Vrijdag visdag

Nadat ik een uur op weinig af had rondgedoold door de Bieb, bijna niets zaligers dan dàt, en vervolgens mijn boodschappen op het gemak had gedaan besloot ik weer eens een visje te halen.

De rij bij de visboer was lang. Vroeg wijs geworden bij de tandarts in de jaren zeventig riep ik in het wilde weg: ‘Achter wie ben ik?’
Twee meiden zwaaiden me toe vanachter uit de zaak: ‘Na ons’. Ik had nog even zo te zien.

Het was natuurlijk vrijdag.
Vìsdag voor ‘den katholieke mensch’. 
Nu werd dat bij ons thuis vroeger niet zo strikt nagevolgd, hoewel mijn vader toch wel vaak op vrijdag tussen de middag een paar lekkerbekjes en wat kibbelingetjes speciaal voor Kylian  kocht bij Hildering. Meestal ging Kyl dan mee, en brachten ze eerst een visje naar ‘ouwe oma’, de moeder van mijn vader, die destijds op de Marktstraat woonde. Ik zie ze nog zo gaan  samen op de fiets: mijn vader met zijn oranje fleecevest en zijn blauwe pet, en Kyl, ook met blauwe pet en oranje fleecevest in het zitje voorop.

De haring was in de aanbieding vandaag zag ik: Drie voor 5 euro. De uitjes en het zuur mochten apart herhaalde de visvrouw  tot in den treuren, maar toch zat de angst er bij de klanten kennelijk goed in dat ze het hele zootje bij elkaar in een zakje zou pleuren.
Mijn moeder was altijd gek op haring geweest. Net als haar hele familie overigens. Maar nog gekker waren ze op paling.
Palinkies, Jonkies, en Brandewijntjes.
-Ik heb het allemaal niet van een vreemd, en ook veel van mijn neven en nichten zijn erfelijk belast. Wij kunnen er echt niets aan doen hoor mensen-.

Ik was inmiddels aan de beurt om mijn enkele harinkie te bestellen, -wat moest ik er nou met drie? Kyl en Rem blieven ze niet zo- maar een meneer meende dat hij eerder aan de beurt was, wat mij de tijd gaf nog even verder te mijmeren terwijl de makrelen enigszins verbolgen over hun plotselinge einde naar de TL verlichting staarden. Mijn vader had altijd graag gevist. In de polder. In zee. In de sloot vlak bij ons huis. Mijn kat Porky zat dan naast hem aan de ene, en een reiger aan de andere kant. Op het laatst was Porrek zo oud en versleten dat hij haar het stoepje op en af moest tillen. En maar kletsen tegen hem: ‘Mjah’. Voorntjes ving hij veel geloof ik, en een enkele keer een brasem. In de crisisjaren ’80 had mijn vader zelfs voor de katten gevist om wat te bezuinigen. Mam kookte ze dan met oud wit brood tot een papje, maar niet nadat mijn vader ze eerst zorgvuldig had schoongemaakt. 
In Spanje had hij ook vaak gevist. In de zee bij Carihuela met wat Spaanse vrienden, ter hoogte van Pedro of Michael.
-Hij kan er nu voor altijd en eeuwig vissen-. 

Nu was ik echt aan de beurt.
Ik besloot er spontaan een portie kibbeling bij te nemen om nog wat tijd te rekken.
Kibbeling voor mijn grote kind dat nog op bed lag, toen ik vertrok, moe van zijn avonddienst in het restaurant.

Een vergeten zakje lag ongemakkelijk op de toonbank te wachten totdat iemand het zag.  
Niemand wist hoe of wat.
Harinkjes waren het. Twee. 
We concludeerden eensgezind dat er vast wel iemand voor terug zou komen. -Niets immers zo vervelend als wanneer ze de ‘pindasaus’ vergeten zijn- Ze zette het zakje -met de uitjes apart- in de koeling. 

Ik wilde eigenlijk wel weg toen een meneer vervelend begon te zeuren.
Of er dille in de ravigottesaus zat. Nee, het was niet eens dille, hij bedoelde een ander kruid waarvan niemand heden ten dagen nog enig benul heeft waarin je het kan strooien. Of hoe het er überhaupt uit zou moeten zien. 
In geen enkel sausje zat het. 
Na lang wikken en wegen koos hij voor de coctailsaus, wat natuurlijk een volstrekt verkeerde keuze was,  als u het mij vraagt.

Daar kwam mijn zakje aan. Ik had al betaald. ‘Vijfeurotien’.
Een prettig weekend kreeg ik op de koop toe.

Toen ik  onze straat inreed bedacht ik me dat ik nog steeds niet bij oude buurvrouw K. was langs geweest sinds mijn collecte voor het Reumafonds. Ze heeft het niet zo makkelijk, ook financieel niet meer.
Volgende week dan maar.

Ècht. 

En mèt twee harinkjes;-)

image

Advertenties

De laatste zomerdag

Vrijdag 3 oktober

IMG_5108.JPG
Als ik naar buiten kijk zie ik nog net hoe het laatste vleugje vroege oktobermist wordt verdreven door de eerste zachte stralen van de zon, waardoor de kleuren van de Hortensia’s nog mooier, warmer en dieper van kleur lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Op het bankje staan acht potjes met heideplantjes te wachten op een plekje in de bakken. Ze mogen straks naar voren, aan de gevel.
Het is negen uur.
De zomer is allang voorbij.

Ik bel mam en vertel dat haar zusje A. is opgenomen. (Mijn lieve tante met alvleesklierkanker). Gisteravond laat kreeg ik het bericht van mijn neef. Hopelijk komt ze er met een infuus en sondevoeding snel weer een beetje bovenop.

IMG_5110.JPG
Even voor tienen rijd ik over de Provinciale weg naar de fysio. Het is druk. Stapvoets rijd ik langs het Guisveld, onderwijl luister ik naar Peter Heerschop. ‘Lieve Marianne’. Met zijn laatste 10 zinnen weet hij me knetterhard te raken.

Nadat M. mijn rug heeft behandeld ga ik toch nog even langs bij mijn moeder om even te kijken hoe het gaat. Kan ik gelijk even de voortuin vegen.

Als ik thuis kom eet ik snel een broodje, trek ik een korte broek aan en ga ik in onze eigen tuin aan de slag. De thermometer bij de schuur wijst 24 graden aan. De Hedera moet weer geknipt en de Rambler roos in de middencirkel moet ook nodig worden gesnoeid. Ik laat alleen de dikste stammen zitten, zodat er een half uur later een hele berg met stekelige takken in de hele middencirkel ligt.

IMG_5118.JPG
Als ik even pauzeer bel ik Joyce. Even bijkletsen. Ze verteld dat zij de tiende weer naar het ziekenhuis mag om de klieren die als grote bobbels aan de zijkant van haar nek uitsteken weg te laten halen. Als ze iemand over zouden moeten bakken is het Joyce.
Het is allemaal zo oneerlijk.
Ik denk aan mijn tante, aan mam, aan de moeder van mijn ene blogmaatje, de vriendin van een andere.
Het is precies zoals Peter Heerschop vanmorgen zei.

Kwart over vier pik ik mam op voor het eten. ‘We hoeven niet langs de begraafplaats hoor Nar, ik ga morgen zelf wel’.
Lang leve de scoot!

Rem is vroeg. Als het zonnetje uit de tuin verdwenen is maakt hij een vuurtje in de middencirkel.
Het is windstil.
Best behaaglijk nog.
Vandaag laten we de rijst lekker voor wat ‘ie is, en eten we toastjes met een tomatensoepje bij het vuur.
‘En? Is dokter nog geweest mam?’
Dat was hij.
‘En….?’
‘Op zijn motor. Hij had zijn mouwen van zijn overhemd helemaal opgerold. Levensgevaarlijk!’.
Zo zo.
Die Dr. Spruitje is ‘Living on the Edge’.
‘De wond zag er trouwens keurig uit, zei hij. En ik heb ook gelijk mijn medicijnen met hem doorgenomen’.
Kijk, dat is fijn.

Om half acht breng ik mam weer naar huis.
Ze is moe.
Rem zit nog lekker bij het vuur als ik terug kom.
Hij gooit er nog een paar blokken bij.
‘Of wou je liever naar binnen?’

IMG_5126.JPG
Samen staren we een beetje in stilte in de vlammetjes.
Wat een prachtige dag.
Zomaar gewoon een zomerse dag.
Zomaar zo’n dag die voelt als een mooi cadeautje.
Ja.
Een dag om elkaar goed vast te houden.

Precies zoals Peter al zei.

Geluksmomentjes op FB

Een oud collega was uitgenodigd om drie dagen lang iedere dag over drie geluksmomentjes op FB te schrijven.
Daarna mocht ze drie gelukkigen vragen hetzelfde te doen. – wat natuurlijk niet betekent dat je dat alleen op verzoek zou mogen doen, integendeel.
Je voelt hem vast al aankomen, dit waren vandaag drie van mijn geluksmomentjes:

1. Lekker in de tuin, pais ende vree. Soms klopt alles, zelfs gewoon de hoeveelheid mayonaise op je broodje gezond.

2. Gezellig gepraat met mijn tante op verjaardag van zoon van mijn neef. Zoveel respect voor haar.

3: Ondanks de irritaties om het achterlijke commentaar bij de wedstrijd hebben we gewonnen. Yee-haa!
Tranen in mijn ogen bij de mooie woorden van Kuyt. Toeval bestaat inderdaad niet!
Wat een wereldspeler. Respect. En wat dacht je van de blijdschap van Huntelaar.
Gewoon lekker genieten toch?!
-Zou het dan toch nog een keer als ’88 mogen zijn?-

Onder een kacheltje en een dikke laag schuim

Woensdag
‘Goedemorgen, u spreekt met mevrouw W. Ik bel u even naar aanleiding van uw bericht over Sinthia. Wij vinden uw klacht terecht en daarom mag u voor het volledige aankoopbedrag een andere koffiemachine uitzoeken’.

Donderdag.
Hemelvaartsdag.
Het is koud.
Te koud voor de boot.
Te koud voor de motor
Te koud voor de tuin.
Het wordt de stad.
Wij hebben koffie nodig.
En Kyl een nieuwe oplader.
‘Twee weken geleden had ik er ook al 1 voor je gekocht?’
Was echt een koopje.
Op het plein.
5 euro maar.
‘Die stond gister in de fik mam!’

Vrijdag.
Terwijl Rem en ik naar het werk zijn speelt Kylian thuis voor magazijnchefje.
Hij heeft de dubieuze eer
Sinthia uit te mogen zwaaien.
We mogen haar uiteindelijk inruilen voor twee nieuwe grijze rolgordijnen, een ‘Krubs Les-presso’ apparaat + 100 euro aan gratis koffiecups, een spijkerbroek, twee kamelen poloshirts voor Rem en een t- shirtje voor mij.

Als ik ’s avonds thuis kom staat mijn verjaardagscadeautje al pontificaal midden in de woonkamer.
Het is een klein fijn zwart hoek lounge-setje.
Samen met Rem zet ik het op de veranda.
Wat een mooi cadeau.

Rem doet gezellig het kacheltje aan. Ik de kaarsjes en de olielampjes. Het was er al heerlijk, maar nu voel ik me helemaal de koning te rijk. Uit pure euforie klokken we binnen no time een fles rosé en een half krat pils naar binnen.
Spook en Bram komen er ook gezellig bij.
Innig tevreden kijkt Spook met toegeknepen oogjes van mij naar het kacheltje.
Hij kwijlt er zelfs van.
Om twaalf uur word ik gekust.

Zaterdag.
Gelukkig hebben we ook sterke varianten cups gekocht in de ‘Bij’.
De melkopschuimer werkt fantastisch. En zo makkelijk schoon te maken.
Verbluffend gewoonweg.
Ik bevind mij zaterdagmorgen afwisselend achter de Krubs, of achter de dikke laag melkschuim op mijn ‘lattes’ op mijn nieuwe zwarte loungebankje dat inmiddels natuurlijk al wit ziet van de kattenharen#Gelukkig hebben we de foto’s nog;-)

Zaterdagmiddag komen mam -je bent morgen toch eigenlijk pas jarig?-, mijn schoonouders -Je was gister toch eigenlijk jarig?- en mijn schoonzus en zwager om nectar feliciteren.
’46 toch? ‘
’48?’
Rustig, maar wel gezellig.
-Hoewel rustig?-

Zondag.
‘Motor rijden?’
Rond twaalf uur vertrekken we.
Het is prachtig weer om te rijden. Krommeniedijk, Uitgeest, Limmen. In Egmond binnen komen we een leuk restaurant tegen: http://www.nieuwwestert.nl/
Wat een leuk origineel terras. Zo gezellig, lange tafels beschut tegen de wind door hooibalen, leuke hoekjes her en der op het erf. En wat was de bediening vlot en aardig, en wat waren de broodjes lekker.
Ja, hier komen we zeker nog eens terug.

Na de lunch rijden we verder tussen de bloemenvelden en duinen door. Zilverkaarsen in lange rijen, bloeiende zuring, gele, blauwe en rode veldbloemen sieren de bermen. We passeren prachtige huizen met dito tuinen. Dit is zo heerlijk. Gewoon, het geluid van de motor, de zon, de wind, Rem en ik, met de kleppen dicht en de ogen open.
Zal het er misschien nog eens inzitten?
Een weekje weg met de motor?
Schotland of zo?

In Egmond drinken we nog wat op een strandterrasje.
Daarna keren we huiswaarts.
Gewoon, lekker even niets, in de tuin. Bink naar buiten, kippen een koekje, en langzamerhand de bbq maar eens aansteken.
Gewoon simpel.
Sla.
Fruit.
Gepofte aardappel, sateetjes en een stokbroodje met zelfgemaakte knoflookboter.
Een mooi wit gedekte tafel.
Blinkend bestek.
En een tweede glas rosé.
-Niet te warm-
Een witte waterval van rozen met piepkleine gele hartjes.
Buren geklonk.
Zachtjes.
Dan weer wat harder.
Gelach.
Een gitaar in de verte.
-maar behaaglijk-
Stemmen.
Wat getok en
een miauw.

Soms is alles gewoon even zoals je het bedoelt.
Dat is denk ik wat geluk betekent.
Voor mij althans.

Maandagmorgen.
Zes uur.
De melk is op.
K#T!

20140603-003320.jpg

20140603-003403.jpg

20140603-003422.jpg

20140603-003444.jpg

20140603-003458.jpg

20140603-003511.jpg

Kamperen in de jaren ’70 deel 3: De boerderij

Zoals ik al zei: onze wereld werd groter en groter daar op die oude boomgaard, tot we op het laatst zelfs alleen bij het kanaal mochten spelen. Op een dag vonden we tussen de grijze met algen bedekte stenen het lijkje van een kat. Het was al half vergaan.

Aan dat kanaal stond de boerderij van Ellie en Gerda. Twee zusjes van onze leeftijd. Nou ja, Ellie was een jaartje ouder dan zus. Van mijn zesde tot mijn tiende, elfde jaar waren het onze vriendinnetjes. Meestal speelden we op de boerderij.
Het was geen grote boerderij. Gewoon, een stuk of zes koeien, een hengst en een merry, kippen, een haan en twee lapjeskatten: Gosé en José van wie wij later de kittens kregen. (En ja: de kater was echt een lap!)

Je bereikte de boerderij door vanaf de dijk de oprit schuin naar beneden te nemen. De boerderij lag dan aan je linkerhand.
Aan de voorkant was een bloementuin. Ik kan me niet herinneren dat ik iemand de voordeur ooit heb zien gebruiken. Aan de achterzijde lag, net als de oprit, grit, split en kleine kiezels. Er liepen kippen en een haan. Vaak genoeg ook kuikens.
Op zaterdag werd er ’s morgens een kip geslacht. Gewoon, in het schuurtje. Deurtje dicht en wie zich het eerst liet vangen was de lul.
Met lunch aten we dan kippensoep aan de grote tafel
-met zeil-in de keuken. ‘Jai ken nog wel wat groeien maidje!’
En als toetje vla die ze met de likker tot op de bodem uit de fles likte. Moeder Jonk was een grote vrouw met lang middenblond haar dat ze in een staart gebonden had. Ze was altijd relaxt. Alles kon. Tot zoverre.

Achter het erf lag het weiland waar de paarden en de koeien stonden. Vaak lagen wij er in het gras madeliefjes te rijgen of naar de wolken staren terwijl de soep en de vla wat zakte. Links van de achterdeur was de nieuwe stal en daarachter nog een veld waar wij onze gang mochten gaan. Het grensde aan een klein slootje barstens vol kroos waar wij soep van brouwden. Ja, dat konden we wel.
Ook in shampoo van fluitenkruid waren we onovertrefbaar. En wat dacht je van onze rozenblaadjes parfum?

Het waren zomers zonder einde. Tijdens de vakantie waren we er zes weken lang, van ‘s’ morgens vroeg tot etenstijd, en vaak daarna ook vaak nog even. We waren gelukkig graag geziene gasten. Ellie’s fantasie deed geenszins onder voor die van zus. Sterker: zij was de aanvoerder. Degene met de briljante ideeën. ‘Kom, we gaan een hut bouwen – in de boom, -in de stal, -op de hooizolder’.
Wij waren overal voor in. Naast hutten bouwen roeiden we ook vaak op het kanaal. Of we zwommen er in. Een doodenkele keer liepen we naar het buiten zwembad in Oudkarspel, maar op de een of andere manier leken ze buiten het erf van de boerderij nooit op hun plaats. Ellie had lang donkerrood haar. Ik was dol op haar. Kon zus me nog wel eens afkatten, Ellie had altijd massa’s geduld en begrip.
Ze was al heel wijs in mijn ogen. Gerda en ik wedijverden om guitigheid: twee kleine staartjes, minirokjes/jurkjes, ondeugende blauwe ogen en massa’s sproeten.
Naast de zusjes was er ook een broer. Henk. Ook rood met sproeten.
Verder liep er vaak een knecht rond, Adrie. Het was de zoon van de buurman.

Hoewel Henk, Adrie en boer Jonk natuurlijk keihard werkten, werd er toch ook wel tijd gemaakt voor ons na het hooien of rooien of wat dan ook. Ik kan me herinneren dat ze eens de oude auto die op het erf tussen de andere landwerktuigen stond te roesten achter de tractor vastmaakten. Ellie sturen natuurlijk. Geweldig.
Soms paardrijden. Mocht ik voorop bij de boer. ‘Hou zijn manen maar goed vast maidje’.
Of de jongens namen ons mee varen in de grote stalen sloep.
Op een dag hadden Adrie en Henk twee oude legertenten gevonden die ze voor ons opzetten in de zijtuin. Als we daarin geslapen hebben had ik me dat zeker wel herinnert.
Er was altijd wel wat te doen.

Natuurlijk regende het ook wel eens. Hoewel er toch genoeg kamers waren, deelden Ellie en Gerda een stapelbed. Hun kamertje was helemaal niet leuk. Het waren gewoon kale witte muren zonder behang.
Tegels op de vloer.
Geen leuke dekbedden.
Nee. Niets leuks aan.
Vaker waren we in het tv kamertje. Daar speelden we met de kittens van Gosé en José toen ze eindelijk van de hooizolder af mochten.
En op zaterdag keken we er Zorro op de oude zwart-wit tv. Samen met Adrie en Henk op de afgetrapte bank en fauteuil die daar lukraak een plaats gevonden hadden.
Verder deden we op regenachtige dagen ook wel mee met de activiteiten op de camping hoor. Figuurzagen, bingo, er werd genoeg georganiseerd. Zelfs een playbackshow. Van grote kartonnen dozen knipten we gitaren: Bay City Rollers!
Maar liever waren we buiten.
Gewoon. Beetje moerentergen.

Ik had al eerder een blog over de boerderij geschreven. Mindfulness. Van dat woord hadden we nog nooit gehoord.
Niemand volgens mij.
Ik geloof niet dat ik ooit ergens meer Mindfulness ben geweest als daar, op die oude boerderij in die mooie jaren in mijn jeugd.

De boel…

Ik heb een pesthumeur.
En een buikgevoel.
Ken je dat?
Ik kan mijn vinger er niet opleggen, maar toch heeft het zich langzamerhand geworteld, diep daar binnenin mijn lijf.

Ik heb veel zin om weg te gaan.
Gewoon.
Emigreren.
De boel de boel.
Zoek het allemaal maar lekker even uit.
Frankrijk of zo.
Boerderijtje.
Of misschien
zo’n kek wijnkasteeltje a la Ylja Gort.
Whatever.

Bram en Spook nemen we gewoon mee.
Haan Lummel ook.
En Liek en Lotte mogen dan met Binkie een rondje op ons zwijntje door de keuken rijden terwijl ik dan met mijn blote voeten onze druiven sta te stampen. Gewoon gezellig, rok omhoog, in een oude ton op onze binnenplaats.

Voor Kyl kopen we gewoon een knus toprestaurantje daar onder aan de berg.
Of hij sommeliert wat door de haarspeldbochten voor de leut.

Rijen olijfolie heb ik staan
Vers van de pers. De eerste.
En brood -uit eigen oven-met
knoflook trossen en verse worsten aan oude balken.
Laat ik vooral mijn roodgeblokte kleedje niet vergeten en de rieten stoeltjes voor de veranda.
Misschien een cd van Michel Fugain.

En mijn hangmat, -ach het zwembad komt daarna wel weer- misschien eerst maar wat moestuinieren.
Pastis leren drinken en truffels op gaan graven.
Een Deux-jevauxtje op de kop gaan tikken.
Mijn coq au vin perfectioneren.
En zomaar wat lavendel knippen in de avondzon.

———–

Hoe lang
HOE lang ben je eigenlijk dood?

————

Septembergelukkig

We waren het niet van plan.

Een waterig zonnetje scheen
zodat ik de verleiding niet kon weerstaan
mij nog even in mijn hangmat te vleien
spontaan.

Poes op mijn buik
Een kus op haar neus
Een beet in de mijne
En spinnen
die spinnen

tot het eerste gouden blad
ons deed herinneren
aan de tijd

waren we
eenvoudig
septembergelukkig.

We waren het niet van plan.

——————————————–

Geschreven Dubbele buurt Wormerveer, september 1993

Spaghetti speciaal

Als ik dan toch spaghetti moest halen kon ik net zo goed wel even snel een rondje Krommeniedijk ‘doen’.
Nog tijd zat voor mijn avonddienst.

Als ik dan toch al bij de molen ‘de Woudaap’ was kon ik net zo goed een ‘rondje Stierop’ fietsen.

Als ik dan toch al dat moois voorbij zag komen kon ik net zo goed even ‘een plaatje schieten’.
Nou ja, en dan kon ik er misschien ook wel een leuke zomerse fiets rapportage van maken.

Tja, en als ik dan toch stil stond kon ik net zo goed even dat paardje aaien.
De koe moed inspreken, dat bloemetje plukken en
een praatje maken met die twee knappe mannen die me nu al voor de derde keer inhalen…

Ze vertellen dat ik echt geen toeriste ben
van de camping verderop.
En hun hond een aai geven
die net uit een moddersloot komt….

Als ik dan toch bezig ben met
het fotograferen van andijvie
kan ik net zo goed die courgette kopen
en die komkommer
vooruit ook de andijvie
die we gister al aten (shoarma)
en eergisteren (stamppot).

En
Als ik dan toch bezig ben kan ik gelijk wel even hier zeggen dat zo blij ben dat Rem
begrijpt dat andijvie 1000 x beter smaakt dan spaghetti
vandaag.

En dat ik morgen spaghetti maak.
Spaghetti
Speciaal
voor hem.

( foto’s staan in omgekeerde volgorde)

20130905-141051.jpg

20130905-141116.jpg

20130905-141125.jpg

20130905-141133.jpg

20130905-141140.jpg

20130905-141151.jpg

20130905-141201.jpg

20130905-141214.jpg

20130905-141221.jpg

20130905-141235.jpg

20130905-141243.jpg

20130905-141251.jpg

20130905-141305.jpg

20130905-141312.jpg

20130905-141320.jpg

20130905-141328.jpg

20130905-141338.jpg

20130905-141346.jpg

20130905-141352.jpg

20130905-141400.jpg

20130905-141412.jpg

20130905-141421.jpg

20130905-141428.jpg

20130905-141438.jpg

20130905-141449.jpg

20130905-141457.jpg

20130905-141508.jpg

20130905-141519.jpg

20130905-141528.jpg

20130905-141544.jpg

20130905-141551.jpg

Over Leven

Vakantie
Mijn vakantie is begonnen zonder het veelbelovende uitroepteken dit jaar.
Neef Aelon (15) – de zoon van mijn zus die bij zijn vader woont in Groningen- is al een paar daagjes hier.
Kylian werkt een paar vakantie uurtjes bij de AH, en mag binnenkort een keer proefdraaien bij een Grand Café hier in het dorp.
Rem morgen nog een dagje truckeren en daarna mag zijn rechterarm echt ook in het zonnetje…

Het lijkt alsof het leven hier gezapig voort kabbelt.
Alsof het allemaal klopt.
De Schone Schijn van
‘Vive la vie!’

Mooi niet.
Sinds afgelopen dinsdag heeft mijn vader een kwaadaardig gezwel.
Nou ja, dat zat er al veel langer natuurlijk.
Hem kennende vast al ‘heul veul’ langer.
Ik weet het pas sinds 2 juni.
‘Nadda, kan jij 15 juni met mij mee naar de internist?’

En dan valt alles op zijn plekje.
Zijn haast altijd om hier weg te komen.
De reden waarom hij nergens meer heen wilde.
Arme pap.
Waarom heeft hij me nou toch niets verteld?

‘Ik heb slecht nieuws voor u meneer’, begon de internist.
‘O?’ antwoordde mijn vader.
‘U heeft een Tumor.’
Ze sprak de woorden luid en duidelijk terwijl ze erbij naar voren boog en mijn vader strak aan bleef kijken.
‘O?’ zei mij vader weer.
‘Ja’ beaamde de internist.
‘En nu?’ vroeg mijn vader.
Mijn moeder zweeg en keek met haar handen nerveus friemelend op haar schoot strak voor zich uit tijdens het verdere gesprek dat er voornamelijk uit bestond dat ik alle vragen stelde waarvan ik ook maar het donkerblauwe vermoeden had dat ze dat zouden wilden weten.
Een Deja-vu gevoel overviel me.
Zus. Vijf jaar terug.

‘Maar is het nou goedaardig of kwaadaardig dokter?’ vroeg mijn moeder toen we al bijna afscheid namen.
De dokter nam de tijd.
Ik kneep in haar hand.

Na het gesprek bracht ik ze buiten naar het terras.
Mijn moeder was wel toe aan een sigaret.
Mijn vader aan koffie.
Daarna maakte ik de afspraken.
Zo snel mogelijk.

En dus nu midden in een traject van onderzoeken. De foto’s en de CT- scan zijn gemaakt, aanstaande woensdag een MRI.
Dinsdag 30 juli de uitslagen.
Gesprekken met de jongens.
Gesprekken met mam.
Pap maait het gras.
‘Eet je wel iets mam, zorg eerst voor jezelf hè, dan pas kun je voor pap zorgen’.
Ik schat haar nu op 43 kilo. Ik hoop op 45 kilo.
‘Kind met mij gaat alles goed hoor’.
Tuurlijk mam, dat zie ik.
Aelon durft haar niet eens meer te knuffelen, bang dat hij is dat hij haar breekt.
‘Pap is al vijf kilo afgevallen sinds maart’, verteld ze.
Dit is allemaal zo niet goed.

Maar het kan altijd erger natuurlijk:
Een hele lieve man die ik ken is gisteravond overleden tijdens het badminton.
Ik hoorde het een paar minuten voordat mijn vakantie begon.
Volgens mijn weten is hij nog geen vijftig worden.
Met een intens gevoel van onbegrip en onrechtvaardigheid zat ik in de bus op weg naar het CS.
Een vriendin belde.
Ik had het al gehoord ja.

Ik vertelde het in de wachtkamer bij de radiologie tegen mijn ouders.
Ik weet niet waarom.
-Omdat het altijd erger kan?-
Schijnbaar tussen neus en lippen door, terwijl we op een rijtje gezeten keken naar jonge gezonde mannen die met hun bruine gespierde benen een berg op fietsten alsof het niets was.
‘We moeten nog iets organiseren Nadda, voor als we in april vijftig jaar getrouwd zijn’, antwoordde mijn vader.

‘Opa gaat echt nog lang niet dood hoor!’ zei Kyl later tijdens het eten.
‘Dat zegt hij zelf’.
Aelon zag het wat realistischer.
‘Nou, hij is best al oud’.
‘Beter maken gaat denk ik niet meer, maar mooie herinneringen maken kunnen jullie nog wel!’

Ik heb boeken gehaald bij de Bieb.
Over keuzes, ervaringsverhalen, over mogelijkheden.
‘Pap, als je wat informatie wilt dan zorg ik daarvoor hè?!
Dat weet je toch?’
Liever nog niet.
Ook niet voor mam nee.
‘Ach kind, daar word ik alleen maar zenuwachtig van’.

Dus ik lees me nu een slag in de rondte.
Omdat ik weet dat ze dat zelf nooit gaan doen.
Omdat ik denk dat ze het aan mij zullen vragen.

Verder fiets ik natuurlijk trouw mijn rondjes.
Met wat water in mijn mandje
en een liedje
in mijn hoofd.
Steeds hetzelfde liedje
met de volgende tekst:
(van Paul van Vliet)


Moet je hard zijn om te overleven
Tot de tanden toe bewapend voor je eigen veiligheid
Moet je sluw zijn om te overleven
Voor als het zover is, op het ergste voorbereid
Niemand meer vertrouwen
Altijd afstand houen
En overal op je hoede
Met dat ernstige vermoeden
Dat iedere belofte wordt gebroken met de tijd

Moet je hard zijn om te overleven
Knokken voor jezelf en alleen voor jouw belang
Zorgen dat je je nooit bloot zal geven
Je lach onder controle je huilen in bedwang
Naar voren ellebogen
Kleppen voor je ogen
Nergens zwakke plekken
Honden, hoge hekken
En geloof en hoop en liefde achter het behang

We weten dat het allemaal kan kantelen
Naar die blijde boodschap van vrede en veiligheid
Naar het wonder van ontwapenen en ontmantelen
In die betere wereld van ‘eenmaal komt de tijd’
Dat de liefde het zal winnen
Als we morgen maar beginnen
En dat wij op vertrouwen
Ook een toekomst kunnen bouwen
We weten het nog wel, maar het geloof dat zijn we kwijt

Want je moet hard zijn om te overleven
Onverschillig voor de wanhoop, onkwetsbaar voor verdriet
Met geen ander doel om naar te streven
Dan ieder voor zichzelf, verschanst op zijn gebied
Met niemand iets te maken
Koel berekenend schaken
Op kansen blijven loeren
Om de anderen te vloeren
Ja
Dan zal je overleven
Maar leven is dat niet’

En dan kom ik onderstaand tafereeltje (foto) tegen tijdens het fietsen:
‘Gratis koffie thee, of frisdrank.
Zelfbediening.
Tast toe.
Op is op.
Pak maar!
Gratis!’

Ik zoek argwanend naar een fooienpot.
Maar zie er geen.

Zo kan het ook.
En Zo wil ik leven.

20130720-014233.jpg

Twee dagen later, op zondag, hoorde ik dat een neef van mij, even oud- we schelen een paar dagen- op de vrijdag dat ik dit mooie tafereeltje op de foto zette, is overleden aan een hartstilstand.
Mijn tante, van wie ik onlangs al afscheid heb genomen – ze is in het laatste stadium van borstkanker- trok aan de bel toen hij zondag maar niet kwam….

Tijdelijk even tijdloos

Voor 5 april jl. werkte ik 32 uur per week, 24-7
Tel daar 9 uur reistijd per week bij op, en je begrijpt misschien dat ik weinig zin (en puf) had om mijn vrije uurtjes te besteden aan klusjes die toch een keer gedaan moesten worden: keukenkastjes soppen, vastgekoekte vogelpoepjes van de ramen krabben, de geveltuin fatsoeneren, of – doe ‘es gek: strijken.

Sinds 5 april ben ik ziek thuis en heb ik tijd.
Veel tijd.
Dat is raar.
Als je het jaren gedaan hebt met drie weken zomervakantie en een enkele week tussendoor.
Waarin ik dan altijd die kastjes, poepjes en strijk direct op dag 1 de mond snoerde.

Maar de poepjes moeten wachten. De geveltuin ook.
De keukenkastjes zijn tot verboden gebied verklaard, en de strijk heb ik zonder pardon de mond gesnoerd onder een zware sporttas en een slaapzak.

Dus:
Ineens is er tijd om maar eens al mijn schrijfseltjes samen te voegen op 1
plekje.
Tijd om de folders door te nemen, in plaats van weg te gooien.
Of bijvoorbeeld een ‘Nee-Nee’ sticker te bestellen voor op de brievenbus.

Tijd om eens een receptje van een ander te proberen.
En om die overschrijving naar de apotheek om de hoek eindelijk eens te regelen.
Tijd voor een kopje koffie bij een zieke tante.
Tijd om niets anders te hoeven doen dan kijken naar mijn man die de wanden schildert.
En die stomme vitrages even te wassen met een scheutje bleek, en te laten drogen door de zon en de wind.

Tijd om gewoon even stil te staan, te luisteren en even goed om me heen te kijken.
Tijd
om het ogenblik
gewoon even
te vangen.