De kip! (Narda legt nog ’n eitje)

Blijven er toch nog twee vragen over die ik nog onbeantwoord heb gelaten, maar wat veel mensen zich misschien nog steeds afvragen.
1) Had mijn moeder nou een eetstoornis of niet?

Jessica, de halfzus van Kyl kreeg omstreden haar dertiende anorexia nervosa. In die periode heeft ze een paar maanden bij haar vader gewoond. Op de dagen dat haar vader werkte was ik het die haar ‘AN streken’ moest zien te handelen en haar ’s morgens moest wegen. Ze was ongeveer 1.70 en woog iets van 40 kilo; nèt aan genoeg om uit het ziekenhuis te blijven. Ik weet dus van heel dichtbij wat AN is.

Mijn moeder had volgens mij geen AN.
Ze was totaal niet bezig met calorieën tellen, of voedingstoffen uitsluiten.

En nee, boulimia had ze denk ik ook niet.
Geen vreetbuien, geen spuugsessies, niets van dat al.
Ze gaf gewoon niet zoveel om eten, hoewel ze een palinkje op zijn tijd niet te versmaden vond.

Dus nee, geen eetstoornis als AN of boulimia vermoed ik, hoewel ze volgens twee tantes van mij heel vroeger wel een eetstoornis heeft gehad.

Ik denk gewoon dat eten -net als haar sherry’tje en sigaretje- voor haar gewoon iets was dat ‘helemaal van haar was’.
Niemand nam die controle van haar af. Dàt besliste ze zelf wel. In die zin was er dus misschien wel sprake van een eetstoornis. Daarnaast kreeg ze net als ik bij veel stress ook bijna geen hap meer door haar keel.

Zelf heb ik namelijk ook een periode gehad dat ik heel mager was. Toen ik in ’99 in Australië was woog ik nog maar 48 kilo. Jess -mollig destijds- zei altijd: ‘Owww, I wished I could be like you’, en ik kreeg maar niet uit dat koppie gepraat dat ik helemaal niet zo mager wilde zijn.
Bij mij was het gewoon pure stress, en ik vermoed dat dat ook een oorzaak is geweest van het ondergewicht van mijn moeder.

Later was de kanker er natuurlijk verantwoordelijk voor dat ze geen eetlust meer had. Zelf vond ze het echt niet leuk dat ze zo mager was geworden, ze deed echt wel haar best om wat te eten, en later om haar Nutridrink leeg te drinken.

Ach, nogmaals, dingen gaan soms helaas zo als ze gaan.
Voor mij vallen de puzzelstukjes nu wel op zijn plek.

2) De vraag of ze nu door een tia rond haar achtentwintigste dusdanig van karakter is veranderd dat ze drugs is gaan gebruiken kan ik nu ook wel beantwoorden:

Dat ze later zo ten nadele (mijn mening) is veranderd, kwam éérst door haar drugsgebruik en pas daarna mede door het zware herseninfarct op haar tweeënveertigste.
Ik denk dat ik door me steeds maar vast te klampen aan de gedachte dat mijn zus toen een tia heeft gehad, mij verder niet hoefde te verdiepen in andere oorzaken waarin ik zelf natuurlijk ook een grote rol heb gespeeld.

Als ik vroeger niet zo recalcitrant was geweest, mijn vader niet zo autoritair en onredelijk, en mijn moeder niet zo labiel en volgzaam had mijn zus niet zo haar best hoeven doen om voor iedereen in huis ‘te zorgen’. Ze was vroeger de wijste, stabielste, en -samen met mijn moeder- de liefste en zachtaardigste van ons vier.

Ik hoop dat ik haar nu een klein beetje recht heb kunnen doen door al mijn blogs over haar.

Nee, ik loop niet rond met een heel groot schuldgevoel nu.
Dingen gaan gewoon zoals ze gaan. Er was totaal geen kwade opzet in het spel, maar waarschijnlijk wel een stoornis uit het autisme spectrum bij mijn vader.
Daar raak ik naar mate ik er meer over lees steeds meer van overtuigd.

Advertenties

Vechten of vluchten?

Kom ik toch weer bij de coping strategieën en congruentie uit na het schrijven van mijn vorige blog:

Hoewel ik veel van mijn vader hield en hij in wezen het hart echt op de juiste plek had, was het vaak een moeilijke man in de omgang. Hij vertoonde -achteraf bezien -veel aan autisme verwante trekjes, misschien heeft Neef zijn PDD NOS ook wel niet van een vreemd.

Bij ons thuis was het de onbeschreven regel dat mijn vader gewoon altijd gelijk had, ook al beweerde hij dat pimpelpaars groen was, iets waar ik dan altijd weer tegenin ging.
‘Laat nou maar Nar’, zeiden mijn moeder en zus dan.

Om maar zo veel mogelijk weg te zijn van huis ging ik vijf keer per week naar de atletiektraining. (Ik had een superconditie;-)
Later was ik bij Sandra kind aan huis, ik sliep daar bijna ieder weekend. School interesseerde me verder ‘geen hol’, en op feestjes eindigde ik bijna altijd in tranen.
Echt zo’n vreselijke jankerd was ik dat mijn tranen nu gewoon op zijn;-)

Waarmee ik eigenlijk wil zeggen dat ik in ieder geval flink gepuberd heb, in tegenstelling tot mijn zus dus, die volgens mij pas op haar achtentwintigste ging puberen.

Mijn moeder was altijd de mildheid in eigen persoon. Een paar maanden voor haar overlijden hebben we (met Rem erbij) nog over vroeger thuis gesproken. Ik vroeg haar waarom ze het nooit voor me op had genomen.
Ze heeft toen alsnog haar excuses aangeboden. Ik ben nu heel blij dat we daarover gesproken hebben, al was het toen natuurlijk best een heel moeilijk gesprek.

Tot op de dag van vandaag vind ik het moeilijk om op een gepaste manier te reageren als ik het gevoel heb dat mij ‘onrecht’ word aangedaan. Òf ik reageer veel te mild, of ik reageer veel te fel. Ik heb moeite om een reactie daartussenin te geven. Dat felle reageren is voor mij gewoon een ingebakken coping strategie geworden.
En misschien was mijn vechtstrategie dan wel een veel betere dan de vluchtstrategie van mijn zus destijds, maar nu wordt het tijd voor wat verse strategieën.

Even voor de duidelijkheid hoor:
Nog steeds hou ik veel van mijn ouders en zus. Boven alles hielden wij van elkaar. We hadden alle vier onze eigen karaktertjes, maar bij niemand van ons was er sprake van kwade opzet om de ander verdriet te doen.
Onkunde misschien. Onmàcht. Autisme?

Ik hoop (ook voor jullie) dat ik er voorlopig even over uitgeschreven ben. Begrijpen doe ik het denk ik wel, maar dat neemt niet weg dat ik me soms een beetje boos voel.

-Boos omdat ik nu achter ben gebleven.
-Boos, op de zogenaamde vrienden van mijn zus.
-Boos, omdat ik alles maar kan regelen.
-Boos, om de moeilijke jeugd die Neef heeft gehad.
Enz.

Dat zal ook wel allemaal bij het verwerken horen en ik weet het ook heus wel te relativeren.

Maar vóelen mag ik het dus ook!!

Westenwind

Vanmiddag heerlijk uitgewaaid op strand Bakkum bij paal 45.
Mijn zus vliegerde daar altijd graag eind van de middag/ begin van de avond als ze bij mijn ouders op camping Bakkum logeerde.
Vorig jaar met Hemelvaartdag hebben Rem en ik daar ’s morgens heel vroeg een klein gedeelte van haar as gestrooid, op zus haar eigen verzoek. Ook een gedeelte van (Beau)Nino ligt daar ‘om haar te beschermen’. Daar hadden we zelfs nog met Zus grapjes over gemaakt toen we het erover hadden op de dag nadat mijn vader was gecremeerd.

Mijn moeder leefde natuurlijk nog toen ik de as van Zus uitstrooide, en toen ik vroeg of ik ook een beetje van haar en pap in Zus haar duinpan zou strooien vond ze het heel fijn als ik dit wilde doen, ‘maar niet als het teveel moeite kost hoor Kind, alleen het Guisveld is ook prima hoor’.
Ik grapte toen nog, ‘ach mam, als ik toch bezig ben…’
Mijn moeder was er namelijk erg op gebrand dat ik al Zus haar uitstrooi- wensen zou uitvoeren. ‘Doe maar een beetje hier.., een beetje daar….O, en daar natuurlijk…’
-Ze zou het vast prachtig gevonden hebben als ze had kunnen zien hoe druk ik er maar mee ben. (Maar ook blij hoor).

Tja. Wij waren altijd echte strandmensen, mijn ouders en zus nog veel meer dan ik. Ooit schreef ik dit gedicht. Mijn zus vond dat zo mooi dat ze het levensgroot op haar toiletdeur geschreven had. Vier regels uit dat gedicht hebben we na haar overlijden op de binnenzijde van haar rouwkaart laten drukken:
‘Maar als je luistert naar de golven,
voel je je weer even twee;
hetzelfde kleine meisje
aan dezelfde grote zee…’

Vandaag was het de perfecte dag om ook de belofte na te komen een klein gedeelte van mijn ouders daarbij te strooien.
Er stond een straffe westenwind, en het was niet al te koud, niet al te zonnig en dus zou het vermoedelijk niet al te druk zijn.

Op de heenweg kreeg ik ineens zin om een vlieger te kopen.
Zo gezegd zo dus ook gedaan.

Voor we naar paal 45 liepen natuurlijk eerst wat gedronken bij ‘Zeezicht’ de favoriete strandtent van mijn ouders. -Zoets doen we natuurlijk wel in stijl hè?!-

Daarna dus het doosje leeggegooid en dat voelde voor mij een beetje als ‘vrijheid’. Niet voor mij, maar voor hen.

Nadat ik dat gedaan had viel het me ineens op dat de hele lucht grijs en grauw was, er was alleen een klein stukje blauw boven hun duinpan zichtbaar. Grappig. Lief.

De volgende foto is trouwens ook wel grappig:
image
Het lijkt net alsof Rem drie of zelfs vier vliegers vasthoudt. Het is er echt maar eentje hoor. Zal wel aan mijn IPhone liggen, maar ik zie daar gewoon graag een lieve groet in.

Na een uurtje zijn we weer gegaan. Het helmgras wuifde me tevreden na.
Nog even wat gedronken bij Zeezicht en daarna een lekkerbekje gegeten op de camping, terwijl goedkeurende glimlachjes van mijn ouders en zus in mijn gedachten verschenen.

Weer een klus plat.(niet oneerbiedig bedoeld). 
Nu alleen nog ons boottochtje door het Guisveld om de rest van de as uit te strooien (de grootste hoeveelheid). Daarna zal ik alleen nog wat kleine emaille hartjes met as bewaren. 

Voorlopig vind ik het fijn dat ze nog een beetje dichtbij me zijn. Als de tijd er rijp voor is zal ik het gewoon weten.

Soms zijn de lijntjes kort…

Gedachten

Soms speelt er al een tijdje een idee ver ergens op de achtergrond door je hoofd.
-Kent u dat?-

Zo ben ik natuurlijk heus ook bezig in mijn hoofd met de as van mijn ouders en zus die ik nog uit moet strooien. Rem begon er van de week over. ‘Zullen we binnenkort…?’
Voor mijn gevoel was het daar nog niet de juiste tijd voor. Ik vind het nog zo fijn dat ze op deze manier een beetje dichtbij me zijn.
En als ik dat dan zeg tegen Rem hoor ik ook de stem van mijn vader weer in mijn hoofd echoën:
‘Zoals jij denkt dat het moet Nadda, zó is het goed’.
Stervenden kunnen op die manier, door dat soort woorden, het verlies zoveel makkelijker te verwerken maken…

Maar goed, ik wilde het over hun trouwringen hebben. Het zijn twee hele gewone rechttoe rechtaan gouden trouwringen; een hele kleine, en een hele grote.
En ze liggen daar maar, samen met het gouden kinderkopje dat mijn moeder van mijn vader kreeg toen ik geboren werd, in een doosje te wachten tot ik zou weten wat ik er mee zou gaan doen:
‘It Will come to me sooner or later…’
Ofwel: dat soort beslissingen moet je nooit forceren, op een dag wordt het je gewoon duidelijk.

En vandaag is zo’n dag:
Ik weet opeens helemaal zeker dat ik van de twee ringen één ring moet laten maken.

En toen me daarna opeens ‘ingefluisterd werd’ dat die ring dan een cadeautje voor mijn vijftigste verjaardag zal zijn, begon ik spontaan te huilen…

Over troost

Door Myriam ben ik uitgenodigd om de volgende tag in te vullen.
De tag komt van Zinderen, een Vlaams blog. Het was eigenlijk wel goed voor me om even over haar vragen na te denken.
Ik heb ze niet allemaal beantwoord, deze vond ik genoeg.
Wees gerust ik ga niemand taggen, maar voel je vrij om hem eventueel over te nemen, graag met vermelding van de link naar  Zinderen

Goed, kom maar op:

Wat is troost eigenlijk?

Een goede vraag. Het kan zoveel vormen aannemen: een moeder die haar kindje sust, een arm om je heen, een hand op je schouder, of je liefste die je stevig vasthoud in de ellenlange nachten die nooit voorbij lijken te gaan. Aanwezigheid, een blik, een kaartje, een kus, de tijd nemen om te luisteren. Een hond die je blij begroet, je kat die niet van je zijde wijkt als hij voelt dat je verdriet hebt…Soms een fles wijn, of een beker anijsmelk. Dat soort dingen.

Heeft iedereen recht op troost?
Kinderen altijd. Verder ligt het er aan vind ik.

Word je zonder troost hard en kil?
Hm. Daar zit misschien wel wat in. Daarom denk ik ook dat kinderen altijd troost (hoort bij liefdevolle opvoeding) moeten krijgen als ze dat nodig hebben. Ik loste vroeger in mijn pubertijd mijn verdriet zèlf wel op thuis. Ben ik hard? Nee, ik geloof het niet. Kil? Ook niet. Maar ik kan het absoluut wel zijn als de situatie daarom vraagt. Voor mezelf zeker, maar ook voor anderen. Maar voordat het zover komt ben ik een ei.

Ben jij een goede trooster?
Voor mijn kind en man geloof ik wel. Niet dat dat veel nodig is gelukkig. Voor de rest doe ik mijn best. Ik vind het wel makkelijker om een man te troosten. Ik kan misschien soms wat rechtstreeks en oplossingsgericht troosten, zeg maar.

Wanneer heb jij troost nodig?
Ik kan mezelf aardig goed troosten. Ik huil niet zo snel en niet zo vaak. Maar soms… Als een naaste overlijdt bijvoorbeeld. Dan heb je echt alle steun wel nodig van elkaar. Ook toen onze Bordeauxdog (Beau)Nino overleed was ik daar kappot van, en dat zal ik ook zeker zijn als Bram (of Spook) zal komen te overlijden. Verder kan de combinatie van volle maan, harde wind en mezelf niet lekker voelen er nog wel eens voor zorgen dat ik een beetje labiel word en even een avondje heel erg veel troost en aandacht nodig heb. Dan kruip ik lekker weg bij Remco.

Wat biedt jou troost?
Vooral aanraking, maar ook begrip. Of het geduld wanneer ik weer eens even het verschil vergeten ben tussen de emoties boosheid en verdriet. En wat ik hierboven bij de eerste vraag al schreef allemaal.
Misschien moet ik het aanvullen met:

Mensen die even zomaar vragen hoe het met me gaat, ook al heb ik geen zin om erover te praten. Of die laten weten dat ze weten dat het het vast ‘een moeilijke dag zal zijn vandaag’. Fotoboeken, mooie spulletjes op de plank in de kast die nog een beetje naar ze ruiken.  Hun stem in mijn hoofd alsof ze naast me staan. Een oude fijne handdoek van mam waar ik mijn rug mee droog wrijf. Een cd van pap. En zijn lichtblauw sweatshirt. Mams laarsjes en rok in mijn kast. Zus’ jas. Casettebandjes. Oude boeken waarin zij lazen, of de waarheid meenden te vinden. Mijn blog waarin ik over ze terug kan lezen en waarin ik over ze kan schrijven om ze levend te houden: de vele herinneringen; soms ineens weer zo een waarvan je niet besefte dat je hem nog had. Oude brieven die mijn ouders elkaar schreven.Hun ringen om mijn vinger. Het kruisje om mijn nek dat mijn vader voor mijn moeder kocht toen mijn zus was geboren.  Dagboeken. Schilderijen. Rituelen en ‘gekke’ gewoonten. De verhalen over hen, die ik nog niet kende, die mij verteld worden door anderen. De gesprekken die we nog konden hebben om alles nog te zeggen (helaas niet bij Zus). Mijn tantes en ooms, nichten en neven. Blogmaatjes, vrienden en vriendinnen. En bovenal mijn kind en het hare, waarin ik ze zo herken. Maar ook: De zon in mijn gezicht. Sneeuwklokjes die net boven de grond komen piepen. Frisse lucht in mijn longen. Bomen die weer bloesem krijgen. Een blaffende hond. 

Momenten van stille berusting en aanvaarding.

Het aanbreken van weer een nieuwe dag
en de zekerheid van de dood.

Gemismismis

Ik mis ze.

Vorige week heb ik het laatste beetje wit wasmiddel van zus opgebruikt.
Mams make-up remover pads zijn ook al bijna op. ‘Nee, niet die op waterbasis, hou die zelf maar, ik moet die pads op óólie basis hebben’. De laatste papieren tissues gebruik ik maar niet, die wil ik bewaren voor als ik ze ècht nodig heb.
En de rozenglycerine is ook al bijna op.
Ze had gelijk: het helpt prima tegen droge benen.

Steeds vaker ontdek ik mijn moeder in de spiegel. Gek, dat zag ik vroeger niet zo.
Steeds vaker tik ik op paps barometer.
En steeds harder, maar het helpt bar weinig.
Zus haar make-up tasje ruikt nog steeds naar haar.
Ik mis ze, ik mis ze, ik mis ze.

Van de week, toen ik in de auto naar een van paps cd’s luisterde dacht ik er in een flits over na om mijn haar weer kort te laten knippen, om direct daarachter aan te denken: Nee. Dat kan helemaal niet. Ik kan niets meer veranderen, alles moet blijven zoals het was. Zoals zij het kenden.
Míj kenden.
Zoals zij mij achterlieten.

Gek hè?
Dat kan natuurlijk helemaal niet, maar juist als dingen veranderen, of als ik gewoon iets leuks mee maak wil ik het zo graag met ze delen.
Vooral met mijn moeder.

Mijn moeder en zus zouden zo gelachen hebben om mijn verhaaltje over ‘de Zaak’.  Zelf zouden ze ook nog wel een paar ideeën hebben gehad voor het Uitvaartcentrum. Vroeger lagen we blauw van het lachen om de absurde boeken van Tom Sharpe. 

Ik kon om niemand zo verschrikkelijk lachen als om mijn zus vroeger. We zijn eens op vakantie geweest toen ik 27 was, en zij 29. We stonden op een jongerencamping in Zuid Frankrijk. Het was juni, en samen met een stel jongens van 18 waren we de enige gasten tussen van de twee mannelijke hosts / cq entertainment-team.
Ik zal er binnenkort eens een (Pannenkoeken) blog aan wijden.

Herinneringen ophalen.
Ervaringen delen.

Iemand die onvoorwaardelijk van je houdt.
Die je kènt, als haar eigen broekzak.

Dát gemis voel ik nu.

Maar nu nog even niet

Vandaag is het precies twee jaar geleden dat ik samen met mijn moeder en zus afscheid nam van mijn vader. Soms heb ik nog steeds het idee dat het allemaal maar een boze droom was. Dat morgen de bel gaat en ze voor de deur staan. ‘Surprise!!’
-Of, realistischer: Pap, die belt en met de deur in huis valt. ‘Nadda, mag ik Rem even?’
Zus die sms’t dat ze het toch niet gaat redden vandaag, en mam die gewoon weer gezellig achter haar sherry-tje hier aan tafel zit.-
En nee, natuurlijk besef ik het heus hoor, ze komen niet terug. Ik zie ze nooit meer. Zal hun stem nooit meer horen, behalve dan in mijn hoofd. Daar hoor ik ze nog dagelijks.

Vandaag dus weer zo’n dag. Misschien moet ik er gewoon geen aandacht aan besteden. Ik kan wel aan de gang blijven:
10 januari sterfdag pap
6 april trouwdag ouders
8 mei moederdag
22 mei verjaardag mam
31 mei mijn verjaardag
19 juni vaderdag
21 juni trouwdag
30 augustus verjaardag pap (en Remco)
31 augustus sterfdag mam
Allerzielen
1 november verjaardag zus
13 november hersenbloeding zus
14 november sterfdag zus
Sinterklaas
Kerst
Oud en nieuw

Het zal vast wel een beetje slijten. Er zal heus wel een dag komen dat ik zal vergeten er even stil bij te staan.

Alleen nu nog even niet.

Systematische gezinsopstellingen 2: Zus

Noot: ik hoop van harte dat ik door het plaatsen van de eigen teksten van mijn zusje niemand pijn zal doen.
Het ligt geenszins in mijn bedoeling mensen zwart te maken of ergens de schuld van te geven. Het is slechts mijn bedoeling om zelf te gaan begrijpen wat er is gebeurd.
En misschien ook wel om daarvoor (later) begrip hiervoor bij anderen te bewerkstelligen.
In de eerste plaats Neef.

Gister had ik al verteld over mijn vader. Vandaag wil ik wat meer vertellen over mijn zusje. Een paar dagen geleden had ik u al verteld dat ik voor een gevoel van veiligheid eerder bij mijn zus aanklopte dan bij mijn ouders, hoewel mijn zus en ik ook best vaak samen ruzie hadden, we verschilden dag en nacht.

De laatste jaren heb ik mijn moeder niet zien huilen. Ik vermoed dat ze haar gevoel gewoon aan de kant had leren zetten. (Daar ben ik ook een ster in geworden;-)

Echter, tijdens mijn pubertijd probeerde onze moeder vaak vanuit een slachtofferrol haar zin te krijgen.
Bij mij werkte dat helemaal averechts, ik verachtte haar er zelfs om, en ben nog steeds allergisch voor krokodillentranen bij andere mensen.

Maar kennelijk voelde mijn zus zich toch best een beetje verantwoordelijk voor mijn moeder haar gevoel van welbevinden, want zij bleef vaak ’s avonds beneden bij mijn moeder zitten luisteren.

Dat ze zich erg verantwoordelijk voelde voor de harmonie in huis blijkt ook uit deze horoscoop duiding uit 1990 die ze heeft overgeschreven vanaf een casettebandje dat er nog bij zit. -Ik heb er nog niet naar geluisterd, het zal zo heftig zijn haar stem weer eens te horen, en dan nog zonder gestotter en ‘ge-uh’s’ te horen vanwege de afasie die ze acht jaar geleden kreeg na haar infarct.-

Ze was tijdens deze sessie 26 jaar.
De astrologe heeft het trouwens ook over een belangrijke transit van Pluto die over twee jaar, in ’92, plaats zou vinden en grote veranderingen voor haar teweeg zou kunnen brengen.
Zus heeft het ook nog over trouwen en ‘eerst sparen voor een mooie jurk’, dus tussen M1 en haar zat alles nog redelijk goed.

Overpeinzing van vandaag:
Misschien heeft niet, zoals ik jaren heb gedacht, een kleine tia die we over het hoofd hadden gezien maar deze horoscoop duiding haar net dat ene zetje gegeven wat nodig was om uiteindelijk zò in gedrag te veranderen van plichtsgetrouw en verantwoordelijk naar wie ze uiteindelijk is geworden?

image

image

image

image

image

image

image

image

image

Systematische gezinsopstellingen 1

Het zal de rouw zijn.
De rouw zal de reden zijn dat ik me zo aan het verdiepen ben in het verleden, en dan met name ons gezin vroeger.
Ik denk ook, dat ik door het kunnen doorzien van deze systematische gezinsopstelling beter zal kunnen begrijpen wat er is gebeurd.
En als ik het kan begrijpen kan ik het vast ook een plekje geven.

Ik wil een beetje proberen uit te leggen wat ik denk wat er (mee) speelde:

Ik ben ooit begonnen met bloggen omdat ik behoorlijk ziek was. Door polyartrose en/of een bacterie had ik sinds begin april ’13 veel last van ontstekingen. Ik kon wekenlang amper lopen.
Het deed me veel verdriet dat mijn ouders mij toen niet kwamen opzoeken. Ja, mijn moeder belde af en toe. ‘Gaat het?….Nou, kassie ‘an dan maar hè?’ (Rustig aan).

Op een zaterdagochtend, begin mei, kwamen ze vanaf de camping iets langs brengen wat Kylian vergeten was. ‘Koffie?’ vroeg ik.
‘Nee, we moeten meteen naar huis. Het gras moet gemaaid en mama moet een was doen’.
‘Pap toe, het is half twaalf. Een kop koffie kan toch best?’
Het kon niet, en ik werd boos.

Ik begreep het niet.
Waarom was het nou altijd zo moeilijk om bij mij op visite te komen?
En als ze dan kwamen (verjaardagen, enkele keer met kerst of Sinterklaas) was het meestal zo kort mogelijk, en hield mijn vader nog liefst zijn jas aan ook.
‘Nee we moeten gaan hoor, mama moet aan het eten beginnen’. Zomaar spontaan mee blijven eten dat was echt bijna niet mogelijk, daar moest hij zich echt eerst op instellen.

In die week ben ik gaan zoeken op internet en ik kwam al vrij snel terecht op een site waar verhalen stonden van volwassen kinderen met een ouder (met verdenking) van een stoornis in het autisme spectrum.
Het was voor mij zeer herkenbaar.
Pijnlijk herkenbaar soms zelfs.
Ik ging nadenken.
Neef is een paar jaar geleden gediagnostiseerd met PDD NOS.
Dat kwam er ook bij. Vaak is er een vorm van erfelijkheid in het spel. Ik moest denken aan mijn opa, de vader van mijn vader.
Aan zijn continue ‘money-money-money’ gebaar tussen duim en wijsvinger. Het gefluit.
Zou het kunnen?

Ik heb de zeventigste verjaardag van mijn moeder op 22 mei aan me voorbij laten gaan.
Wel had ik even gebeld.
‘Alles goed? ….Nee ik kom niet, ik heb teveel pijn…Nou, fijne dag hoor, en kassie ‘an!)

Op mijn verjaardag 31 mei belden ze mij en ze wilden graag op maandag 2 juni koffie komen drinken. Tijdens dat gesprek hoorde ik pas van de darmproblemen van mijn vader en het naderende ziekenhuisbezoek. ‘Wil jij met me mee Nadda?’

In de maanden die daarop volgden zag ik mijn vader vaker dan in de jaren voorheen.
Bepaalde tics die ik vroeger niet had kunnen plaatsen vielen nu een beetje op hun plek. Het gesmak in de auto, op weg naar het ziekenhuis. Het heen en weer gedraai van zijn hoofd op het brancard op de eerste hulp ’s nachts. Het continue volgen van de weerberichten op de verschillende kanalen. Het op tijd moeten eten. (Ook vanwege zijn diabetes, maar vroeger was dat ook al zo).
Het onzeker voelen / weinig plezier beleven aan uitstapjes met / naar vrienden / familie.
Nee, doe maar gewoon dezelfde plek op de camping, en Spanje.
Vijftig keer. Mijn kast puilt uit met fotoboeken;-)
Maar wat moet dat die eerste keer een opgave geweest zijn voor mijn vader.

Ik weet nog goed dat mijn vader opgenomen moest worden die nacht. Ik had al zo’n vermoeden en dus stond zijn tas vast ingepakt. Maar wat nam ik mee?

Later heb ik er een paar keer voorzichtig met mijn moeder over gesproken.
‘Denk je dat dat zou kunnen?’
Ze dacht ook dat dat best wel eens zo zou kunnen zijn. ‘Ik heb daar wel vaker aan gedacht hoor kind’.

Het verklaart in ieder geval voor mij een hoop, en het neemt ook een hoop boosheid weg.
Als mijn vader inderdaad een stoornis had in het autisme spectrum dan was het allemaal geen kwade opzet geweest, maar een groot onvermogen waardoor de dingen zo zijn gegaan zoals ze gingen, en waardoor ik geworden ben wie ik nu ben.

En dat is oké.

Hoe het zo’n beetje ging…

Het is vandaag de sterfdag van mijn opa. De vader van mijn vader. Ik was geloof ik tien jaar. Volgens mij was het 1977.

Ik zie nog zo de kist voor me in het kamertje voor in de kerk.
Mijn oma zat er naast. ‘Kom maar kijken meiden, hij ligt er zo mooi bij’. Achter mijn grote zus schoof ik aarzelend dichterbij.

Gek, maar op de angstige momenten in mijn jeugd als de tandarts of de dood lag mijn hand altijd in de hare. In die van Zus dus, daar zocht ik veiligheid, en niet bij mijn moeder.

Mijn moeder zocht zelf ook haar veiligheid bij mijn zus.
Zus was groot en sterk.
Zus was degene die altijd kalm bleef, en rationeel bleef denken in crisissituaties als lekke banden, parkeerbonnen, etc.

Uit hetgeen ik gister schreef heeft u vast al een beetje begrepen dat mijn ouders het niet makkelijk met mij hadden vroeger, en ik niet met hen.
Ik wil daar nu wat meer over uitleggen, voordat ik meer ga vertellen over mijn pubertijd.

Begin jaren ’80 raakte mijn vader zijn baan kwijt doordat het bedrijf waar hij werkte failliet was gegaan. Het was in die jaren crisis. Mijn vader was toen ook net gestopt met roken, -cold turkey natuurlijk, zo was hij wel.-

Tot de tijd dat ik er achter kwam dat mijn vader echt niet alles wist was ik altijd echt een vaderskindje geweest. Nou vond ik het nog niet eens zo vervelend om te ontdekken dat mijn vader niet alles wist, maar ik vond het wel heel naar als hij niet wilde toegeven dat hij het gewoon fout had, en toen ik een jaar of veertien was kon ik met de beste wil van de wereld niet meer doen alsof rood groen was. Mijn moeder en zus waren daar wel een kei in.
Soms dacht ik echt weleens dat ik gek werd, toch weigerde ik hem gelijk te geven.
-natuurlijk zal ik ook heus wel vaak gewoon ook ongelijk hebben gehad-.

U begrijpt vast dat een vrij autoritaire, werkloze, met roken gestopte vader en een nogal recalcitrante puber nu niet direct de juiste ingrediënten waren voor een gelukkig gezinsleven thuis. Tel daar een overspannen moeder en geldzorgen bij op, en u heeft het plaatje wel voor ogen denk ik.

Meestal zat ik dus op mijn kamer te lezen of in mijn dagboek te schrijven of was ik bij vriendinnen. Ik trainde in die tijd vijf keer per week bij Lycurgus. Vier avonden en op zondagochtend was er duintraining. Op school deed ik weinig. Huiswerk maakte ik bijna nooit. In de tweede klas ben ik blijven zitten.
Evengoed had ik bijna iedere dag wel ruzie. Meestal was dat iets tussen mijn vader en mij. Mijn moeder gaf mijn vader altijd gelijk, ook al was wit zo zwart als roet. Ik had daarom ook totaal geen respect voor mijn moeder in die periode, en trok me weinig aan van wat ze me vroeg. Ik vond het bijvoorbeeld belachelijk dat Zus en ik iedere week de badkamer en het toilet moesten schoonmaken. Ik was een kind wat zei:’Ja, doe het lekker zelf!’, maar zus deed dat gewoon hoor.
Ik denk dat ze kostte wat het kostte de vrede enigszins probeerde te bewaren in huis.
Eten was voor mij meestal een hel. Ook al had ik me zo voorgenomen geen ruzie te krijgen, meestal gebeurde dat toch.
Ik hou er -denk ik daarom- nog steeds niet zo van om ‘gezellig samen te eten’.

Mijn zus was denk ik zowel de steun en toeverlaat van mijn vader, mijn moeder als van mij.
En ja, natuurlijk had ze ook zelf wel eens ruzie met mijn ouders hoor, maar 19 van de 20 keer was ik het.

Ik denk wel eens dat mijn zus zichzelf in die jaren zo erg verloochend heeft, dat ze zichzelf later verbijsterd heeft zitten afvragen wie ze nou eigenlijk daadwerkelijk was.
Fenna, de perfecte verloofde, dochter, dierenartsassistente, huisvrouw, zus, vul maar aan.
Mijn zus is pas op haar 26-ste gaan puberen vermoed ik.

En het zou misschien best eens zo kunnen zijn dat dat haar uiteindelijk fataal is geworden.