De definitieve ingeleverde versie van het verhaal van de schrijfcursus…

Opdracht: schrijf het laatste hoofdstuk van een boek. 
Leona schopte haar slippers uit, ging op haar buik op het kleine zonnedek liggen, en keek hoe de zonnestralen in de golfjes weerspiegelden tot ze er tenslotte duizelig van werd en haar ogen sloot. Op dit water had ze zo vaak gevaren met haar ouders en zus vroeger. Ze hadden hier gevist, Brasem, Baars, Karpers. Zelfs paling had ze hier gevangen. En geschaatst hadden ze hier ook natuurlijk. “Altijd een lange shawl om doen als je gaat schaatsten. En nóóit alleen!” Pap had hier ergens nog dat meisje van school uit dat wak getrokken.
Leona legde na een tijdje een kussentje op de punt van de boot, ging erop zitten, liet haar voeten door het water liet glijden en stak een sigaret uit het oude pakje van haar moeder op. “Zoiets kan je maar beter in stijl doen”, zei haar moeder altijd. En vandaag was het een ‘zoiets’ dag. Ze had de sherry moeten meenemen. Een hengel. En wat speed. Dat zou zus leuk gevonden hebben. “Tof wel!”
”Je kan natuurlijk ook wachten tot er voldoende ijs op de sloten ligt kind”, had haar moeder gezegd op de dag dat ze samen de urn van zus hadden opgehaald in het crematorium. Mam had zus klemvast tussen haar benen gezet, precies zoals ze tien maanden daarvoor ook pap tussen haar benen had gehad. Leona had toen maar net op tijd de voor de hand gelegen grap in kunnen slikken. Later, naarmate de misère toe was genomen, waren de grappen grover geworden: ”Ja, goed idee mam, zet ik jullie achter elkaar op het sleetje en dan trek ik jullie voort met een touw om mijn middel”. Ze hadden er samen om gelachen, maar de serieuze toon was Leona niet ontgaan toen haar moeder even later had geopperd hen gewoon in de Watering te strooien. “Dan brengt de stroom ons vanzelf wel naar het Guisveld hoor kind”. Haar moeder had ze negen maanden daarna maar gewoon met urn en al de gordel omgedaan. Op de grond zetten was ook weer zoiets.

Na twee uurtjes varen legde Herman de boot tegen het eilandje aan vast. Terwijl hij een biertje opentrok en een rosé inschonk zette Leona haar vaders malle vishoedje met de fazantenveer op. Over haar bikini droeg ze alleen de gipsy rok van haar moeder. Haar lange donkere haren hingen los over haar gebruinde rug, en samen met haar zwart gelakte nagels en de sieraden van haar zus gaf het haar een aparte uitstraling. ‘Kunnen we niet nog even gewoon wat liggen?’ Herman keek naar de lucht en knikte. Het onweer zou nog wel even op zich laten wachten.
Met haar hoofd in Hermans schoot en haar glas rosé balancerend op haar blote buik probeerde Leona tevergeefs een betekenis te ontdekken in de strepen die de vliegtuigen in de blauwe hemel achterlieten. Keer op keer zwol het geluid aan om daarna weer weg te ebben tot een volgend vliegtuig het naderend moment van rust op onaangename wijze weer verbrak. ‘Zou het ooit weer stil worden?’ Als antwoord streelde Herman haar hoofd, over en over, precies zoals hij haar zelf had zien doen tijdens die doodstrijd van zijn schoonmoeder. Nee, dan maar euthanasie.

‘Het is al vier uur Lé.’ Hij voelde dat ze schrok. ‘Wil je dat ik het doe?’ De lucht begon nu echt te betrekken. Ze schudde haar hoofd en gooide haar vijfde peuk overboord. Haar eerste fles rosé was al bijna leeg. ‘Eerst je vader?’ Leona kon dit, wist hij. Leona kon met hetzelfde elan lijken opmaken, doodskisten sluiten, en as in oude sieradendoosjes lepelen waarmee ze alles wat nou eenmaal gebeuren moest gewoonlijk deed, zonder daarbij ook maar een traan te laten. ‘Ja, eerst pap maar. Die is per slot van rekening ook het eerst de pijp uitgegaan’.

Leona liet zich in haar bikini in kleermakerszit op de natte veengrond zakken om met het oude zakmes van haar vader de urnen te openen zoals ze hem dat vroeger met de verfblikken had zien doen. ”En nu héél goed roeren. Mínstens tien minuten”.
Het water sijpelde tussen haar tenen naar boven terwijl ze met de as hun namen schreef in het gras. Mam had gelukkig maar vier lettertjes nodig waarvan één ‘i’, veel van haar moeder was er op het laatst niet meer overgebleven.

Pas toen ze weer op de boot stapte ontdekte ze de witte waas op haar lijf. Boven hen begon het te rommelen. ‘We moeten nu echt gaan’. Leone keek een moment zwijgend naar de witte letters in het gras voor ze knikte en met haar handen het stof van haar benen veegde.
Herman liet de boot drie rondjes om zijn as draaien voor hij de gashendel in een vloeiende beweging naar voren duwde en de boot in plané bracht. Tientallen meeuwen scheerden krijsend langs de vrouw op het dek die haar vuisten naar de hemel balde tot deze uiteindelijk brak en de grote regendruppels de waas van as samen met haar tranen wegspoelde.

Ze was klaar.

Advertenties

De mythologie opdracht van de laatste les schrijfcursus

Huiswerk voor de laatste cursusdag.
‘Kies een mythe of een sprookje en schrijf daar een hedendaags verhaal over.
Probeer van je cursusgenoten te raden welke Mythe/ sprookje/bijbelverhaal ten grondslag ligt’.
Hier mijn -sorry, zeer vrouwonvriendelijk!!- verhaal:

Marina

Ze zeggen dat ik alles zie.
Dat is ook zo.
Er is maar weinig wat mij nog ontgaat na al die jaren.
Soms is dat niet leuk.
Soms zou ik het gewoon eens níet willen zien of horen.
Van die dikke natte bleke dijbenen met spataders bijvoorbeeld, die bij iedere stap tegen elkaar sompen en een kleverig spoor achterlaten op mijn droog getrokken vloer. Of lege, verlepte borsten die als een paar verschrompelde theezakjes zowat tot aan de navel reiken. Die zie ik liever niet. Ik hóór ze trouwens ook liever niet.
Maar ze schreeuwen allemaal deze vrouwen.
Tegen hun kinderen die nooit naar ze luisteren.
Tegen hun mannen die in hun ogen nooit iets goed kunnen doen.

De meeste vrouwen zijn trouwens niet mooi wist u dat?
Negentig procent is gewoon lelijk. Vaak lijkt het nog wat, maar dat is gewoon nep: sommige vrouwen dragen gewoon de juiste kleding, de juiste make-up.
Maar hier zijn ze allemaal naakt. Nou ja, op hun voorgevormde badpak na dan.
En allemaal zijn ze even verlept. Allemaal, behalve zij!
Zij is er de laatste jaren bijna altijd op zondagochtend. Haar twee jongens rennen dan direct op de glijbaan af. Die redden zich prima zelf. A en B hadden ze al op zak toen ze hier zijn komen wonen en de C haalden ze hier, bij mij. Naast Eric en Anton schijnt ze nog meer kinderen te hebben.
En dán nog zo’n figuurtje!
Haast niet voor te stellen dat ze met die manke getrouwd is. Altijd ook maar aan het werk die Shrek.

Over een paar weken zal hij de hele vernieuwde buitenterrein hebben voorzien van hoog hekwerk met van die punten dat hermetisch afgesloten kan worden met degelijk slootwerk. Geen gerommel meer hier. Had ik u al verteld dat Marina de vrouw is die onze speelweide en de rozentuin heeft ontworpen? Het is een waar paradijs geworden. Nog nooit heb ik zoveel rozen bij elkaar zien bloeien als in het afgelopen jaar. Maar goed, daar gaat het nu niet over. Ik had het over de zondagen.

Met een handdoek over haar schouder gedrapeerd en een glimmende appel in haar hand loopt ze dan richting het vijftig meter bad om langzaam haar baantjes te trekken in haar rode bikini met de witte zwaantjes. Het is de mooiste die ze heeft, vind ik. Maar zelfs het meest afzichtelijk exemplaar zal ook maar een millimeter afbreuk kunnen doen aan haar schoonheid die misschien voor iemand die haar nog nooit heeft mogen aanschouwen alleen maar voor te stellen is als nog minstens duizend keer mooier dan het allermooiste wat men ooit heeft gezien, en nog mooier dan.

Het doet me altijd weer deugd om te zien hoe de mannen naar haar kijken. Een man blijft een man, ook al heeft hij vijf kinderen die om hem heen jengelen en zo’n dikke lelijke zeekoe die hem lens zou slaan als ze het zou merken.
Ze zijn allemaal hetzelfde.

Straks, als ze klaar is met haar baantjes zal ze een beetje hijgerig het trapje afdalen in het warme bubbelbad. Ze zal vriendelijk groeten en betoverende kuiltjes in haar wangen lachen voor de mannen die op slag de vrouw zullen vergeten die op hetzelfde moment de dreinende tranen van hun kroost in hun blauw geaderde buste liefdevol zullen smoren, terwijl ze met ogen als schoteltjes zo groot naar de volle ronde borsten van Marina kijken, die haar tepels als rozenknopjes nog nèt boven het warme water zal laten uitkomen terwijl ze haar armen spreidt en haar lange donkere haren sensueel laat waaieren in het bad. Haar wimpers daarbij, langzaam klappend als tere vlindervleugels de zachte roze blosjes op haar wangen beroerend, onschuldiger nog als de eerste zonnestralen in een vroeg ontluikend voorjaar.
Er is er altijd wel één die even wil ontsnappen aan de ijzeren greep van het gezin.

Ik weet niet precies hóe ze het iedere keer weer doet.
Ik weet wel dàt ze het iedere keer weer doet.
Maar bijna nooit met dezelfde.
-Hoewel, met Arie heb ik haar toch wel meerdere keren naar beneden zien gaan.-

Eerst gebruikte ze gewoon een pashokje. Dat vond ik niet oké.
Voor de kinderen begrijpt u? Niet erg hygiënisch bovendien. Tegenwoordig laat ik voor haar gewoon het ketelhuis in de kelder open. Daar is het lekker warm, en er staat een stapel met van die grote gele drijfplanken. Ze maakt er dankbaar gebruik van.

Zo wordt het toch maar mooi iedere keer weer drukker op de zondag. Twee jaar geleden dreigde ik mijn baan nog kwijt te raken, maar nu floreert het zwembad als nooit tevoren.
Tegenwoordig moet ik gewoon weer ogen in mijn achterhoofd hebben.

Ja, inderdaad, ik zie van alles.
Dat is mijn werk.
Maar daar praat je gewoon niet over toch?
Sommige zaken vallen nou eenmaal gewoon onder het beroepsgeheim.
Momentje, de plicht roept…

“Wat zeggen jullie?
Is jullie papa weg?
Nee hoor, volgens mij zag ik hem zojuist nog bij de glijbaan…
Misschien is hij nu even plassen.
Wachten jullie maar gewoon even bij jullie mama.
Hij zal jullie straks vanzelf wel weer vinden hoor.”

Enig idee welke mythe aan dit verhaal ten grondslag ligt?
Wat een akelig verhaal hè?! Ziek gewoon. Vreselijke vent!
-En inderdaad: een oud verhaal van mij opnieuw herschreven-.

Sonnet

Wie ben ik
als men mij niet laat zijn
wie ik ben
wie ik wíl zijn

Waar sta ik
als men mij niet laat staan
waar ik sta
waar ik wíl staan

Veel anderen
verlangen van mij
dat ik zal veranderen

Wat verlangen zij
die anderen
onbeschrijflijk veel van mij

©Narda ’95

image

image

image

image

image

image

image

image

image

Foto’s: Zus Fenna (en Neef)

We 300: Evenaren

IMG_6864
bron

fictief
Dit was haar.
Hij wist het meteen.
Zoals altijd.
Ze was voor hem gemaakt.
Alleen voor hem.
Ze wachtte voor hèm daar in het schijnsel van de maan.

Op hoge hakjes.
Haar blonde haren gevangen in een brutale knot.
Dapper en alleen.
Er kwam niemand.
Er stopte niemand.
Zie je wel?

Hoe lang keek hij nu al naar haar?
Twee sigaretten.
Twintig minuten dus.
Hij stapte uit zijn wagen en rekte zich even voor hij nonchalant op haar afliep.
‘Mag ik je misschien wat vragen?’

Ze keek een beetje schuchter naar hem op. Een klein spoortje mascara op haar wangen bevestigde een verpeste avond en maakte haar nog kwetsbaarder.
Onweerstaanbaarder.
Ze was jong.
Jonger dan hij van een afstandje had gedacht.
En mooier.
Nog veel mooier.

Nu kwam het erop aan.
‘Heb jij misschien mijn dochter gezien? Ik zou haar hier om half vier ophalen’.
Ze haalde haar schouders op.
‘Iedereen is denk ik al weg. Ik sta hier al een tijdje’.
Hij glimlachte haar geruststellend toe.
‘Dat zag ik ja.
Ik ook’.

Hij zweeg even om haar geur, prikkelend als de eerste bloesem in maart, zo diep mogelijk in te kunnen ademen.
‘Is er misschien ergens een afterparty?’
‘Misschien bij ‘De Zeven Zonden’.
Kent u die tent in het centrum?’

Hij schudde zijn hoofd.
‘We zijn nieuw hier in het dorp. Mijn dochter is met een ouder buurmeisje mee’.
Hij geloofde het bijna zelf.
‘Moet jij misschien ook naar het dorp?
Kan ik je een lift aanbieden?’
Weer haalde ze haar schouders op.
Hij glimlachte vaderlijk.
‘Je zou hier beter niet alleen staan meisje.
Kom, dan breng ik je even naar huis’.

Onnozel stapte ze in.
Het was weer makkelijker gegaan dan hij dacht.
Nog eentje hierna, eentje maar. En dan had hij er net zoveel als Ted.

————————————————————
Dit verhaal heb ik geschreven voor de maandelijkse schrijfuitdaging van Plato.
Het is de bedoeling dat je een verhaal van exact 300 woorden schrijft dat betrekking heeft op het door Plato opgegeven woord. Dit woord mag zelf niet in de tekst voorkomen. Deze maand is het woord: evenaren

WE300: De eerste klant

IMG_6568

fictief

Het was vroeg.
Er hing een klamme dauw over het dorp. Mijn billen waren steenkoud. Hier en daar brandde nog een vuurtje in een van de vele korven die gaandeweg in de nacht waren ontstoken. Het bier en de oranjebitter hadden inmiddels plaats gemaakt voor koppen sterke koffie.
Ik trok mijn dekentje nog maar wat op.

In de verte kwamen een man en een meisje aan lopen.
Vreemdelingen, zag ik toen ze me naderden.
‘Kijk dan pap!’
Het meisje rukte haar handje los, en huppelde naar mijn kleed waar ze zich plompverloren op haar knietjes liet vallen.
‘Deze wil ik!’
De man glimlachte en knikte me een beetje verlegen toe.

‘Hoeveel wilt u er voor hebben?’
‘Tien meneer’, zei ik.
‘Voor tien euries mag u hem zo mee nemen’.
Tien euro was echt níets!
De klant zette zijn benen iets uit elkaar en rechtte zijn rug.
Hij wiebelde een beetje van zijn ene naar zijn andere voet.
De handen hield hij in de zakken van zijn broek terwijl zijn ogen de mijne zochten.
‘Vijf’ zei hij, toen hij ze gevangen had.
Ik had het amper kunnen verstaan.
Zijn dochtertje draalde een beetje naast hem.
‘Toe pap?’

Ik zweeg.
Vijf was te weinig.
Ik wist het.
Maar hij toch ook?
Ik dacht na.

‘Ik heb nog twee zakken hooi in de schuur en voer wat u er gratis bij mag’.
De man aarzelde.
-Voor minder deed ik hem echt niet weg.-
Het meisje trok aan zijn arm.
‘Alsjeblieft pap, alsjeblieft?’

Weer keek de man me recht in mijn ogen aan.
Er was iets.

‘Vijf’, herhaalde hij, zelfs nog zachter dan even daarvoor met een oprechtheid die me tot diep in mijn ziel raakte.

Even later gingen ze weer verder.
De vreemde man, het huppelende meisje
en de kooi van Hammie.

Ik heb ze nooit meer gezien.

—————––———————-

Dit verhaal heb ik geschreven voor de schrijfuitdaging van Plato.
Iedere maand is het weer een uitdaging om in precies 300 woorden een verhaal te schrijven waarin het woord dat Plato opgeeft niet mag voorkomen. Het verhaal moet wel over het woord gaan.
Deze maand was het woord: afdingen.

Kijk voor meer verhalen even bij
http://platoonline.wordpress.com

Foto 2003: van links naar rechts: Narda, Kylian (net 6), Neef (5) en (Beau)Nino.

Valentijnsdag

IMG_6378

fictief
Hij wist het allemaal niet meer zo goed.
Wat spraken ze elkaar nog?
Nog ècht bedoelde hij.
Dat het dan ook ècht ergens over ging.
Twijfels, angsten, dromen, hoop. Dàt soort dingen.
Niet dat gezwets over de boodschappen voor het eten.
Of wiens beurt het nou eigenlijk was om te koken.

Hij trok zijn jas aan.
Het was een vreemde tijd, vijf uur, maar hij moest gewoon weg. Even naar buiten.
-Naar waar dan ook-.
Als hij maar gewoon even weg was.
Even lucht.

Ze keek verstoord op van haar (nou ja, zíjn) IPad.
‘Waar ga jij nou nog heen?’
Ze zat weer een spelletje zat te spelen.
Candy Crush of zo, aan de kleurtjes te zien.
Het was dàt, of Facebook tegenwoordig.
Of de Linda
Het irriteerde hem mateloos.
Hij vond het zo leeg.

‘Nog even gauw wat halen’.
Ze haalde haar schouders op en speelde weer verder.
‘Om zes uur is het eten klaar hoor’.
Zachtjes liet hij de deur in het slot vallen.
Buiten trok hij zijn jas pas aan.
Het miezerde een beetje, maar koud was het niet.
Best lekker eigenlijk.
Hij sloeg rechtsaf.

Wat mankeerde hem nou eigenlijk.
Wat was er nou?
Wat verwachtte hij nou?
Dat ze altijd verliefd zouden blijven?
Altijd gespreksstof zouden hebben?
Ze begreep de helft van de tijd niet eens waar hij het over had.
Of waar hij zelfs maar mee bezig was.
Hij vond het niet eens èrg.
Nee, echt niet.
Ze hadden het verder best goed toch samen.
Een kind, een huis, een auto en elkaar!

God, waarom moest hij nou ineens zo moeilijk gaan doen?
Wat wilde hij nou?
Iedere avond diepzinnige gesprekken voeren aan tafel of zo?
Ze zag hem aankomen met zijn rode wijn.
Maar toch…soms zou het wel fijn zijn.
Gewoon, als ze hem begreep.
-of alleen maar even luisterde-
Nou ja, als hij zijn gedachten gewoon weer eens kon delen met haar.

Zou het nou gewoon overal zo gaan? God voor ons allen, en ieder voor zich?
Of bestonden ze echt, die getrouwde paartjes die al jarenlang samen de meest interessante gesprekken voerden?
Hij geloofde er niets van.
Misschien moest hij de oude Linda’s er maar eens op na slaan.
Hij glimlachte flauw om zijn eigen grapje.

Weet je wàt het was?
Ze hadden gewoon geen plannen meer.
Dàt was het!
Nou ja, natuurlijk gingen ze iedere zomer drie weken naar de camping in Italië.
Dat wel ja.
Maar nìeuwe plannen?
Nieuwe dromen?
Nee.
Die hadden ze niet meer.
Deelden ze in ieder geval niet meer.
Maar hadden ze inmiddels dan niet alles wat ze maar wensten.
Italië beviel toch altijd prima?
Ze woonden hier fijn, gezellige buren, leuke tuin.
Wat vìel er dan nog te dromen?

Ongemerkt was hij bij het winkelcentrum gekomen.
Het was er druk.
Hoe lang was het geleden dat ze samen hier geweest waren?
Meestal ging ze maar alleen.
Voor hem hoefde het niet.
Zelfs de boodschappen deden ze nooit meer samen.
Ach.
Wat eigenlijk wel?

Het was toch ook veel praktischer om je op te splitsen?
Zij hield van winkelen en hij hield van hardlopen.
Nou dan!
Iedereen tevreden toch?
Ja eten, dat deden ze wel meestal samen.
Met z’n drieën natuurlijk altijd aan tafel, maar met z’n tweeën gewoon lekker makkelijk op de bank.
Gezellig toch?
Bordje op schoot.
Voeten op tafel.
Dwdd.

Wat wilde hij dan?
Hij had toch een leuk leven zo?
Af en toe met zijn vrienden in de kroeg.
Of een feestje hier of daar.
Was het de seks dan?
De seks?
Nou, dat zal toch ook wel loslopen allemaal.
Een keer in de twee weken was best genoeg als het aan hem lag.
Dìe tijd had hij wel gehad.

Het kwam vast door dat Valentijn gedoe.
Op de tv.
De radio.
Je werd er mee doodgegooid.
Zelfs op het nieuws werd verkondigd dat bonbons en bloemen dit jaar ‘in’ waren.
Nou, daar deed hij mooi niet aan mee.
Wat een onzin.
Pure commercie!
Alsof je alleen op die dag je liefde zou mogen tonen.
Daar trapte je toch niet in?
Om heel eerlijk te zijn trapte hij er eigenlijk nooit meer in.
Voor haar hoefde het ook niet hoor.
‘Doe maar normaal dan doe je gek genoeg’.

Ooit had hij een keer een roos voor haar gekocht.
Het was tijdens een van hun eerste afspraakjes.
Een knusse pizzeria in de stad.
Ze zaten beneden, in de kelder.
Er hingen talloze wijnflessen in manden aan de wand en tussen hun in brandde een kaars gemoedelijk in een groene fles.
Het zilveren bestek klingelde op de borden.
Er lag een spierwit kleed op het gammele tafeltje.
Ze dronken rode wijn.
Veel rode wijn.
Chianti om precies te zijn.
En ze hadden gepraat.
De hèle avond lang terwijl hun ogen elkaar bijna niet los konden laten.
Uiteindelijk had hij zijn hand voorzichtig op de hare durven leggen.
En toen had de man met de rozen ineens naast hem gestaan.
En hij-looser- was er natuurlijk in getrapt.
‘Tien gulden, idioot. Dat doe je toch niet?!’
Ze lachte.
Hij voelde zich belachelijk.
Uiteindelijk was ze hem nog vergeten ook.
Die roos dan.
Teruglopen wilde ze niet.
Daarna had hij nooit meer iets voor haar gekocht.
Nee.
Zèlfs geen lingerie.

Ze was er ook gewoon geen vrouw voor.
Lingerie.
‘Geef mij maar gewoon Sloggies’.
Voor hem hoefde het ook niet.
-Of wel soms?-

Misschien was het gewoon allemaal wat voorspelbaar.
Dat huwelijk van hun.
Maar wat was daar nou mis mee?
Niks geen gedoe, geen gezeur.
Hij kon doen wat hij wilde.
Nou ja, tot zoverre natuurlijk.
Leven en laten leven.
Prima toch?

Hij bleef staan bij de bloemenwinkel.
Ze zou toch raar staan te kijken als hij nu thuis kwam met rozen.
Of bonbons.
Of lingerie.
Of alledrie.
En zomaar een paar lieve woordjes
op een mooie kaart.
Zou ze lachen?
Hem weer uitlachen?
‘Ach lieverd, dat is toch niets voor ons?’

Nee.
Hij ging het niet doen.
Natúúrlijk niet.
Hij was nou eenmaal niet romantisch en zal het nooit meer worden ook.
Niet vandaag,
En niet morgen.

Vastberaden draaide hij zich om,
-Morgen ging hij gewoon weer lekker hardlopen.-
De eenzaamheid tegemoet.

Het slooppand

fictief

Het waren de stemmen die het eerst vaag tot haar door waren gedrongen. Veraf, hol, alsof ze zich onder water bevond. Daarna was het de pijn geweest.
De verschrikkelijke pijn die bezit had genomen van haar hele lijf.
En de angst.
-Ze wist het weer.-

Ze lag op haar rug.
Hoe lang lag ze al daar?
Haar handen waren vastgebonden aan het frame van het bedspiraal.
Haar benen waren wel los.

Ze beefde.
Haar broek was tot aan haar knieën nat.
De stank van haar eigen urine vermengd met de bedompte lucht in het vertrek maakte haar misselijk.
Ze kokhalsde een beetje.
Even verderop hoorde ze met regelmaat een druppel in een plasje water vallen.
Er schuifelde iets onder haar bed.
Een rat!
In paniek bewoog ze haar zere heupen op en neer op het piepende matras. Was hij weg? Ze hoorde het slepende geluid van zijn staart door de gang langzaam verstommen.

Voorzichtig probeerde ze of ze haar ogen open kon doen.
Haar linkeroog zat helemaal dicht. Het klopte en bonkte. Haar rechteroog ging wel een stukje open, net genoeg om het kleine brandende peertje aan het plafond te ontwaren.

Voorzichtig tilde ze haar hoofd een stukje op.
Gelukkig.
Niemand.
En nu?
Opeens zag ze het groene verlichte bordje.
Nooduitgang.
Ze was in ieder geval in een gebouw.
Of liever ònder een gebouw.
En betekende gebouwen niet: mensen?
Mensen die haar zouden komen bevrijden.
Een ambulance zouden bellen en de politie.
Zíj waren nu vast wel weg.
De sukkels hadden haar niet eens geblinddoekt.
Of monddood gemaakt.

In een reflex begon ze te gillen.
Ze negeerde haar pijn en trapte zo hard als ze kon zijwaarts tegen de kale muur naast haar ijzeren matras.
Dat móésten de mensen toch wel horen?

Het duurde niet lang.
Hooguit twintig seconden,
voor ze bij haar waren.

-Verder was er niemand.-

————————————————————–

Iedere maand verzint Plato een nieuwe schrijfuitdaging.
Het is de bedoeling dat je in precies 300 woorden een verhaal schrijft waarin het door Plato opgegeven woord niet in de tekst zelf mag voorkomen. Deze maand is het woord: ‘Waarnemen’. Het verhaal wat ik gisteren geplaatst heb was eigenlijk ook bedoeld voor deze uitdaging, maar ik zat ver over de 500 woorden.
Vandaar dus hier mijn tweede poging.
Voor meer verhalen, of als je mee wilt doen, kun je kijken bij:
http://platoonline.wordpress.com

De badmeester

-fictief-

Ze zeggen dat ik alles zie.
Dat is ook zo. Er is maar weinig wat mij nog ontgaat na al die jaren. Soms is dat niet leuk. Soms zou ik het gewoon eens níet willen zien of horen. Van die dikke natte bleke dijbenen met spataders bijvoorbeeld, die bij iedere stap tegen elkaar sompen en een kleverig spoor achterlaten op mijn droog getrokken vloer. Of lege, afgelebberde borsten die als een paar verschrompelde theezakjes zowat tot aan de navel reiken.
Die zie ik liever niet.
Ik hoor ze trouwens ook liever niet.
Maar ze schreeuwen allemaal deze vrouwen. Tegen hun kinderen die nooit naar haar luisteren. Tegen hun mannen die in hun ogen nooit iets goed kunnen doen.

De meeste vrouwen zijn trouwens niet mooi wist je dat? Negentig procent is gewoon lelijk. Vaak lijkt het nog wat, maar dat is gewoon nep. Sommige vrouwen dragen gewoon de juiste kleding, de juiste make-up.
Maar hier zijn ze allemaal naakt. Nou ja, op hun zwarte badpak na dan.
En ze zijn allemaal even lelijk.
Behalve Zij.

Zij is er tegenwoordig bijna altijd op zondagochtend. Haar twee jongens rennen dan direct op de glijbaan af. Die redden zich prima zelf. A, B en C. Ja, een tweeling heeft ze.
En dán nog zo’n figuurtje!
Ik geloof dat ze gescheiden is.

Met een handdoek over haar schouder gaat Zij dan richting het vijftig meter bad om haar baantjes te trekken in haar rode bikini met de touwtjes en de franjetjes. Het is de mooiste die ze heeft, vind ik.

Het doet me altijd deugd om te zien hoe de mannen haar nakijken. Een man blijft een man blijft een man, ook al heeft hij vijf kinderen die om hem heen jengelen en zo’n dikke lelijke zeekoe die hem lens zou slaan als ze het zou merken.
Ze zijn allemaal hetzelfde.

Straks, als ze klaar is met haar baantjes zal Ze wat hijgerig het trapje afdalen van het warme bubbelbad. Ze zal ze vriendelijk begroeten en naar ze glimlachen.
Haar borsten zullen nog nèt boven het water uitsteken als Ze haar armen zal spreiden, haar hoofd achterover zal laten leunen, en haar lange blonde haren zal laten uitwaaieren over de rand.
Er is er altijd wel één die even kon ontsnappen aan de ijzeren greep van het gezin.

Ik weet niet precies hóe ze het iedere keer weer doet.
Ik weet wel dàt ze het iedere keer weer doet.
Maar bijna nooit met dezelfde.

Eerst gebruikte ze gewoon een pashokje. Dat vond ik niet oké. Voor de kinderen begrijp je? Niet erg hygiënisch bovendien. Tegenwoordig laat ik voor haar gewoon het hok open. Daar is het lekker warm, en er staat een stapel met van die grote gele drijfplanken. Ze maakt er dankbaar gebruik van.

Zo wordt het toch iedere keer maar mooi weer drukker op de zondag. Vorig jaar dreigde het zwembad nog failliet te gaan.
Tegenwoordig moet ik gewoon weer ogen in mijn achterhoofd hebben.
-Wacht even. Wat zegt u mevrouw? Uw man?
Volgens mij zag ik hem zojuist bij de glijbaan.-
Ja, ik zie van alles.
Maar daar praat je gewoon niet altijd over toch?
Sommige zaken vallen nou eenmaal onder mijn beroepsgeheim.

De laatste keer

‘Je bent te triest voor woorden’.
Snel stopte Valentijn zijn mobiel weer in zijn zak.
Zijn vrouw keek demonstratief de andere kant op, naar het raam.

Zwijgend keek hij met haar mee hoe de regendruppels samen kleine riviertjes vormden en naar beneden stroomden, tot ze uiteindelijk via het raamkozijn op de grond zouden landen en weer daar zouden zijn waar ze ooit waren begonnen.
-Of geëindigd-.

Veel liever had hij nu thuis gezeten; bordje op schoot, DWDD, maar hij zat hier, in ‘de Krokodil’, waar ze sinds ze elkaar hier ontmoet hadden toen hij er in zijn studententijd werkte en zij daar een keer was komen eten, minstens al vijftig keer samen waren geweest.

Een grote witte plastic tas van de Hema die door de donkere lucht recht op hem af leek te waaien, deed hem opschrikken uit zijn gedachten.
Heel even bleef hij plakken in de hoek van het raam tot hij weer door de wind werd opgetild en verder werd geblazen, hoger en hoger de boom in, tot hij aan een tak bleef haken.
Op dat moment verscheen de ober met een grote karaf rode wijn.

‘Uw paraplu is gevallen meneer’.
Hij lag in zijn eigen plasje, de zwarte vleugels een klein beetje geopend, alsof het ding een dode raaf wilde imiteren.
Valentijn raapte hem op en zette hem nogmaals met de punt naar beneden in het hoekje achter zijn stoel.
Toen hij ermee klaar was zag hij dat de ober de menukaarten had neergelegd.

‘Zullen we ergens op proosten?’
Hij had het gevraagd terwijl zijn schouders het antwoord eigenlijk al gaven.
Ze rolde met haar ogen.
Het was ook nooit goed bij haar.
Wat wilde ze nou?
Hij was hier toch?
Dit wilde ze toch?
Hèt nog één keer proberen?
Hij nam een slokje.
De wijn smaakte een beetje wrang.
Wranger althans, dan hij het zich herinnerde.
Peinzend keek hij om zich heen terwijl hij zijn glas weer neer zette.
Er waren alleen maar stellen.
Pakken met stroppen en jurken met hakken.
Ròde jurken, ròde hakken, ròde lippen.
Hier en daar was zelfs subtiel een rood bh bandje zichtbaar.
Hij werd bijna onpasselijk van al dat rood.
Hij had ook gewoon een pilsje moeten nemen dacht hij, terwijl hij toekeek hoe zij haar glas in één keer leeg klokte.

‘jij nog wijn?’
Hij schudde zijn hoofd.
Ze haalde haar schouders op.
‘Dan niet’ betekende dat.

Terwijl ze voorovergebogen de menukaart bestudeerde die voor haar op tafel lag, keek hij naar haar.
Ze had haar nagels rood gelakt, hier en daar was ze kennelijk een beetje uitgeschoten.
-Zo moeilijk kon het toch niet zijn om een paar nagels netjes te lakken?-
Het was nu ook duidelijk te zien dat ze grijze uitgroei had; een uitgroei waarvan hij wist dat die de komende jaren niets elegants aan haar leeftijd zou toevoegen, zoals een paar enkele goed geplaatste diepe rimpels het gezicht van een wat oudere vrouw soms zo mooi konden sieren.
Nee, verre van dat.
Het leuke blonde staartje wat hij vroeger altijd zo had gevonden was inmiddels ook allang ingeruild voor het middelbaar kapsel.
In gedachten noemde hij het haar platte-kontenkapsel.
Het maakte hem woedend.
De kont, de nagels, het kapsel.
Zìj!

Ze had haar keuze gemaakt, zei ze.
Een maaltijdsalade!
-Alsof die ene salade haar zou helpen bij de strijd tegen haar overgewicht-.
Hij had nog niet eens op de kaart gekeken, maar een goede biefstuk leek hem wel wat, die waren hier heerlijk -vroeger wel tenminste- en dan eentje die nog lekker rood van binnen was om maar in de sfeer van de liefde te blijven.

Hij glimlachte om zijn eigen grapje.
‘Zit je me nou uit te lachen?’
Hij keek haar quasi verontschuldigend aan.
‘Sorry’.
Het woord leek nog minuten lang na te echoën.

Net toen hij besloot haar een beetje ter wille te zijn door haar te vragen of ze ‘er’ misschien over wilde praten, verscheen de ober alweer.
‘Het spijt me dat het even moest duren, het lijkt ieder jaar wel weer drukker’.
Ze hadden nog een zieke ook.
‘Zal je net zien’.

De ijzige stilte keerde na de korte onderbreking oorverdovend terug.
Moest hij soms haar hand pakken?
Praten?
Hij kon het niet.
Hij kon het echt niet.
Ze kon niet zeggen dat hij het niet had geprobeerd.

‘Mensen, een verrassing van de zaak’, riep de gerant vrolijk, terwijl een muzikant al bij het eerste tafeltje op een viool stond te spelen.
-Ook dat nog-.
In een reflex trok Vaal de strop van zijn das wat losser en maakte zijn bovenste knoopje los.
Het hielp niet veel.
Frisse lucht, dàt was wat hij nodig had.
‘Ik ga even naar het toilet’.
Het voelde warempel goed om haar daar zo miezerig alleen aan het kleine tafeltje in de hoek achter te laten.

Buiten stak hij een sigaret aan onder de luifel en keek op zijn mobiel.
Nog niets.
Ze was natuurlijk net klaar op kantoor.
Een grote regendruppel doofde zijn tweede sigaret voor hij nog maar half op was.

Toen hij weer binnen was zag hij dat zijn biefstuk al klaar stond op tafel.
Ze was al begonnen aan haar salade en had voor zichzelf weer wijn ingeschonken.
Er lag een roos naast haar glas, de donkerrode blaadjes waren al een beetje verlept.
Hij zei er niets over.
En zij ook niet.

Hun bestek tikte in dezelfde cadans op hun borden als de regendruppels tegen het raam.
Ze aten stilzwijgend.
Aan het tafeltje naast hen zat een verliefd jong stel.
Het contrast was schril.
‘Jij nog wijn?’
Hij schoof zijn glas een beetje naar voren.
‘Graag’.

Zij was klaar met eten.
De pitjes van de olijven lagen half afgekloven op het randje van haar bord, pal naast haar mes en vork.
Obers hadden daar een gruwelijke hekel aan.
Hoe vaak moest hij dat nou nog zeggen?
Was het nou zo’n grote moeite?
Hij zweeg.

Met het servetje veegde ze voorzichtig langs haar mond.
Boven haar lippen hadden de dunne lijntjes zich met het rood van haar lippenstift gevuld.
Het zag er goedkoop uit.
Weerzinwekkend zelfs, als hij heel eerlijk was.
Ook haar donkere oogmake-up was uitgelopen.
Hij had geen zin het haar duidelijk te maken, zoals vroeger, door heel subtiel naar zijn eigen ooghoekje te wijzen.
Had ze nou een knoopje van haar blouse extra open gedaan?
Ineens had hij geen trek meer.
Resoluut schoof hij zijn bord van zich af.

‘Wilt u onze dessertkaart zien?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Nee, brengt u de rekening maar’.
Als hij opschoot kon hij misschien nog heel even langs haar.
De ober nam de borden mee.

Terwijl zij de rest van de wijn in haar glas schonk zag hij hoe er een pitje van de rand rolde en midden in het looppad stil bleef liggen.
‘Ik ga nog even naar het toilet, oké?’
Bij het opstaan stootte ze tegen de tafel, waardoor zijn glas gevaarlijk heen en weer schommelde.
Hij was net op tijd.
Het hare was leeg.
Al wéér leeg.
Hij zag hoe ze bijna uitgleed over het pitje, ternauwernood kon ze haar evenwicht bewaren.
Vroeger had het hem niet zoveel kunnen schelen, maar nu schaamde hij zich diep toen zijn vrouw vervolgens tot twee keer toe mis greep naar de deurklink van het toilet.

Snel griste hij zijn mobiel uit zijn borstzak.
Gelukkig, een berichtje.
‘Zie ik je nog vanavond?’
Onder het bericht verscheen een foto van haar met rood getuite lippen, rood gelakte nagels, en rode stiletto’s.
Dàt, en natuurlijk het pikante zwarte setje wat hij vanmorgen nog had laten bezorgen, maakte dat er een wellustige glimlach zijn gezicht lag, toen hij zijn telefoon weer in zijn binnenzak liet glijden.

Hij had haar niet eens zien aankomen.
Opeens had ze achter hem gestaan.
‘Je bent echt te triest voor woorden!’
Toen hij zich omdraaide raakte haar vlakke hand hard zijn wang.
Het geroezemoes in de eetzaal verstomde. Alle hoofden draaiden nu in hun richting.
-God, wat walgde hij van haar-.
‘Kom, alsjeblieft geen scene nu’.
Behulpzaam hield hij haar jas voor haar op.
Als ze eerst maar hier weg waren.

Woest rukte ze de jas uit zijn handen en rende de straat op, dwars tegen de striemende regen in.
‘Sodemieter op Vaal.
Ga alsjeblieft naar haar!’

Dit was het dus.
Hier hield het op.
Hij zou naar háár gaan.
Definitief deze keer.

Voordat hij de hoek om liep keek hij nog eenmaal om, zodat hij nog net kon zien hoe een harde windvlaag de grote Hema-tas uit de tak van de boom rukte.
Eerst vloog hij wat doelloos in het rond, alsof hij zich even moest oriënteren, maar toen de wind even bedaarde dwarrelde hij neer en landde precies op de voorruit van de vrachtwagen die net door de bocht aan kwam rijden.

De chauffeur had de huilende vrouw die midden op straat liep onmogelijk nog kunnen ontwijken.

Te triest voor woorden, herhaalde Vaal.
Ze had gelijk.
Toen stak hij zijn paraplu op en vervolgde zijn weg.

-fictief, deze versie heb ik nog iets verder ingekort en opgestuurd naar de NRC debutantenschrijfwedstrijd die loopt tot en met 12 november-

Inez deel 8: storm op komst

Fictief

Het regende pijpenstelen. Was het een dikke week geleden in Maastricht nog prachtig zonnig nazomerweer geweest, vandaag had de herfst dan toch echt definitief zijn intrede gedaan. Inez zette de fluitketel op het gas en tikte net zo lang met haar nagel op het display van de thermostaat tot daar het cijfer 22 verscheen. De meiden waren al naar school. Kees had haar die ochtend verrast met een kopje thee en een beschuitje Oude Leidse. ‘Blijf jij nog maar even liggen schat’. Ze had het zich geen twee keer laten zeggen, en nadat ze zich nog even lekker had omgedraaid, was ze weer in slaap gevallen.
En nu was het elf uur.
De thee was inmiddels ijskoud.
Zo gaan die dingen.

Met een vers kop hete thee en een stuk overgebleven appeltaart van gister ging ze aan de tafel zitten. Buiten raasde de wind. De bruine bladeren werden omhoog geblazen en daalde langs de schutting weer maar beneden. Er had zich al een heel hoopje verzameld. Code oranje was er voorspeld voor het eind van de middag. Als Kees de meiden nou maar op het hart had gedrukt goed uit te kijken als ze op hun fietsen weer naar huis zouden komen.
Ze zou ze straks wel even een Whatsapje sturen. Het mocht wel niet van school, maar nood breekt wet, vond Ien.
Kees was natuurlijk met de auto. Ze moest straks zelf maar de tram nemen naar de Appie. Getver. Ze had helemaal geen zin om eruit te gaan. En al helemaal niet om die stomme boodschappen te doen. Altijd dat zelfde gezeur met dat eten. Nou ja. Misschien kon ze hachee maken. Met rode kool en oma’s appelmoes uit een potje. Daar was het echt weer voor, en Kees en de meiden waren er gek op. Dat was dan in ieder geval wat.
Terwijl ze bezig was de rest van de boodschappen op te schrijven floot haar mobiel een schel deuntje. Dat was lang geleden zeg, dat ze dat irritante toontje had gehoord. Wie gebruikte er tegenwoordig nou nog de sms?
Ien las het berichtje.
‘Ben in de stad, tijd voor koffie? G.’
Zjiesus, wat moest ze daar nou weer mee? Hij liet het er niet bij zitten zeg.
Zou ze gaan?
Gewoon, gezellig.
De meiden hoefde ze nog lang niet te verwachten.
En als ze zich niet vergistte had ze ook nog vier kant en klaar gebraden ballen gehakt in de vriezer. Aten ze morgen wel hachee.
Ze twijfelde.
Gezellig was het misschien wel.
Een beetje spannend ook.
Maar ja?
Was het niet domweg stom, net nu de rust tussen haar en Kees weer een beetje was teruggekeerd?
Niet dat het helemaal weer koek en ei was, maar de sfeer was er wel op vooruit gegaan sinds hij tegenwoordig wat vaker bij het avondeten aanwezig was en duidelijk zijn best deed haar ervan te overtuigen dat er echt geen ander was. En nooit was geweest ook.
Echt geloven deed ze het niet. Ze wilde wel, maar het lukte haar gewoon niet.
En nu dus dat berichtje van George.

Ien stond op om Sukkel binnen te laten. Ze wreef de zeiknatte kater zo goed en zo kwaad als ze kon droog met een oude handdoek. Hij liet het gelaten toe. Net toen ze de vieze lor in de wasmachine had gestopt ging haar telefoon. Het was Linda.
Kwam dat even uit, ze had haar net zelf willen bellen.
Ja, Lin zou het haar wel uit haar hoofd praten om koffie te gaan drinken met die zelfverzekerde sleetse schrijver!

‘Hai Lin, alles oké? Wat denk je?’
Aan de andere kant bleef het eerst nog even stil. Toen hoorde Ien het zachte gesnif. ‘Hey lievie? Wat is dat nou? Wat is er?’
Ze ging er maar even bij zitten. Dit kon wel even gaan duren begreep ze. Sukkel sprong gelijk op haar schoot, lekker warm natuurlijk.
‘O Ien, ik heb het gedaan!’
Het kwam er met horten uit.
Veel wijzer kon ze er nog niet van worden.
‘Wat dan Lin, vertel, wat heb je gedaan?’
Op de achtergrond hoorde ze hoe haar vriendin zich probeerde te vermannen.
-God, wat had ze zin in een sigaret nu, als ze er eentje had gehad had ze zeker weten voor de bijl gegaan-
De kat draaide zich net lekker in het holletje van haar arm en vergat daarbij zijn scherpe nagels in te trekken toen
het hoge woord er eindelijk uit kwam.
‘Ik heb hem geaccepteerd Ien.
Ik heb de flat geaccepteerd!’

Wordt vervolgd.
Zie voor delen 1t/m7 categorie ‘Inez’.
En voor Linda’s verhalen de WE300 van september ‘Renoveren’ en oktober ‘Kwaliteit’.