De kip! (Narda legt nog ’n eitje)

Blijven er toch nog twee vragen over die ik nog onbeantwoord heb gelaten, maar wat veel mensen zich misschien nog steeds afvragen.
1) Had mijn moeder nou een eetstoornis of niet?

Jessica, de halfzus van Kyl kreeg omstreden haar dertiende anorexia nervosa. In die periode heeft ze een paar maanden bij haar vader gewoond. Op de dagen dat haar vader werkte was ik het die haar ‘AN streken’ moest zien te handelen en haar ’s morgens moest wegen. Ze was ongeveer 1.70 en woog iets van 40 kilo; nèt aan genoeg om uit het ziekenhuis te blijven. Ik weet dus van heel dichtbij wat AN is.

Mijn moeder had volgens mij geen AN.
Ze was totaal niet bezig met calorieën tellen, of voedingstoffen uitsluiten.

En nee, boulimia had ze denk ik ook niet.
Geen vreetbuien, geen spuugsessies, niets van dat al.
Ze gaf gewoon niet zoveel om eten, hoewel ze een palinkje op zijn tijd niet te versmaden vond.

Dus nee, geen eetstoornis als AN of boulimia vermoed ik, hoewel ze volgens twee tantes van mij heel vroeger wel een eetstoornis heeft gehad.

Ik denk gewoon dat eten -net als haar sherry’tje en sigaretje- voor haar gewoon iets was dat ‘helemaal van haar was’.
Niemand nam die controle van haar af. Dàt besliste ze zelf wel. In die zin was er dus misschien wel sprake van een eetstoornis. Daarnaast kreeg ze net als ik bij veel stress ook bijna geen hap meer door haar keel.

Zelf heb ik namelijk ook een periode gehad dat ik heel mager was. Toen ik in ’99 in Australië was woog ik nog maar 48 kilo. Jess -mollig destijds- zei altijd: ‘Owww, I wished I could be like you’, en ik kreeg maar niet uit dat koppie gepraat dat ik helemaal niet zo mager wilde zijn.
Bij mij was het gewoon pure stress, en ik vermoed dat dat ook een oorzaak is geweest van het ondergewicht van mijn moeder.

Later was de kanker er natuurlijk verantwoordelijk voor dat ze geen eetlust meer had. Zelf vond ze het echt niet leuk dat ze zo mager was geworden, ze deed echt wel haar best om wat te eten, en later om haar Nutridrink leeg te drinken.

Ach, nogmaals, dingen gaan soms helaas zo als ze gaan.
Voor mij vallen de puzzelstukjes nu wel op zijn plek.

2) De vraag of ze nu door een tia rond haar achtentwintigste dusdanig van karakter is veranderd dat ze drugs is gaan gebruiken kan ik nu ook wel beantwoorden:

Dat ze later zo ten nadele (mijn mening) is veranderd, kwam éérst door haar drugsgebruik en pas daarna mede door het zware herseninfarct op haar tweeënveertigste.
Ik denk dat ik door me steeds maar vast te klampen aan de gedachte dat mijn zus toen een tia heeft gehad, mij verder niet hoefde te verdiepen in andere oorzaken waarin ik zelf natuurlijk ook een grote rol heb gespeeld.

Als ik vroeger niet zo recalcitrant was geweest, mijn vader niet zo autoritair en onredelijk, en mijn moeder niet zo labiel en volgzaam had mijn zus niet zo haar best hoeven doen om voor iedereen in huis ‘te zorgen’. Ze was vroeger de wijste, stabielste, en -samen met mijn moeder- de liefste en zachtaardigste van ons vier.

Ik hoop dat ik haar nu een klein beetje recht heb kunnen doen door al mijn blogs over haar.

Nee, ik loop niet rond met een heel groot schuldgevoel nu.
Dingen gaan gewoon zoals ze gaan. Er was totaal geen kwade opzet in het spel, maar waarschijnlijk wel een stoornis uit het autisme spectrum bij mijn vader.
Daar raak ik naar mate ik er meer over lees steeds meer van overtuigd.

Advertenties

Vechten of vluchten?

Kom ik toch weer bij de coping strategieën en congruentie uit na het schrijven van mijn vorige blog:

Hoewel ik veel van mijn vader hield en hij in wezen het hart echt op de juiste plek had, was het vaak een moeilijke man in de omgang. Hij vertoonde -achteraf bezien -veel aan autisme verwante trekjes, misschien heeft Neef zijn PDD NOS ook wel niet van een vreemd.

Bij ons thuis was het de onbeschreven regel dat mijn vader gewoon altijd gelijk had, ook al beweerde hij dat pimpelpaars groen was, iets waar ik dan altijd weer tegenin ging.
‘Laat nou maar Nar’, zeiden mijn moeder en zus dan.

Om maar zo veel mogelijk weg te zijn van huis ging ik vijf keer per week naar de atletiektraining. (Ik had een superconditie;-)
Later was ik bij Sandra kind aan huis, ik sliep daar bijna ieder weekend. School interesseerde me verder ‘geen hol’, en op feestjes eindigde ik bijna altijd in tranen.
Echt zo’n vreselijke jankerd was ik dat mijn tranen nu gewoon op zijn;-)

Waarmee ik eigenlijk wil zeggen dat ik in ieder geval flink gepuberd heb, in tegenstelling tot mijn zus dus, die volgens mij pas op haar achtentwintigste ging puberen.

Mijn moeder was altijd de mildheid in eigen persoon. Een paar maanden voor haar overlijden hebben we (met Rem erbij) nog over vroeger thuis gesproken. Ik vroeg haar waarom ze het nooit voor me op had genomen.
Ze heeft toen alsnog haar excuses aangeboden. Ik ben nu heel blij dat we daarover gesproken hebben, al was het toen natuurlijk best een heel moeilijk gesprek.

Tot op de dag van vandaag vind ik het moeilijk om op een gepaste manier te reageren als ik het gevoel heb dat mij ‘onrecht’ word aangedaan. Òf ik reageer veel te mild, of ik reageer veel te fel. Ik heb moeite om een reactie daartussenin te geven. Dat felle reageren is voor mij gewoon een ingebakken coping strategie geworden.
En misschien was mijn vechtstrategie dan wel een veel betere dan de vluchtstrategie van mijn zus destijds, maar nu wordt het tijd voor wat verse strategieën.

Even voor de duidelijkheid hoor:
Nog steeds hou ik veel van mijn ouders en zus. Boven alles hielden wij van elkaar. We hadden alle vier onze eigen karaktertjes, maar bij niemand van ons was er sprake van kwade opzet om de ander verdriet te doen.
Onkunde misschien. Onmàcht. Autisme?

Ik hoop (ook voor jullie) dat ik er voorlopig even over uitgeschreven ben. Begrijpen doe ik het denk ik wel, maar dat neemt niet weg dat ik me soms een beetje boos voel.

-Boos omdat ik nu achter ben gebleven.
-Boos, op de zogenaamde vrienden van mijn zus.
-Boos, omdat ik alles maar kan regelen.
-Boos, om de moeilijke jeugd die Neef heeft gehad.
Enz.

Dat zal ook wel allemaal bij het verwerken horen en ik weet het ook heus wel te relativeren.

Maar vóelen mag ik het dus ook!!

Westenwind

Vanmiddag heerlijk uitgewaaid op strand Bakkum bij paal 45.
Mijn zus vliegerde daar altijd graag eind van de middag/ begin van de avond als ze bij mijn ouders op camping Bakkum logeerde.
Vorig jaar met Hemelvaartdag hebben Rem en ik daar ’s morgens heel vroeg een klein gedeelte van haar as gestrooid, op zus haar eigen verzoek. Ook een gedeelte van (Beau)Nino ligt daar ‘om haar te beschermen’. Daar hadden we zelfs nog met Zus grapjes over gemaakt toen we het erover hadden op de dag nadat mijn vader was gecremeerd.

Mijn moeder leefde natuurlijk nog toen ik de as van Zus uitstrooide, en toen ik vroeg of ik ook een beetje van haar en pap in Zus haar duinpan zou strooien vond ze het heel fijn als ik dit wilde doen, ‘maar niet als het teveel moeite kost hoor Kind, alleen het Guisveld is ook prima hoor’.
Ik grapte toen nog, ‘ach mam, als ik toch bezig ben…’
Mijn moeder was er namelijk erg op gebrand dat ik al Zus haar uitstrooi- wensen zou uitvoeren. ‘Doe maar een beetje hier.., een beetje daar….O, en daar natuurlijk…’
-Ze zou het vast prachtig gevonden hebben als ze had kunnen zien hoe druk ik er maar mee ben. (Maar ook blij hoor).

Tja. Wij waren altijd echte strandmensen, mijn ouders en zus nog veel meer dan ik. Ooit schreef ik dit gedicht. Mijn zus vond dat zo mooi dat ze het levensgroot op haar toiletdeur geschreven had. Vier regels uit dat gedicht hebben we na haar overlijden op de binnenzijde van haar rouwkaart laten drukken:
‘Maar als je luistert naar de golven,
voel je je weer even twee;
hetzelfde kleine meisje
aan dezelfde grote zee…’

Vandaag was het de perfecte dag om ook de belofte na te komen een klein gedeelte van mijn ouders daarbij te strooien.
Er stond een straffe westenwind, en het was niet al te koud, niet al te zonnig en dus zou het vermoedelijk niet al te druk zijn.

Op de heenweg kreeg ik ineens zin om een vlieger te kopen.
Zo gezegd zo dus ook gedaan.

Voor we naar paal 45 liepen natuurlijk eerst wat gedronken bij ‘Zeezicht’ de favoriete strandtent van mijn ouders. -Zoets doen we natuurlijk wel in stijl hè?!-

Daarna dus het doosje leeggegooid en dat voelde voor mij een beetje als ‘vrijheid’. Niet voor mij, maar voor hen.

Nadat ik dat gedaan had viel het me ineens op dat de hele lucht grijs en grauw was, er was alleen een klein stukje blauw boven hun duinpan zichtbaar. Grappig. Lief.

De volgende foto is trouwens ook wel grappig:
image
Het lijkt net alsof Rem drie of zelfs vier vliegers vasthoudt. Het is er echt maar eentje hoor. Zal wel aan mijn IPhone liggen, maar ik zie daar gewoon graag een lieve groet in.

Na een uurtje zijn we weer gegaan. Het helmgras wuifde me tevreden na.
Nog even wat gedronken bij Zeezicht en daarna een lekkerbekje gegeten op de camping, terwijl goedkeurende glimlachjes van mijn ouders en zus in mijn gedachten verschenen.

Weer een klus plat.(niet oneerbiedig bedoeld). 
Nu alleen nog ons boottochtje door het Guisveld om de rest van de as uit te strooien (de grootste hoeveelheid). Daarna zal ik alleen nog wat kleine emaille hartjes met as bewaren. 

Voorlopig vind ik het fijn dat ze nog een beetje dichtbij me zijn. Als de tijd er rijp voor is zal ik het gewoon weten.

Soms zijn de lijntjes kort…

Gedachten

Soms speelt er al een tijdje een idee ver ergens op de achtergrond door je hoofd.
-Kent u dat?-

Zo ben ik natuurlijk heus ook bezig in mijn hoofd met de as van mijn ouders en zus die ik nog uit moet strooien. Rem begon er van de week over. ‘Zullen we binnenkort…?’
Voor mijn gevoel was het daar nog niet de juiste tijd voor. Ik vind het nog zo fijn dat ze op deze manier een beetje dichtbij me zijn.
En als ik dat dan zeg tegen Rem hoor ik ook de stem van mijn vader weer in mijn hoofd echoën:
‘Zoals jij denkt dat het moet Nadda, zó is het goed’.
Stervenden kunnen op die manier, door dat soort woorden, het verlies zoveel makkelijker te verwerken maken…

Maar goed, ik wilde het over hun trouwringen hebben. Het zijn twee hele gewone rechttoe rechtaan gouden trouwringen; een hele kleine, en een hele grote.
En ze liggen daar maar, samen met het gouden kinderkopje dat mijn moeder van mijn vader kreeg toen ik geboren werd, in een doosje te wachten tot ik zou weten wat ik er mee zou gaan doen:
‘It Will come to me sooner or later…’
Ofwel: dat soort beslissingen moet je nooit forceren, op een dag wordt het je gewoon duidelijk.

En vandaag is zo’n dag:
Ik weet opeens helemaal zeker dat ik van de twee ringen één ring moet laten maken.

En toen me daarna opeens ‘ingefluisterd werd’ dat die ring dan een cadeautje voor mijn vijftigste verjaardag zal zijn, begon ik spontaan te huilen…

Over troost

Door Myriam ben ik uitgenodigd om de volgende tag in te vullen.
De tag komt van Zinderen, een Vlaams blog. Het was eigenlijk wel goed voor me om even over haar vragen na te denken.
Ik heb ze niet allemaal beantwoord, deze vond ik genoeg.
Wees gerust ik ga niemand taggen, maar voel je vrij om hem eventueel over te nemen, graag met vermelding van de link naar  Zinderen

Goed, kom maar op:

Wat is troost eigenlijk?

Een goede vraag. Het kan zoveel vormen aannemen: een moeder die haar kindje sust, een arm om je heen, een hand op je schouder, of je liefste die je stevig vasthoud in de ellenlange nachten die nooit voorbij lijken te gaan. Aanwezigheid, een blik, een kaartje, een kus, de tijd nemen om te luisteren. Een hond die je blij begroet, je kat die niet van je zijde wijkt als hij voelt dat je verdriet hebt…Soms een fles wijn, of een beker anijsmelk. Dat soort dingen.

Heeft iedereen recht op troost?
Kinderen altijd. Verder ligt het er aan vind ik.

Word je zonder troost hard en kil?
Hm. Daar zit misschien wel wat in. Daarom denk ik ook dat kinderen altijd troost (hoort bij liefdevolle opvoeding) moeten krijgen als ze dat nodig hebben. Ik loste vroeger in mijn pubertijd mijn verdriet zèlf wel op thuis. Ben ik hard? Nee, ik geloof het niet. Kil? Ook niet. Maar ik kan het absoluut wel zijn als de situatie daarom vraagt. Voor mezelf zeker, maar ook voor anderen. Maar voordat het zover komt ben ik een ei.

Ben jij een goede trooster?
Voor mijn kind en man geloof ik wel. Niet dat dat veel nodig is gelukkig. Voor de rest doe ik mijn best. Ik vind het wel makkelijker om een man te troosten. Ik kan misschien soms wat rechtstreeks en oplossingsgericht troosten, zeg maar.

Wanneer heb jij troost nodig?
Ik kan mezelf aardig goed troosten. Ik huil niet zo snel en niet zo vaak. Maar soms… Als een naaste overlijdt bijvoorbeeld. Dan heb je echt alle steun wel nodig van elkaar. Ook toen onze Bordeauxdog (Beau)Nino overleed was ik daar kappot van, en dat zal ik ook zeker zijn als Bram (of Spook) zal komen te overlijden. Verder kan de combinatie van volle maan, harde wind en mezelf niet lekker voelen er nog wel eens voor zorgen dat ik een beetje labiel word en even een avondje heel erg veel troost en aandacht nodig heb. Dan kruip ik lekker weg bij Remco.

Wat biedt jou troost?
Vooral aanraking, maar ook begrip. Of het geduld wanneer ik weer eens even het verschil vergeten ben tussen de emoties boosheid en verdriet. En wat ik hierboven bij de eerste vraag al schreef allemaal.
Misschien moet ik het aanvullen met:

Mensen die even zomaar vragen hoe het met me gaat, ook al heb ik geen zin om erover te praten. Of die laten weten dat ze weten dat het het vast ‘een moeilijke dag zal zijn vandaag’. Fotoboeken, mooie spulletjes op de plank in de kast die nog een beetje naar ze ruiken.  Hun stem in mijn hoofd alsof ze naast me staan. Een oude fijne handdoek van mam waar ik mijn rug mee droog wrijf. Een cd van pap. En zijn lichtblauw sweatshirt. Mams laarsjes en rok in mijn kast. Zus’ jas. Casettebandjes. Oude boeken waarin zij lazen, of de waarheid meenden te vinden. Mijn blog waarin ik over ze terug kan lezen en waarin ik over ze kan schrijven om ze levend te houden: de vele herinneringen; soms ineens weer zo een waarvan je niet besefte dat je hem nog had. Oude brieven die mijn ouders elkaar schreven.Hun ringen om mijn vinger. Het kruisje om mijn nek dat mijn vader voor mijn moeder kocht toen mijn zus was geboren.  Dagboeken. Schilderijen. Rituelen en ‘gekke’ gewoonten. De verhalen over hen, die ik nog niet kende, die mij verteld worden door anderen. De gesprekken die we nog konden hebben om alles nog te zeggen (helaas niet bij Zus). Mijn tantes en ooms, nichten en neven. Blogmaatjes, vrienden en vriendinnen. En bovenal mijn kind en het hare, waarin ik ze zo herken. Maar ook: De zon in mijn gezicht. Sneeuwklokjes die net boven de grond komen piepen. Frisse lucht in mijn longen. Bomen die weer bloesem krijgen. Een blaffende hond. 

Momenten van stille berusting en aanvaarding.

Het aanbreken van weer een nieuwe dag
en de zekerheid van de dood.