk, daar stond hij op de dansvloer.
‘Straks gaan wij dansen Nar’.

Mart werd opgeslokt door de supporters.
Zijn vrienden.
En heel veel vrouwen.
Bier, euforie.
Speeches.
En nog meer Queen.
Met de armen om elkaar.
1 grote WFC familie.
Dat waren ‘wij’.

Mart bleef dansen.
‘Dans je zo ook nog even met mij?’
Ik was zo jaloers als de pest.
Het was er aan het eind van de avond nog steeds niet van gekomen.
Zijn been deed ineens weer zo’n pijn.
Strompelend en laveloos verlieten we uiteindelijk samen het feest.
‘O. Mijn kruk. Wil jij me kruk zoeken Nar’.

‘Volgens mij redt je het prima zonder Mart. Probeer maar eens!’
Hoewel het niet eens echt een harde duw was geweest tuimelde Mart zo van de bordes trapje af.
Lag ie dan.
-Kon ‘ie weer naar Kees!-

Tja. Herinneringen aan die dag.
Iedereen heeft de zijne.
Dit waren een paar van de mijne.

Fantastisch dat deze mannen – want dat zijn het inmiddels- deze actie voor Kika en het Anthonie van Leeuwenhoek hebben opgezet.
Het zijn nog steeds vrienden.
Fenomenaal.
En een aantal van hen heeft dagelijks te maken met (de gevolgen van) kanker.
Net als zoveel mensen.

Maar dit weekend is het het feest.
En natuurlijk ga ik heen.
Herinneringen ophalen.

Maar vooral ook om te sponsoren.
-En oké. Misschien wordt het na 25 jaar toch ook wel eens hoog tijd om mijn excuses aan te bieden aan dat Martje van toen-.

Kermis in Wormerveer in de jaren ’70

In Wormerveer is er 1 keer per jaar een grote kermis met de Paasdagen.
De kermis was in de jaren ’70 groter dan dat hij nu is. Waar nu de AH en de Blokker staan was toen gewoon nog voor een groot gedeelte plein. Het gebouw van buurthuis de Witte Vlinder lag toen wat meer naar achter volgens mij, waardoor het Marktplein dus groter was. Of was ik gewoon kleiner?

Toen we nog te jong waren om zelf naar de kermis te mogen gingen we met Pasen met onze ouders. Net als ieder ander klein meisje waren we dan op ons paasbest gekleed met onze witte kniekousjes en zwarte lakschoentjes.

Net als nu kon je er touwtje trekken, in de draaimolen, de
rups – van hout!-, waren er vliegtuigjes en kon je natuurlijk ballen gooien. En na afloop kregen we natuurlijk een zachte kaneelstok waar we dagen mee deden. Ook talloze dropballen hebben we versleten. Dagen napret hadden we daarmee.

Naast die eerste paasdag gingen we nog een keertje alleen met mam op de woensdag middag. Soms ging Marjo, het jongste zusje van mijn vader ook mee. Of was ze er gewoon. Ik herinner me nog wel dat ze in zo’n Afghaanse stinkjas in die attractie zat waar je zelf je kar aan een touw vast moest houden. Later werd deze attractie verboden omdat er teveel ongelukken mee gebeurde.
Toen we alweer zo groot waren dat we er overdag alleen mochten rond banjeren gingen we alleen nog een keertje ’s avonds met mam. Reuze spannend, vooral in het spookhuis natuurlijk. Hoewel?

Ik herinner me dat er op de plek waar nu de Blokker is, ooit een reuzenrad stond, maar ook een keer een heuse achtbaan.
En geen kinderachtige ook.
Dat ritje zal ik nooit vergeten.
Ik zag toen mezelf even zitten van bovenaf.
Brrr…
Maar ja, zus wilde er perse in, ze mocht niet alleen en mam kon mij moeilijk alleen op het stoepje laten staan. We – dwz mam en ik, zus was euforisch- stonden na afloop te trillen op onze benen. Nooit meer!

Toen we ouder werden waren we helemaal niet meer te houden Net als de vele andere kinderen Ja, ‘zij’ van de rij van het zwembad, de rij bij de luilakbollen en de C&A- waren we al op het Marktplein te vinden zodra de eerste wagens nog maar net gearriveerd waren. Het was die week natuurlijk the ‘Place to be’ voor alle kinderen van alle basisscholen in Wormerveer. ‘Heb je het gezien? De Hully Cully is er’.
Uren brachten we er door. Een groepje hier, een groepje daar. Er werd wat af geroddeld.
Veel kinderen uit de Ambonese wijk waren er ook, zij stonden meestal met een grote groep bij de botsauto’s.
Er werd natuurlijk ook nogal eens gevochten, daar keek niemand van op. Je was allang blij dat je zelf niet de lul was.
‘Ze vechten. Kom, kijken!’
Nauwlettend hielden we daarnaast natuurlijk de opbouw in de gaten. ‘De botsauto’s gaan proefdraaien!’ Af en toe maakten we een uitstapje naar de Minimarkt voor een schuimblok of iets dergelijks. Of Abba plaatjes.
Kon je mooi gelijk ruilen.
‘Er staat een centrifuge!’
Nou, dat was me wat!
Als je daar niet in geweest was…

In de tijd van Mud kwam de Hully Cully volgens mij voor het eerst op de Wormerveerse kermis. ‘Durf jij erin?’
Zus durfde alles.
En ik ‘durfde’ dus ook.
Er was gewoon geen sprake van dat ik aan de kant mocht blijven staan.
‘Kom Nar’.
Een ritje koste destijds 1 gulden. Eerst ging het vooruit waarbij het leek alsof je over de golven vaarde. Dan achteruit, en vaak daarna nog even vol gas terwijl de schotel in 1 stand scheef bleef staan. ‘Hobbobobobob’ Doodeng vond ik het. ‘Als je eruit valt lig je gelijk goed’, zei zus dan lachend.
Het Marktplein grensde pal aan de Oude Begraafplaats, slechts onderbroken door de kikkersloot. (Ik meen tenminste dat die sloot zo heet).

Alleen al voor de muziek ging je gezellig bij de Hully Cully staan. Mud, Bay city Rollers, Abba.
En wat later Grease..
Die paasdagen in ’78 was het een bont spektakel van glimmende satijnen broeken, wijde glanzende rokken met brede ceinturen en leren jackies. Het was het eerste jaar dat ik door een boze vader ’s avonds bij de jongens bij de botsauto’s vandaan werd gehaald. ‘Vooruit naar huis. Het is al tien uur. Ben jij nou gek geworden?’

Weer een jaar later waren het de pastelkleuren die overheersten, liefst met zwarte puntschoenen eronder.
De Wranglers.
De spijkerjasjes.
Glitter nagellak.
Java.

Ja. De Wormerveerse kermis. Ik kwam er graag. Met zus. Met mijn klasvriendinnen en met mijn vriendinnetje C die ik op mijn beurt weer pushte om in de Hully Cully te gaan.
‘Bobobobobobob, daar gaat ie weerrrr’.
C. was meer van het gokken.
Grijparm, of bulldozers. Maakte niet uit waar ze haar geld in flikkerde, het was altijd wel goed voor een horloge of twee, drie.

Natuurlijk kwam ik er ook met Kyl toen hij klein was.
Oma ook. Op de woensdagmiddag. Als ik werkte.
Later ging hij alleen.
Met kleine Remco, zijn vriendje.
Op een dag kwam hij huilend terug.
‘Ze hebben mijn geld afgepakt.
In het stee-heeg-juh..’

Ach ja, Kermis in Wormerveer.
Wie is er niet groot van mee geworden…

Visserslatijn en het verhaal van de brandtoeter

Toen ik heel klein was ging mijn vader vaak vissen met zijn vriend Ber. In ’70 (of ’71?) werd ‘ome Ber’ op het kruispunt Krommenie-Wormerveer dood gereden op zijn brommer. Helmen waren toen nog niet verplicht. Mijn vader heeft toen een hele tijd niet meer gevist, maar op gegeven moment begon het bloed toch weer te kruipen.

In mijn vorige verhaaltje over de brandweer had ik het al even over het stalen bootje dat mijn vader zelf had gemaakt.
Het was een groen bootje met groene zitplanken waarop oranje zitjes waren geschilderd.

Het zou me niet verbaasd hebben als het ding met veel poeha en drank door de familie was ingewijd, maar ik kan me daar in ieder geval niets van herinneren. Volgens mij had het ook geen naam. Ik zal het ze nog eens vragen.

Vaak nam mijn vader zus en mij mee het Guisveld in om te
(leren) vissen. Zelf de wormpjes er aan doen, of brood. Ik kon toen ik klein was geen moment stil zitten en mijn mond dicht houden, maar toch ving ik vaak de meeste vis. Veelal Baarsjes en voorntjes, maar ook brasem, karpers en aal. (Wellicht hebben de talloze havermoutballen die ik nogal kwistig in het water strooide daar wat mee te maken gehad)

Op een dag gingen we met het hele gezin vissen. Meneer en mevrouw Winter, een gepensioneerd echtpaar dat in de flat naast de onze woonde, besloten die dag in hun eigen bootje gezellig met ons op te varen. Meneer Winter was ook bij de brandweer en in de loop der tijd is mijn vader regelmatig met hem gaan vissen. Hij heette ook Klaas, net als mijn vader.

Het was die dag bloed heet. Mam, zus en ik zaten in bikini op de boot. Alledrie poepiebruin, ik als altijd nog het minst. Vrouw Winter, een lieve vrouw waar zus en ik altijd van harte welkom waren, zat op een klapstoel onder een vrolijk gebloemde parasol. ‘Ken dat wel Klaas, zo met die klapstoel?’ riep mijn vader nog.
‘Ja hoor Klaas, dat ken best’.
Vrouw Winter wuifde ons toe, als was ze koningin Emma in hoogst eigen persoon.

Na een half uurtje hadden we een mooi plekje gevonden in het Guisveld. De hengeltjes werden uitgegooid, de koelboxjes werden geopend.
Of we veel vingen die dag weet ik niet meer. Dat het best gezellig was wel.

Na een paar uurtjes vonden we het welletjes en werden de hengeltjes weer binnengehaald, de lijntjes weer netjes, de dobbertjes strak.
Het was waarschijnlijk zelfs te heet voor de vissen om te bijten.

Pap was nog bezig met de laatste hengel toen mevrouw Winter opeens wel beet had, en flink ook! De boot van de Winters helde helemaal naar 1 kant en terwijl mam, zus en ik het tafereel met stijgende verbazing aanschouwden, werd mevrouw Winter van haar klapstoeltje af gekieperd, zo de plomp in, helemaal kopje onder!

In paniek kwam ze boven.
‘Mijn bril, mijn gebit, O help dan toch!’
Ik geloof dat mijn vader de sloot in sprong om vrouw Winter te redden. Samen hielpen ze haar weer de boot in, waar ze even later met haar benen in de lucht lag te spartelen en te jammeren als een vis op het droge. Pap vond op de tast haar bril in de sloot.

‘Gaat het mevrouw Winter, rustig maar’ suste mijn moeder, toen vrouw Winter met haar zomerjurkje tegen haar lijf geplakt weer op het stoeltje zat. ‘O Adri, O Adri’, huilde ze.
Haar permanent was volledig geruïneerd. In slappe sliertjes hing het langs haar hoofd.
‘Ik wil naar hui-huis’.

Mam, zus en ik durfden elkaar tijdens de hele terugweg niet aan te kijken. De hele terugweg bleef ze jammeren en huilen. Het arme mensje was totaal overstuur. In treurmars bereikten we onder veel bekijks eindelijk de flats.

Terwijl pap beide boten vast legde, haalde wij stilzwijgend de spullen eruit. Het hele gebeuren had een enorme indruk op ons gemaakt.

Pas toen we elkaar tijdens het eten weer aan durfden te kijken kwam de ontlading.
We konden de hele avond niet meer ophouden met lachen. De tranen stroomden over onze wangen. Ook bij pap. Mam pieste zowat in haar broek.

De volgende dag ging pap met meneer Winter op zoek naar het kunstgebit.
Ze hebben het nooit meer gevonden.
Wel talloze kommetjes, een oude Chinese theepot, en de koperen brandtoeter dus.
(Jaren later kwam ik erachter dat op die plek vroeger een oude molen heeft gestaan).

Vrouw Winter heeft voor zover ik weet nooit meer gevaren.
Wel heeft ze er later gelukkig net zo hard om kunnen lachen als ons.

Vrijwillige Brandweer en de Wormerveerse Stoomspuit in de jaren ’70

Mijn vader was naast dat hij chef werkplaats was bij een bedrijf dat de zogenaamde SRV wagens maakte, ook vrijwillig brandweerman. Hij was 1 van de mannen die met de materiaalwagen niet alleen ter plaatse was bij de branden, maar ook bij bijvoorbeeld auto-ongelukken.

Hij vertelde me laatst een keer in de auto op weg maar de Heel dat hij ooit een moeder en een zoon op tijd uit een auto heeft proberen te redden op Plein 13. Dat was niet gelukt.
Ook reed er wel eens iemand met zijn auto in de Nauernasche Vaart wat volgens mij ook niet altijd even goed afliep. ‘En toen bestond er nog niet zoiets als nazorg voor ons hoor’. Het had hem allemaal nog meer aangegrepen dan ik me als kind had beseft, al voelde ik wel degelijk de stemming destijds haarfijn aan.

Zijn laarzen en brandweerpak had hij klaar staan waar hij was, de broekspijpen al om de laarzen heen, klaar om er in te springen en de bretels over zijn schouders te halen als de pieper ging.

Ik kan me de storm van ’72 nog goed herinneren. Pap was uitgerukt. De storm was zo hevig dat er zelfs (stukken) daken van de flats afwaaiden. Ook ons dak maakte vreemde ‘whoeei’ geluiden. Mam. Zus en ik zaten doodsbang op de bank. Mam het meest, en zus -zoals altijd de held van ons drie-het minst.
De tv was uit. Moest uit, denk ik. ‘En niet bij het raam staan’.

Soms nam mijn vader ons de volgende ochtend mee om te kijken naar waar hij die nacht nog had geblust. Naar het Zuideinde bijvoorbeeld. De brand die mij echter nog het meeste bijstaat was de brand aan de overkant van de Zaan in Wormer. Het was 1 november, de verjaardag van mijn zus. Zoals zoveel mensen keek ik vanaf het Noordeinde toe hoe het hele gebouw in vlammen op ging. Mijn vader moest het brandende pand in. Wat hij daar nou precies moest doen ben ik vergeten. De reactie van mijn moeder niet.

Gelukkig zaten er ook leuke kanten aan het brandweerman-schap. Zo waren daar de Spuitfeesten, waarbij groots werden uitgepakt. In het jaar dat China het thema was mocht ik, verkleed als Chineesje, het kussentje dragen met de verschillende onderscheidingen. Daar ging natuurlijk een eindeloos passen en oefenen aan vooraf, ‘al’ die vrouwen bemoeiden zich met mijn outfit, maar het resultaat mocht er geloof ik wel zijn, ik kreeg een luid applaus. Ik deelde die avond mijn kleedkamer ruimhartig met Corrie Konings.
Als een echte diva keerde ik na mijn optreden met een taxi terug naar huis.
De ochtend na het feest was het altijd weer een verrassing wat mijn ouders hadden gekregen. Houten sake kommetjes bijvoorbeeld. Er was altijd wel wat leuks waar we wel iets mee konden. Het was zo’ n beetje de tijd waarin den Uyl ook ‘in den olie was’.

Op een goede dag begin jaren ’70 besloten de mannen op een maandagse avond in de kazerne dat ‘ze’ maar eens wat moesten met die oude stoomspuit die ergens in een hoek stond te vegeteren. Nu was mijn vader nogal handig, dus uiteraard weidde hij zich met veel enthousiasme aan dit karwei. In de avonduren mocht hij in de werkplaats van zijn baas zijn gang gaan. Avond aan avond was hij bezig met lassen en solderen. ‘Moet je nu alweer weg schat?’ Mijn moeder vond het niet altijd even leuk, en als ik mijn vader die maanden wilde zien, zat er weinig anders op dan mee te gaan naar de werkplaats, of de kazerne.

In de eerstgenoemde rook het heerlijk naar werkplaats. De geur van staal. De krullen op de grond. Ik kwam er graag. (Toen ‘project Stoomspuit’ ten einde was, heeft mijn vader daar nog een hele stalen boot in elkaar geflanst. Vertel mij wat over een zeeg, ha!)

In de kazerne klom ik dan op de materiaalwagen. Vandaar had ik een prima zicht op mijn vader en de Spuit.

Na een paar maanden was het ding klaar. Er zullen heus vast andere mensen aan meegewerkt hebben, maar IK heb ze nooit gezien. En ik ben toch regelmatig mee geweest. Wel de oude meneer Blij. Die kon poetsen dat het een lieve lust was.

Er volgden gezellige jaren waarin de Spuit bij vele evenementen haar opwachting mocht maken. Uiteraard stond ze altijd bij de braderie in Wormerveer en op de jaarmarkt op de Schans, maar ook elders in het land werden ze uitgenodigd. ‘Hoorn op stoom’, of wedstrijden. Gingen we weer met de caravan en het hele spul naar Warffum bijvoorbeeld. Oude meneer Blij (ook een Klaas) en zijn vrouw waren mee, en Hennie Blij, hun zoon. Meneer en mevrouw Charmant, meneer Coks, meneer en mevrouw Kooiman, meneer de Jong en natuurlijk ‘ome’ Piet en ‘tante’ Truus, de ouders van mijn vriendinnetje C. waarmee ik in de loop der jaren massa’s bitterballen heb weggewerkt. Ik ben er vast een aantal vergeten.
Dat het allemaal enorm gezellig was allemaal, dat natuurlijk niet. Op zolder bij mijn ouders liggen nog een aantal albums met foto’s van de oma’s van nu in de mini-rokken van toen.
Erg grappig.

Alle mannen hadden hun eigen taak. Meneer Zwart zat geloof ik meestal op het bokkie, ome Piet liet met zijn vaatje jenever de glaasjes van tijd tot tijd rond gaan, meneer Kooiman verkocht de kaarten en mijn vader was samen met meneer Blij 1 van de 2 stokers. (later werd dit Cees Whenis).

Ik zie nog zo voor me hoe ze om beurten de deur van de ketel dan openden, en verse kolen in het vuur schepte. Met zakdoeken veegden ze van tijd tot tijd het zweet van hun voorhoofd. De slangen werden uitgerold en in de Zaan of een sloot gehangen. De Spuit siste en schudde dan een beetje tijdens het heter worden van de ketel. Af en toe lieten ze dan wat stoom ontsnappen. Naarmate de druk in de ketel op liep,-3 bar?- schudde het ding meer en meer. ‘Ssssshhhht’ en ‘Oemph-oemph-oemph’ nog maar wat stoom laten ontsnappen. ‘Mag ik trekken pap?’ Een geluid dat ik voor de rest van mijn leven uit duizenden zal herkennen. Evenals de brandtoeter die mijn vader altijd om zijn nek droeg.

Ik was erbij toen hij deze toevallig opviste in het Noorderveld. Hij heeft hem een aantal jaar terug weggegeven. Aan café de Kroon geloof ik, waar destijds meer van dat soort brandweerdingen aan de wand hingen. Nu niet meer denk ik. De Kroon is overgenomen. Spijtig.

Als de Spuit uiteindelijk goed op stoom was kon er ‘geblust’ worden. Vaak had ik er na een minuut of wat alweer genoeg van om de slang vast te houden, dat ding was loodzwaar, maar de meeste kinderen vinden dat geweldig leuk om te doen.

Op een dag mochten de Stoomspuit haar opwachting maken tijdens het defilé op Koninginnedag in Soestdijk. Zus en ik zaten bij onze oma in Wormerveer uren lang aan het beeld gekluisterd, tot we de Spuit eindelijk door het beeld zagen langskomen. Samen met de grote zwarte Friese paarden zag het er zeer indrukwekkend uit. Ze hebben er de voorpagina van de Varagids zelfs mee gehaald. Zie foto.

C. en ik waren er vaak bij. Een keer mochten we samen op het bokkie vanaf de Zaanse Schans terug naar de kazerne. Natuurlijk ging dat stapvoets, maar toch, nu hoef je zoiets echt niet meer te proberen….
Tja, mooie tijden, en prachtige herinneringen.

20140104-112149.jpg