Van wie en wat we nou eigenlijk leerden in de brugklas…

Vorige keer heb ik al wat geschreven over de eerste week in de brugklas. Het lijkt me leuk om vandaag wat over de leraren te schrijven, en dan met name wat ik van ze geleerd heb….

….De lessen duurde destijds maar 50 minuten. De eerste weken deed ik enorm mijn best, maar het duurde natuurlijk niet lang voor de sleur ook daar in trad.

Op een dag zaten we een beetje te klieren bij Biologie. Meester Daalder,
-zeg maar een soort kruisbestuiving van kabouter Plop en Griet Titulaer met geitenwollen sokken-, had die dag een paar kievietseieren mee. Een paar dagen eerder hadden we voor zijn lol al met onze knieën in de prut met een klein schepnetje vieze plantjes en enge beestjes moeten verzamelen in het Noorderpark, dat hadden we hem nog niet helemaal vergeven.
Wat we deden weet ik niet meer. Dat we voor straf in het lokaal werden opgesloten tijdens de pauze nog wel.

We waren met vier meiden.
‘Hij heeft hem echt op slot gedaan’.
‘Dat meen je niet!’
‘Gigantisch!’ (We noemden zo’n beetje alles gigantisch).
‘Hey Es, vangen!’
‘Vangen Marjan’.
Ik greep uiteindelijk mis. Het ei lag gebroken op de bruine vloerbedekking.
Het was een oud ei geweest.
Die dag leerde ik dat rotte eieren nog erger stonken dan stinkbommen.
‘Gigantisch, wat een meur’.
‘O jee’.
‘En nu?’
‘Het raam uit?’

Na de pauze kregen we Frans van mevrouw Bartstra die nogal gecharmeerd was van Essie. Toen begreep ik nog niet helemaal precies waarom, dat kwam pas later. (Na muziekles). Frans was saai. Ik had nog nooit zo’n burgerlijk zootje bij elkaar gezien als die familie Duval. Uiteindelijk heb ik vijf jaar met de hele familie opgescheept gezeten. En met juf Bartstra op de koop toe.
Het leek me een hele wijze les.
Ik besloot dat ik later nooit zo zou worden als de familie Duval. Of juf Bartstra.

Engels kregen we van Ellen.
Ellen pretendeerde ‘jong, wild en hip’ te zijn door het dragen van veelkleurige gebreide truitjes boven beige corduroy broeken en platte suède laarsjes met pompoentjes of kwastjes eraan.
Denk daarbij nog even twee smalle vlechtjes links en rechts naast haar oren in haar verder losse halflange haar, een indianenbandje om haar hoofd en je hebt het plaatje wel compleet. Bij Ellen mochten we op de tafel staan en spugen. ‘Th’….’Thhhhe!’
Door Ellen weet ik dat het in Londen altijd regent.
Ellen heeft bovendien alle coupletten van ‘On the first day of Christmass my truelove sent to me’ in mijn kop gestampt.

Geschiedenis kregen we van Chris Braaksma. Chris was een soort jonge blonde god met een absolute voorliefde voor Nikes en basketbal.
Daarbij was Chris Groot en Sterk.
Als ik niet lief was bij Chris, tilde hij me aan de schouders van mijn bodywarmer op en hing hij me aan een knaapje aan de deurpost.
Van Chris leerde ik dat ‘spitsroede lopen’ toch lastiger was dan ik dacht.

Eric Prins leerde mij de wereld in perspectief te bezien. Door het vierkant tussen mijn tegen elkaar gehouden wijsvingers en duimen heb ik wat afgestaard naar stillevens, klasgenoten, of -als het weer mee zat- naar de bomen aan het eind van het sportveld. Gezellig op onze jas in het zonnetje met onze rug tegen de muur van het gymlokaal.

Dat Gymlokaal was het domein van Cor Dorsman, onze kale coole gymleraar. Waar Cor vandaan kwam weet ik niet, maar hij had een beetje een Amerikaans dialect. Zou me niets verbazen als die man rechtstreeks uit de NBA was komen wandelen. Bij Cor moesten we ‘ alle ballen verzamelen’.
Van Cor heb ik mijn perfecte lay up shot geleerd.

Zijn we aanbeland bij wiskunde.
Van Laar heette hij geloof ik.
Er staat me nog weinig van Wiskundeles bij. Ik vond het maar vage toestanden en vertrouwde al die abacadabra voor geen cent.
Aan het eind van de eerste was ik het spoor al volledig bijster.
Dat E MC kwadraat was, begreep ik pas later van ‘Doe maar’.

Aardrijkskunde vond ik wel leuk, hoewel ik niet meer weet van wie ik daar in de eerste klas les van kreeg. Met mijn ‘Stop de neutronenbom’ badge naast mijn Madness badge op mijn spijkerjasje hield ik een spreekbeurt over de kerncentrale in Borssele
Voor het eerst in mijn leven hoorde ik over het ‘Broeikaseffect’ en maakte ik me zorgen over de aarde.

Hoewel mevrouw Lensen in het eerste jaar les gaf, zeg ik liever dat Hans Taat mijn leraar Nederlands was. Hans was een rasechte Amsterdammer. Bruin Corduroy colbertje, dito aktetas en een prachtige snor, die ik door de jaren heen zo vaak heb getekend dat ik er makkelijk een expositie mee zou kunnen houden.
Hans liet mij gedichten lezen van Hans Lodijzen. En de gevoelens van een oude beuk doorgronden die verliefd was geworden op de vijver. Hij zorgde dat de gedichten van Herman Gorter me raakten tot op het bot, en leerde me gelukkig wat ‘gigantisch’ nou eigenlijk precies betekende.

Hoewel Mavo ’t Veer zich graag associeerde met alles wat bruin, oranje, jong en hip was, kregen de meisjes handwerkles en de jongens niet. Geen flauw idee eigenlijk wat die deden. Misschien hadden ze wel een tussenuur?
En omdat we met zo weinig waren mochten we ‘gezellig’
in de lerarenkamer onze Zaanse huisjes in verschillende steekjes op een lapje borduren.
‘Zeg maar Lenny’ was ook al jong, knap, wild en modern. Daar werden de nieuwe leraren geloof ik een beetje op geselecteerd om de gemiddelde leeftijd van de leraren een beetje naar beneden bij te stellen. De heer Mantel, meneer de Vrieze, juf Bartstra en Lifman leken rechtstreeks uit de mottenballenbak te komen. Hoewel meester de Vrieze altijd een keurig au de cologne op zijn satijnen shawltje sprenkelde om dat enigszins te verdoezelen. Van de eerste twee leraren heb ik nooit les gekregen, maar van horen zeggen weet ik dat het gedreven en aardige leraren waren. De lessen van Lifman werd onze tere brugklas-zieltjes nog even bespaard.

Lenny was aardig. Van Lenny heb ik geleerd dat ik beter heel ver weg kan blijven van, knotten wol, borduurpatronen en naaimachines. Door Lenny weet ik dat ik het beste de naalden kan kopen met van die hele grote ogen. ‘Als het dan echt niet anders kan Narda’.

Kom ik uiteindelijk bij Jos Schaap, op wiens naam ik maar niet kon komen vorige week
(Dank Arend).
Wat hij droeg staat me ook niet bij. Hij was niet bijzonder hip, bijzonder jong, of bijzonder knap.
Wie was Jos dan wel?

Deze Jos met zijn liefde voor de synthesizer waarop hij ons de tonen van ‘School’ van Supertramp liet horen?
Die ons uit volle borst ‘Michelle’, ‘Yesterday’ en ‘When I’m 64’ van de Beatles liet zingen.
En ‘I don’t like Mondays’ op maandag.
Jos, die ons op piano begeleidde
bij ‘Baggy trousers’ en ‘Our house’ van Madness.
Jos die ons ongemerkt Engels, maatschappijleer en Geschiedenisles gaf.
Jos, die huilde in de les om de dood van Lennon.

Jos, die door Roxanne’ van de Police, en ‘Lola’ van de Kinks en zoveel andere liedjes mij een glimp van de wereld liet zien in toonaarden waarvan ik nog nooit had gehoord.
Dat was Jos.
Ik was zijn naam vergeten en zijn gezicht ben ik kwijt, maar zijn lessen blijven me voor altijd bij.

Jos.

Advertenties

Brugpieperen

…Eind augustus 1979 mochten Es en ik eindelijk naar mavo ’t Veer.
De school was ergens in de jaren ’70 opgebouwd uit grijs betonsteen. Het had geen verdiepingen -wat later meer dan eens van pas is gekomen-, een nogal grillige omtrek en stond tussen de Kerkstraat en de Noorderbegraafplaats in op slechts een steenworp afstand van de Esso, wat ook erg handig was. Dat laatste dan.

Uiteraard had ook dit gebouw de voor die tijd gebruikelijke donkerbruine kozijnen en was de vloer bedekt met donkerbruin linoleum. Als ik me niet vergis lag er zelfs in een gedeelte bruine vloerbedekking. In de aula hing een groot veelkleurig abstract schilderij. Verder waren de muren opgeleukt met talloze ‘Stop de neutronenbom’ affiches, de Venus van Milo en een poster met een tekst die ik misschien ietwat te letterlijk had genomen in de loop der jaren. *** Het was een moderne, sfeervolle en overzichtelijke school.

Zus ging daar inmiddels al naar de derde klas dus met de namen van de meeste leraren en hun bijbehorende eigenaardigheden waren we al een beetje bekend, maar toch zochten we die eerste dag giechelend en verlegen als echte brugpiepers het lokaal waar we onze boeken moest halen. Er waren drie eerste klassen. Wij zaten in 1C.

We droegen die dag allebei een ribbroek met een witte bies aan de zijkant. Zij een roze, ik een paarse. En net als alle andere meiden droegen we daar een dikke gewatteerde bodywarmer boven over een pastelkleurig t-shirt. Je had ze in allerlei kleuren variërend van baby blauw tot zuurstokroze. Heel vrouwelijk Nederland had zo’n bodywarmer.
Die dag zag onze nieuwe klas dan ook overwegend baby- tot zuurstokroze, slechts hier en daar dapper afgewisseld door een spijkerjasje met een Rolling Stones tong op de rug, en een leren jack met PLO shawl. Eerstgenoemde met zijn zwarte klompen daar onder en
laatstgenoemde natuurlijk met een groene pukkel en ‘Stop de neutronenbom’ kreet.
Het waren duidelijk zittenblijvers.
De rest van ons had een krakend nieuw lederen schooltas.

De eerste week waren er behalve ‘boeken halen’ lukraak onder de noemer ‘Werkweek’ wat activiteiten op het programma gezet, die weinig tot niets met elkaar van doen hadden maar slechts bedoeld waren om elkaar te leren kennen. Zo flansten we bijvoorbeeld gezellig in de aula wat zelf ontworpen anti kernwapens badges in elkaar, beleefden we ‘De dag van je leven’ terwijl we de oefenkoeien molken ‘in de Flevohof’, leerden we achterin de bus de teksten van de liedjes van Gruppo Sportivo uit ons hoofd en bombardeerde we -eensgezind als we inmiddels waren- Rita op de laatste dag tot de boze stiefmoeder van het sprookje dat we ze ter afsluiting van de week moesten opvoeren.

Het toneel werd die vrijdagmiddag in een poep en een zucht van grote met groen en oranje vloerbedekking bedekte kubussen in elkaar geflanst.
Je kon van alles en nog wat met die dingen doen, maar meestal propten we alleen onze korstjes door de handvaten en veegden we onze chocolade pennywafel-handjes er even snel aan af. Voor meer inspiratie verwijs ik je graag naar de talloze klassenfoto’s die door de jaren heen op, naast, voor onder en achter de kubussen zijn gemaakt.

Maar goed, meestal stonden ze dus keurig in het gelid pontificaal in het midden van de school, ergens daar waar de aula overging in de grote open ruimte waar de meeste lokalen omheen lagen. In de aula stonden de bruine formica tafels met ieder vier oranje plastic stoelen in lange rijen van drie opgesteld.

Links was het keukentje van meneer Baartse.
Wat hij behalve colaflesjes en pennywafels nog meer verkocht kan ik me niet zo goed herinneren. Naast het keukentje stond een koffie automaat die voor twee kwartjes een bekertje vulde met warm chocoladewater.
Een luxe die we ons van tijd tot tijd veroorloofden. Naast de catering en allerlei andere hand- en spandiensten was meneer Baartse er ook verantwoordelijk voor dat je je straf onderging.
Meestal was de straf voor te laat komen dat je de volgende ochtend het schoolplein moest vegen. Om kwart voor acht stond hij je dan al op te wachten met de bezem in zijn hand, en o wee je gebeente als je dan niet op kwam dagen.

Na vijf jaar Mavo had ik het vegen redelijk onder de knie…

Wordt vervolgd…

***
Hoe meer ik leer
Hoe meer ik weet
Hoe meer ik weet
Des te meer ik vergeet
Des te meer ik vergeet
Des te minder ik weet
Dus waarom zou ik leren?

Essie Erwt (lang verhaal!)

Es kwam pas in de vijfde klas bij ons op school.
Ik kan me de reden niet meer herinneren maar al in de allereerste pauze was het knokken tussen ons.
We werden door de meester uit elkaar gehaald toen de pauze voorbij was.

Tijdens verkeersles moesten we naast elkaar zitten. Al snel viel me op dat ze heel goed kon tekenen. De tekeningen in mijn verkeersschrift leken meestal nergens naar.
Es was niet gelovig. Dus terwijl de rest van de klas zich bezig hield met de voorbereidingen van het ‘Vormsel’, deed zij andere dingen. Op een dag tekende ze voor mij een fiets
voor me in mijn schrift, terwijl ik luisterde naar een preek van pastoor van het Hart. Een prachtige fiets, compleet met verlichting en remmen. Als dank deelde ik mijn laatste stophoestjes onder de tafel. Vanaf die dag waren we vriendinnen.

Op een zaterdag kwam ik voor het eerst bij haar thuis. Ze had een hele leuke moeder die net zo knap en blond was als zijzelf. Es woonde in een flat op de Lijsterstraat op de eerste etage. Zoals in veel huizen lag er bruine vloerbedekking, waren de wanden bedekt met beige jute behang en stond er een grote donkerbruine hoekbank in de woonkamer.

In haar slaapkamer stond een pick-up op een zelfgemaakt kastje van patio blokken. Ze draaide een LP met Motown- disco muziek. Ik meen iets van de band Chic ‘le frique’ of ‘The Commodores’, maar het zouden zomaar ook de Jacksons geweest kunnen zijn. Ik geloof dat er een 3-D poster met de afbeelding van een kitten aan de wand hing. Je had deze posters trouwens ook in andere uitvoeringen, zoals paarden, honden of, als je het helemaal niet meer wist jonge gele eendjes.

Essie en ik gingen die dag met de bus naar haar oma in Zaandam die vlak bij de kerk achter de Peperstraat woonde. Ook daar was het ook altijd erg gezellig. Haar oma was erg hartelijk, zeer betrokken en enorm bij de tijd.
Nu had haar oma natuurlijk niet zoveel kleinkinderen als mijn oma’s hadden, en Es had een half jaar lang bij haar oma gewoond, maar ik vond die band die ze met haar oma had wel heel bijzonder.

Die eerste keer gingen we samen naar de fop winkel. Je moest echt weten waar die zat anders vond je hem nooit. Met Spaanse peperkauwgom, kauwgom waarvan je mond zo knalrood kleurde dat het leek alsof je je tong had afgebeten en natuurlijk een paar doosjes stinkbommen gingen we weer naar huis.

Die stinkbommetjes zagen eruit als hele kleine glazen flesjes waarvan je de hals kon afbreken. Je kon hem ook gewoon met je schoen plat trappen, maar dan rook je nog dagenlang naar rotte eieren hadden we gemerkt.
Nadat we eindelijk genoeg moed hadden verzameld, braken we er een in de klas. Volgens mij was het nog half een ongelukje ook, veroorzaakt door veel ‘Nee, toe, doe jij nou’-s onder tafel vooraf.
Ze waren het geld meer dan waard geweest. Die woensdag gingen we om kwart voor twaalf al uit.

Je begrijpt dat Es en ik voor in de rij stonden toen de vuurwerkverkoop op de Noorderstraat vlakbij het Marktplein werd gestart.
We hadden ieder 25 gulden verdiend door kerstfolders rond te brengen voor mijn oom die mede eigenaar was van van de fa van Harlingen in Krommenie.
Volgens mij mocht de vuurwerk verkoop toen zo’n beetje twee weken voor oud en nieuw al beginnen.
Die weken brachten we door met rotjes in kiertjes van een muur stoppen, aansteken en dan maken dat we weg kwamen met de handen op onze oren. Het leukste effect gaf het in de lange donkere gangen bij de schuren. Tegen oud en nieuw kenden we zo’n beetje alle hoekjes en kiertjes van de meeste flats in Wormerveer wel. En tegen die tijd kenden de meeste bewoners ons inmiddels ook.

Na oud en nieuw moesten we natuurlijk iets nieuws verzinnen. Op een middag kwamen we erachter hoe we de kleine bezemkast die achter in de lift zat open konden krijgen. ‘Kom op, we gaan er in’. Het duurde een minuut of wat maar toen stapte er een vrouw in. Heel zachtjes begonnen we enge geluidjes te maken. Na een week hadden we een aardig repertoire opgebouwd van spookgeluiden variërend van kloppen tot gillen.
We vonden het zo hilarisch dat we bijna in ons broek piesten van het lachen. Uiteindelijk werden we natuurlijk weer gesnapt door een chagrijnige buurman.

Ik was graag bij Es thuis. Vaak dronken we warme Nesquik of thee- in echte Pickwick glazen-, en we hebben in die jaren talloze roze koeken en kilo’s groene erwten verslonden. Die laatste kochten we bij de DA op de Kerkstraat. Voor een gulden kreeg je een ons in een papieren puntzak.

Op een dag hadden Es en ik een condoom in verpakking. Hoe we daar aan gekomen waren weet ik niet meer. Dat het ding natuurlijk nader onderzocht moest worden weet ik nog wel.
We besloten het condoom in de badkamer vol te laten lopen met water. Dat lukte aardig. Zo aardig dat het ding op gegeven moment vier keer het volume had van de wasbak waar hij in hing, voor hij uiteindelijk knapte…

Toen het een keer flink had gesneeuwd mocht ik mee naar Bergen. We vertrokken vroeg zodat we die dag als een van de eerste als kamikazes met onze slee van de duinen af konden razen. Es voorop natuurlijk. Altijd voorop. En Puppy, hun Cocker Spaniël achter ons aan. Met rode gezichten en bevroren tenen zaten we een paar uur later achter een beker warme chocolademelk in een restaurant langs de bosweg in Bergen.

Hoewel we inmiddels in de eerste klas van de Mavo zaten, waren we nog best in voor wat kattenkwaad op zijn tijd. Meestal zat ik boven op onze ouderwetse lederen schooltassen met mijn benen in haar groene fietstassen terwijl we door Wormerveer Noord reden, op zoek naar wat vertier.

In de winter periode ’79-’80 begonnen we ons ook te interesseren voor jongens.
Ik was nog een half jaartje twaalf, Es was in december 13 geworden en inmiddels nogal gecharmeerd van Erwin, een jongen uit 1A. Het was een knappe blonde jongen om te zien. Hij had mooie bruine ogen. Es was zelf ook een heel knap meisje. Ze had lange lichtblonde haren die ze vaak in een zij-staart bond, lichtblauwe ogen en volle roze lippen. Wij zaten in 1C.
Haar dertiende verjaardag vierden we met Erwin, nog twee jongens uit klas 1A en nog wat meiden op haar slaapkamer. We speelden 1,2,3,4,5,6 7.
O zo kinderachtig, maar wel enorm effectief;-)

Op een zaterdag ging ik na de soep en de ‘Dik Voormekaar- show’ achter op de sloot schaatsen met zus. Die ochtend hadden wij met mijn vader ons eerste paar Noren gekocht bij de fa. van Harlingen in Krommenie, waar ze behalve electronica dus ook schaatsen verkochten. Terwijl ik nog bezig was om mijn schaatsen aan te trekken kwam Erwin er aan. Hij was samen met een jongen aan het schaatsen die ik nog niet kende. Samen keken ze toe hoe ik mijn eerste ongemakkelijke slagen op mijn hoge Noren maakte en vervolgens languit op het ijs lag.
‘Je moet meer zijwaarts schaatsen’ zei die vriend van Erwin nadat ze uitgelachen waren.

Al snel wist ik dat die jongen met die blauwe muts-met-kwast voor zijn bruine ogen M. heette. Hij was een beetje mager, had best een grote neus en volgens zus leek hij sprekend op een konijntje.

De weken erna bleef het vriezen.
Es en ik waren uren op het ijs te vinden met deze jongens. Behalve achter op de sloot schaatsten we door de velden tussen Wormerveer en West- knollendam. Ergens daar, waar nu ongeveer de Gamma staat, stond een klein stalletje. Je moest bukken als je er in wilde, het had een klein voor portaaltje van 1 bij 1. Binnen was het ietsje hoger. Er lag een flinke laag vers hooi waar we met ons viertjes vaak in lagen. Op het laatst namen we zelfs sinas en chips mee. Ons geluk duurde niet heel erg lang. Op een goede dag werden we gesnapt door boer Zwart die ons met zijn bugs
beschoot terwijl wij schaatsten voor ons leven.

Daarna warmden we ons voortaan maar op in het kleine slaapkamertje van Erwin die op de grond een elektrisch kacheltje had staan. Om de 10 minuten lagen we dan twee om twee op de grond of op het bed. Ook zaten we vaak in de gang onder een flat in de Vondelstraat waar een oud bankstel stond te wachten op Grof vuil.

Een enkele keer kwamen we bij M. thuis. Zijn moeder vond dat met name heel erg gezellig. M. zat op het BRC (havo) in de tweede. ‘Eerst je huiswerk maken’. Terwijl M. dan zijn proefwerk Duits leerde, bekeek ik verveeld zijn stenen verzameling in de vensterbank. Ik vond M. er leuker uitzien in zijn trainingspak. Nu droeg hij mosgroene en bruine ribbroeken met geruite hemden die hij bijna tot boven aan toe dicht knoopte.
Boven op de plank van zijn opklapbed stond een globe.
‘Ben je al bijna klaar?’

De liefde hield nog even stand toen het ijs gesmolten was. Het was de kapper die onze liefde uiteindelijk definitief om zeep hielp door mijn lange goudkleurige lokken om te toveren in een kort ‘vlot’ jongenskoppie. Ik fietste de volgende ochtend samen met M. over de Kerkstraat. ‘Wat heb je nou gedaan? Wat zonde!’ Ik kon wel janken.
Dezelfde middag had hij het uitgemaakt. Vlak daarna liep ook de relatie van Erwin en Essie natuurlijk ten einde. Wat kon je immers nou doen met z’n tweeën? Thuis draaide ik ‘Still’ die ik voor de gelegenheid van zus mocht lenen, grijs.

Tijdens de lessen maar ook daarbuiten schreven we veel briefjes naar elkaar. De meeste gingen over jongens. ‘Zal ik nu met..?.. Of met ..?..’ Dat was zij dan hè! Ik had meer een adviserende rol. Waar ik ook erg van genoot.

Ik was dol op haar. Als ze weer eens buikgriep had, speelden we uren ‘Levensweg’, onderbroken door talloze overgeef-sessies waarbij ik geduldig de bak voor haar op hield.
De liefde was wat dat betreft niet wederzijds. Toen ik op een nacht ons tentje had onder gekotst kroop ze doodleuk bij mijn ouders in bed.

Het werd lente en Es en ik zinden op manieren om wat geld te verdienen. Van auto’s wassen kregen we al snel genoeg, en de klandizie was ook niet om over naar huis te schrijven zodat we op een woensdag middag besloten de marktkramen eens af te struinen voor werk. ‘Komen jullie om vier uur maar eens terug bij Janneman meissies, dan zullen we wel eens kijken of jullie ome Piet kunnen helpen.’
Die middag gaven we voor de eerste keer de bakken mutsen, onderbroeken en bh’s aan ome Piet, die hij vervolgens op de juiste volgorde in de oranje VW bus zette, klaar voor transport. De zwarte bakken met huidkleurige korsetten die onderin moesten wogen als lood. Eerst de zwarte, dan de rode, en pas op het laatst de lichte blauwe bakjes. We waren er anderhalf uur zoet mee. ‘Goed gedaan meissies, kom volgende week maar weer terug’. We hebben er samen gewerkt tot Es naar Andijk verhuisde.

Die eerste middag kochten we van onze verdiende vijf gulden ieder een patatje en een milkshake om het te vieren. Voor het overgebleven geld kochten we natuurlijk groene erwten om de hoek.

Op een woensdag nadat we klaar waren met ons werk op de markt praatten we het erover dat we wel eens op een brommer wilden rijden. We zaten achter een patatje oorlog aan de hoge tafel in Java. Buiten stormde het zowat. De jongen van de kaaskraam hoorde ons praten en vroeg of we misschien een stukje op zijn brommer wilden rijden. Dat lieten we ons natuurlijk geen twee keer zeggen. ‘Pak hem maar hoor’.

Het starten lukte niet echt.
We hadden het pedaal dat hij had vastgezet al per ongeluk los getrapt. ‘Geeft niets. Maar je moet rennen en als hij aanslaat op het zadel springen ‘.
Es had die dag haar lange teddy-beren-bonte jas aan die haar moeder zelf had gemaakt. Ik zie haar nog zo rennen met die jas open naast dat oude ding. Ik pieste zowat weer in mijn broek van het lachen. Uiteindelijk lukte het haar. ‘Kom op Nar, springen!’
En terwijl we kriskras tussen de lege kramen scheurden die stuk voor stuk omver werden geblazen door de wind, voelde ik me intens gelukkig op die oranje brommer.
Zoals altijd, bij Essie achterop….