Sinterklaas in de vroege jaren ’70

In eerder geplaatste verhalen over vroeger heb ik al een beetje laten doorschemeren dat wij vroeger gek waren op alles wat onze fantasie ook maar een heel klein beetje prikkelde. De Sinterklaastijd was dan ook ieder jaar weer een hoogtepunt in ons bestaan. En dat gold niet alleen voor mijn zus en mij, welnee, onze moeder deed in niets voor ons onder hoor.

Sint Maarten had zijn hielen nog maar amper gelicht of we snorden onze Sinterklaaselpee alweer op, en drukten wortels voor de hutspot achterover voor het paard. Ik vroeg me als kind trouwens af waarom er op 11 november Sinterklaasschuim werd uitgedeeld, en geen St. Maartenschuim, maar niemand die het antwoord ooit wist -of die zich daar natuurlijk überhaupt druk om maakte. Behalve ik dan.
Mocht u het antwoord kennen dan stel ik het zeer op prijs als u het mij alsnog laat weten.-

Zodra Zus een beetje kon lezen (en dat was rap) hield ze de Troskompas nauwlettend in de gaten om te zien wanneer de Sint op tv zou komen. Uiteraard zaten wij dan aan de buis gekluisterd met een speculaasje en een beker warme chocolademelk.
De week daarna meerde de Goedheiligman dan aan in de Zaan in Wormerveer. Stonden we weer gezellig samen te kleumen met al die kinderen die we al kende van school, de rij voor de luilakbollenkraam bij bakker Jongens, het zwembad, het paardje van de C&A en het tuinpad van de tandarts op een regenachtige maandagmorgen in Koog aan de Zaan tot hij eindelijk op het balkon van de Jonge Prins verscheen.

We hadden trouwens maar een Sinterklaaselpee thuis, en dat was eigenlijk ook wel zo makkelijk: hij begon op kant A met het tot op je botten doordringende geluid van de luchthoorn van de arriverende stoomboot, om zonder adempauze te vervolgen met Kapoentje, Bonnebonnebonne,  Zie de maan schijnt, Daar wordt aan de deur geklopt en O, kom er eens kijken. De B kant eindigde dan met de nummers Zegt moe, RommeldeBommel en Dag Sinterklaasje, maar die laatste zongen we nooit mee (want dan waren we al druk aan het spelen met onze cadeautjes).
De voorkant van de elpeehoes zie ik nog zo voor me: een nogal rood uitgevallen Sint met een nogal verdacht blauwe neus omringt door mysterieus grote dozen met bonte strikken en smetteloze witte-kragenkindjes waarvan Zus en ik ons altijd afvroegen of zij wel ècht bestonden.
Die kraagjes èn die kindjes.

Uiteraard geloofden wij wèl heilig in Sint Nicolaas.
Zus had het zelfs zo hoog met Sint en zijn zwarte pieten op dat ze zelfs bij hem solliciteerde voor de functie van Zwarte Piet. Ik herinner het mij nog heel goed, het was op het Sinterklaasfeest van mijn vader zijn werk. Zus mocht even bij de Sint op schoot toen ze haar cadeautje op mocht halen.img_3392

‘Wat wil jij later worden?’
Ze moest maar flink haar best blijven doen met gymnastiekles had Sint gezegd, dan zou het vast en zeker in orde komen.
Ik vond de gedachte dat zij mij zou gaan verlaten heel erg. Hoe moest dat nou met mij, als zij naar Spanje zou gaan?
Ik kon toch niet zonder haar?

Zij had die middag trouwens ministek gekregen, en ik was stinkend jaloers geweest.
Net zo jaloers als op haar Sneeuwwitje 3-D sprookjesboek dat ze in haar schoen had gevonden. Ik kon mijn ogen (en onhandige handjes) bijna niet van dat mooie glazen kistje afhouden. Gek, dat ik mij weer niet goed herinner welk sprookjesboek ik zelf gekregen had,img_3393

en dat ik ook niet meer weet wat er ooit in dit pakje  gezeten heeft. (Misschien komt het omdat ik de beelden van mijn zus met dat betreffende stuk speelgoed dan op mijn harde schijf heb opgeslagen en mijzelf niet met mijn cadeau ’s heb zíen spelen?)

Die sprookjesboeken waren trouwens een uitzondering. Meestal kregen we kleine dingetjes in onze schoen hoor. Een rekenpen die de tafels kon uitrekenen, reuze handig-, een vierkleurenpen, een Holly-hobbygum, dat soort dingen. Degelijk ouderwets flutspul wat verder nergens goed voor was, en zijn magie slechts ontleende aan de naam van de gulle gever.
Wij waren overal blij mee, want ieder cadeau was voor ons weer een bevestiging dat hij ons op pakjesavond vast en zeker niet zou vergeten.
En dat heeft de goede man ons dan ook nooit aangedaan gelukkig. Het leed zou niet te overzien zijn geweest. Hoewel het feit dat wij op een goede morgen alleen maar een rekenpen in onze schoen hadden gekregen en ons onderbuurjongetje een elektrische trein compleet met bomen, tunnels, noem maar op, ons tot in het diepst van onze tere kinderzieltjes bezeerd had. Onxe moeder probeerde natuurljk dan wel aan ons uit te leggen dat Sint gewoon niet overal langs kon komen op pakjesavond en dat sommige kinderen hun grote cadeau om die reden dus eerder in hun schoentje kregen. Tegen zoveel logica viel natuurlijk niets in te brengen.

Op pakjesavond zelf moest natuurlijk eerst de hele A-kant mee gejubeld worden. Voor deze keer zong mijn vader dan ook hard mee, terwijl mam nog even snel in de hal een bloesje moest strijken of de banketstaaf op moest warmen of zo. En ieder jaar opende tijdens het zingen de huiskamerdeur en werd er door een zwarte handschoen met pepernoten gestrooid. ‘Zwarte Piet? Was die dan hier?’ Als het Sinterklaas betrof kon mijn moeder liegen alsof het gedrukt stond. Pas als we aan de B-kant van de elpee waren en mam ons koor was komen versterken (misschien moesten we dan wel nog harder zingen?) werd er op het raam gebonsd. We gilden het dan uit en sprongen in onze Hamelen nachtjaponnetjes op en neer terwijl mam verheugd in haar handen klapte en pap eindelijk de verlossende woorden sprak: ‘Rustig allemaal, ik ga wel even op het balkon kijken’.

Daags na pakjesavond vierden wij steevast Sinterklaas nog eens dunnetjes over met de hele familie moederzijds in de bovenwoning van mijn oma. Ik denk dat we al snel met een mannetje of vijfentwintig waren, maar het hele spul paste er wonderwel toch iedere keer maar weer in. Het was er altijd een drukte van jewelste, want iedereen van groot naar klein was natuurlijk peu-nerveus voor het hele sinterklaas gebeuren. Mijn tantes deden voor wat betreft fantasie en inlevingsvermogen maar bar weinig onder voor mijn moeder, dus bij iedere bonk op de zoldervloer boven ons gilden onze tantes en moeders: ‘Het is zwarte Piet, Hij komt jullie halen!‘ en verslikten wij ons zowat in de grote kleurrijke suikerbeesten, een lekkernij die wij alleen bij onze oma kregen. Het gebonk boven onze hoofden duurde zeker wel een paar minuten. En wij maar gillen natuurlijk. Het hart klopt nog in mijn keel als ik eraan terug denk, mensenkinderen wat een toestand.
Heus, mijn tantes, en met name tante C. hadden geen slecht figuur geslagen in de film Sint, of in welke film dan ook.

Later, zodra de rust weer een heel klein beetje was wedergekeerd werd het dan natuurlijk wel weer reuze leuk: Er was bisschopswijn voor de tantes, en uiteraard waren ook de pilsjes, de citroentjes, jonkies en de palinkjes weer gezellig van de partij.

Ik meen dat de oude buurtjes Bos voor Sint en Piet speelden, maar helemaal zeker ben ik daar niet van.

Wat een prachtige herinneringen toch allemaal. Zulke herinneringen gun je toch ieder kind?

Advertenties

Dag lief huis

Juli ’76.
‘Hier is het meiden. Negentien’.
Mam belt aan bij de gele voordeur.
Zus en ik kijken naar het voortuintje en dan naar elkaar.
Takken van een verwilderde heg hangen ver over het verzakte straatje met hier en daar wat paardebloemen en distels tussen de grauwe stoeptegels
De gele deur opent zich voor we er iets over kunnen zeggen.

We worden verwacht om het huis te bekijken.
Pap kon niet mee.
‘Let goed op de ligging van de achtertuin schat, dat is het belangrijkste’.

8-10-’15
Ik steek voor de laatste keer de sleutel in het slot en stap naar binnen. Het oude groene zeil met het plavuizen motief dat jarenlang onder de vloerbedekking verborgen was geweest doet me vreemd vertrouwd aan. Alsof de tijd heeft stilgestaan.
Ik loop naar binnen en leg mijn tas op de vensterbank.

Binnen is het erg donker, vies en het ruikt muf.
De deuren, muren en verwarmingsbuizen zijn rood, geel, pimpelpaars en zwart geschilderd.
De vader van het gezin zit in een rolstoel aan de tafel achter.
De vrouw is dik en stinkt naar zweet.
‘We gaan gelijkvloers wonen aan de Vondelstraat’.

Mam kijkt naar de tuindeuren met ruitjes.
Er staat gewoon een radiator voor.
Ik vind het maar gek.
‘Kunnen ze nog open?’ vraagt mama.
Ze kunnen nog open.
En de tuin ligt op het zuidwesten.



Pap was zich later rotgeschrokken.
‘Hoe heb je dit nou kunnen accepteren?’

De open haard ziet er verdrietig uit zo. Rem heeft de balken van de open haard eraf gehaald om later weer in onze eigen schouw te plaatsen. Het zijn oude balken.

‘Die balken komen nog uit …’
Pap staat op een trap en ik lig met mijn boek op mijn buik op de bank toe te kijken hoe hij de open haard maakt. Mam is boodschappen doen. We hebben net soep gegeten en naar de ‘Dik voor Mekaar show’ geluisterd.

Hij heeft een gat in het plafond gemaakt. Er gaat eerst een vuurvaste stalen pijp in. Daaromheen isolatie materiaal, en dan maakt hij weer stalen platen de schoorsteenmantel. ‘Kijk, zó doe je dat Nadda’.

Ik open de achterdeur en loop over het paadje naar buiten, naar de schuur. Gelukkig mogen we de gaten in de muur van de schuur gewoon zo laten.

We zitten met ons vieren aan tafel. Pap heeft het licht in het nachthok in de schuur aangedaan en het klepje opengedaan. Vroeger was dat het kolenhok. Vanuit dat hok kunnen ze via het gat in de muur de ren in en uit. ‘Gaan ze nou naar binnen pap?’
Het kippenhok is eindelijk klaar en gisteren hebben we Wyandotte’s gehaald bij een fokker in Westzaan.

‘Ja hoor, kijk, daar gaan ze’.
Verheugd kijken we toe hoe vier witte pluimkontjes over het trappetje het nachthok in trippelen.

De schuur is leeg.
Het geluid van de bijl zingt zachtjes na in mijn hoofd.
Ik sluit de deur en loop naar het plekje waar mijn lieve poes Porky begraven is.
‘Dag Porrek’.
Ergens diep onder de kliko ligt haar zusje. ‘Dag Poerek’.

Weer binnen ga ik via de keuken naar boven. De lange spiegel is weg.

‘Ga nou eens opzij! Ik wil ook kijken’

Er valt niets meer te dralen, niets meer te zien. 

Boven neem ik afscheid.
Dag kamer van zus, van mij, van Kyl.
Dag kamer waar ik zoveel huilde.
Dag zolder, weet je nog van die peuk?
(Sorry voor de keren dat ik als puber stomdronken over je dak gekotst heb).
Dag kamer waar ik zoveel schreef.
En ik zoveel las.
Waar ik de liefde ooit bedreef.
Droomde, wenste, vervloekte.
En waar ik afscheid voor altijd nam van mijn vader.
‘Zorg maar goed voor de nieuwe mensen lief huis’.

Beneden haal ik de sleutels van mijn bos.
Daar is de man van Parteon al.
Snel loopt hij een rondje door het huis.
‘Keurig hoor, knap werk’.

Een handtekening.
Een hand.
Een sterkte.
Een dag.
En dan trek ik de deur voor de laatste keer achter mij dicht.

38 jaar.
Ik kijk nog even achterom.
En zie ons weer staan.
Mam, Fenna en ik.                                                                       Voor die gele deur. 

Alsof het GVD gisteren was.

Lentewens

IMG_6869
Bron

Fen,

Weet je nog?
Als het weer lente was?
Hoe we renden over het veld met de krokussen op de Oude Boomgaard?
Ik met de vlieger, jij met de houten haspel.
‘Je moet hem ook wel loslaten als ik dat zeg Nar!’
Hoe we in de bomen klommen, en ons op een dikke tak in stilte verwonderden over al die geel met paarse bloemen?
En het eerste lieveheersbeestje van dat jaar?

Weet je nog?
Hoe heerlijk het was?
Die andere allereerste dag
-weer zonder jas,
zonder kousen-
in de draaimolen waar je me eens verklapte dat er ‘gewoon een luikje’ daar ergens in de blauwe lucht zat.
‘En dat kun je alleen maar vinden als je dood bent’.

Weet je nog?
Wat jaren later.
Voor het eerst in korte broek weer in de tuin?
Waar het zo heerlijk luw kon zijn in het hoekje bij de kippenren.
En hoe de buurman van 21 weer naar ons stond te gluren?
Voor het eerst dat jaar.

Weet je nog?
Weet je nog?

De Gedempte Gracht?
Waar de auto’s toen nog reden?
En Ultravox overal uit de boxen schalde toen we bij John en Vera Hartman tassen van Stardust kochten, en shirtjes van Ball waar we net als ieder ander de mouwen van oprolden voor we onze nagels zwart lakten en samen in jouw kamer luisterden naar Hazel ‘O Connors ‘Thats Life’.
-Zolang het gedoogbeleid tenminste van kracht was-.

Alles komt terug.
De krokussen.
De narcissen.
De bloesems aan de bomen.
De vogels van hun trek.
Alles komt weer terug.
Echt alles Fen.

Àlles!

Jeugdherinneringen uit de jaren’70, deel 1

-Uit de oude doos-

Afhaalchinees

Echt zo’n jaren ’70 dingetje: op zondag at je kip met appelmoes óf Chinees.
Dat was gewoon zo.
En niet even bellen en bestellen natuurlijk.
Zoiets kwam niet eens in mijn moeders hoofd op.
Het heette natuurlijk ook niet voor niks ‘Afhaalchinees’.

En dus stond je met je moeder in je paarse lakjasje en je oranje rubberlaarsjes net zo lang buiten in de druilende regen te wachten met al die andere moeders en kinderen die je al kende van de rij voor de luilakbollen, de rij bij de pashokjes van C&A vlak voor Pasen en Kerst en de rij bij de kassa van de Watering in de schoolvakanties, tot er eindelijk plaats was in de tot wachtkamer omgebouwde garagebox.

Daar stonden een stuk of tien aftandse met rood skai bekleedde stoelen waarover de stilzwijgende afspraak bestond dat ieder kind gewoon verder ging met het plukken van het schuimrubber via de vele scheuren in het nep leer waar je voorganger gebleven was.

Aan het plafond hing zo’n echte zeshoekige Chinese lamp met verbleekte rode kwastjes eronder. Scheef en vergeten hing er een jaarkalender van bamboe uit ’72 aan een rode punaise tegen het kleurrijke behangetje met Oosterse motiefjes.
Op een klein tafeltje in de hoek lagen oude Donald Ducks naast een immer volle asbak. Wat er op de grond lag kan ik me niet herinneren, maar het zal vast en zeker een versleten stuk zeil geweest zijn, zoals vinyl toen nog gewoon in de volksmond heette.

De muur tegenover de deur had een heus bestel-luikje, met een authentiek Chineesje daarachter dat razend snel zijn luikje open en dicht kon doen en ook daadwerkelijk altijd vroeg of je er sambal bij wilde.

Het luikje bleef nooit lang genoeg open om je een blik te gunnen op de zwetende Chinese koks die boven het gasfornuis in grote dampende pannen rijst stonden te roeren of, vàst staande op krukjes, de spiegeleitjes stonden te bakken. En bleef het al lang genoeg open, dan nòg werd het zicht je volledig ontnomen door de dikke wolk stoom die standaard meegeleverd werd bij iedere bestelling.

Nee, erg lang duurde het nooit. We aten immers ook allemaal hetzelfde : Bami of Nasi Speciaal. -Met dat rozige spiegelei erboven op, weet je nog wel?-
Kon je dan nog Saté, Kip of een Loempia bij krijgen, maar veel meer variatie was er volgens mij niet. Bij ons thuis niet tenminste.

‘Nummel dlie-en- deltig’. Dat waren wij. ‘Sambal bij mevlouw?’ Jazeker, dat wilde mijn moeder wel. En kroepoek natuurlijk, ook altijd ‘Kloepoek bij’.

Had je eenmaal je witte plastic tasje dan liep je zo snel je kon met je moeder terug naar je paars- oranje huisje, waar de tafel al was gedekt, en het water al in de groene glazen op tafel te wachten stond.

Ja, het waren kleurrijke tijden.
Maar Studio Sport keken we even later wel nog gewoon in zwart wit hoor!

Waterkou

Zondag 30 november.

We hebben nergens zin in.
Zijn weer laat wakker.
Moe.
Ik denk dat de spanningen zijn tol eisen.

Ik begin toch maar met het sorteren van bak 1 van zus haar privé post en
kom tot mijn verbazing een verjaardagskaart tegen uit 1972 met daarop een geborduurd Spaans meisje.
Ooit gestuurd door de buurvrouw van de camping de Oude Boomgaard.
Ik herinner me haar nog goed.

Het was een alleenstaande wat oudere dame met twee Golden Retrievers, Sonja en Donna. Soms mochten we met haar mee de honden uitlaten. Aan de achterkant van de camping liepen we de dijk op, linksaf langs de boerderij van onze vriendinnetjes, dan langs de boerderij met de zwarte hond die altijd blafte, en verder de dijk af, net zo lang tot we weer linksaf konden slaan en een paar minuten later weer voor de ingang van de camping stonden.
Ik was altijd met zus.
Waar zij was, was ik.
We deden nagenoeg alles samen.
-wat niet wil zeggen dat mijn zus daar altijd even blij mee was.-

Kwart voor vier haal ik mam op.
We zijn al in geen weken bij pap op de begraafplaats geweest.
‘Nee, wanneer had ik dat moeten doen? Jij spreekt steeds wat af voor me’, grapt mam met een klein serieus ondertoontje.
‘Zaterdag kwam Lidy, zondag tante L, maandag Yvonne, dinsdag de dokter. Ik ben hartstikke druk!’

Het is koud.
Koud en leeg op de begraafplaats.
Het Urnentuintje heeft zich in een paar weken een heel andere look aan weten te meten.
Bruiner.
Kaler.

Doods.

De schelpjes die zus bij pap had neergelegd liggen er nog steeds.
De madeliefjes die ze er bij had gelegd zijn allang al vergaan.
Weg.
Zus is er slechts 1 keer geweest.
Mam steekt het waxinelichtje aan en stopt het terug onder het bronzen engeltje wat mam van Linda van de thuiszorg heeft gehad.
Haar handen beven.
Ze wil het perse zelf doen.
Ik haal wat helikoptertjes weg.
Ken je ze? Die zaden die je omhoog kon gooien?
Als je het goed deed kwamen ze als helikoptertjes weer naar beneden dwarrelen.

Ik zie ons weer gaan.
Zus en ik.
Op een dag in de herfst.
Ik denk dat ik vijf geweest moet zijn.
Hooguit zes.
Zus zeven of acht.
Ik kon net fietsen op mijn blauwe fietsje.
Zus had groene, iets groter fietsje.
Witte gevlochten rieten mandjes voorop.
En een Mickey Mouse fietsbel van Bakkertje op het stuur.

‘Gaan jullie met ons mee?
Wij weten waar je heel veel kastanjes en helicopters kan vinden’.
Natuurlijk gingen we mee!
We hielden wel van een beetje avontuur.
Voor het eerst fietste ik over de Cor Bruijnweg naar de Ruyterkade.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Ik was bang daar op die lange Cor Bruijnweg.
Te ver van huis.
Veel te gevaarlijk.
Al die auto’s.
Als mama dit wist.
Nou!!
Maar Zus was bij mij.
Alles zou goed komen

‘Kijk, daar is die boom al’.
Ik was meteen mijn angst vergeten.
We gooiden onze fietsen neer bij de fietsen die er al lagen en zochten tussen de andere kinderen op de grond.
Daar zag ik ze voor het eerst.
Helikoptertjes!

‘Daarachter ligt er nog eentje kind’.
Ik til het plantje voorzichtig opzij zodat mam het kan pakken.
Daarna legt ze voorzichtig haar handen op de urn.
‘Ze is nu bij jou schat’.

Samen kijken we naar het vlammetje.
Ik haak mijn arm in die van mam.
Zo staan we even.
Gewoon te staan.
Wat valt er te zeggen?

‘Zullen we maar gaan kind, het is zo koud.’
Gearmd lopen we langzaam terug naar het groene hek dat ik weer zal openen.
En weer zal sluiten.

Er scheert een klein bruin vogeltje met een geel borstje vlak langs ons heen.

In het park verderop blaft een hond.

Het hek piept.

Verder is het stil.

Doodstil.

Schipbreuk

IMG_5814.JPG

Zelf heb ik bijna geen foto’s van vroeger. Zus en ik deelden samen een baby album. Het eerste driekwart van het boek staat vol met de meest prachtige baby-, peuter- en kleuterfoto’s van zus, en als je het album omdraaide en vanachter af begon kwamen er een paar van mij; het lot van het tweede kind.

Als ik door zus haar eigen kinderalbum blader kom ik foto’s tegen waarvan ik niet (meer) wist dat ze bestonden.
Foto’s van vakanties.
Foto’s van thuis, op de flat.
Foto’s die mijn verhalen over mijn herinneringen aan de jaren’70 illustreren.

Aandachtig bekijk ik ze.
Ieder detail.
Onze vlechten.
Onze Rootsen.
Het kleed, de tafel, de groene glazen waarvan mam er nog steeds 1 heeft, de paar roze anjers in het vaasje.
Ze zijn niet erg scherp.

Aan het plafond zie ik zwarte schimmen hangen.
Het zijn de vliegtuigjes van mijn vader.
Er was een periode dat hij avond aan avond bezig was met bouwpakketten van modelvliegtuigjes uit WO2. Misschien daarna ook WO1, dat weet ik niet meer.
Hij haalde ze bij Bakkertje, de speelgoedwinkel op de Krommenieeerweg.
Als hij er weer eentje af had werd deze met een visdraadje aan het plafond gehangen.
‘Kijk meiden, (dat ‘meiden’ gold dan ook voor mam) ‘dit is nou een Spitfire’. Daarachter aan volgde dan enige achtergrondinformatie zoals bijvoorbeeld ‘Zo een zag ik neerstorten hier in het veld’.
Alleen mam luisterde, quasi geïnteresseerd als je het mij vraagt.

We keken eindeloos naar oorlogsfilms in die tijd. Ik denk dat ik toen een jaar of acht, hooguit negen was, ik snapte er in ieder geval maar weinig van.
Toen hij alle vliegtuigjes die bij Bakker voorradig waren had gemaakt, en ons plafond er inmiddels nogal dreigend uit begon te zien, stapte hij over op het grotere werk:
De Sancta Maria!

Waren de vliegtuigjes nog opgebouwd uit plastic onderdeeltjes, de Sancta Maria werd opgebouwd uit 1001 stukjes hout die stuk voor stuk aan elkaar moesten worden gelijmd.
Urenlang was hij er met eindeloze precisie en geduld mee bezig.
Dagen werden weken, en weken weer maanden.
Toen kon het schip eindelijk worden opgetuigd.
Wij zaten er bij en keken er naar.
Wat was mijn vader trots.
En wat was mijn moeder trots op mijn vader.

Als ik heel goed kijk zie ik hem ineens op de foto staan:
De Sancta Maria vond een ere-plekje boven op de kast.

En daar vond ik hem ook weer terug: Boven op de kast, maar nu bij zus. Gehavend en wel, onder het stof.

Mijn vader heeft hem aan neef gegeven toen hij klein was.
Hij was hem vast vergeten.

Ik niet.
Ik nooit.

IMG_5815.JPG

Inspecteur Vlijmscherp

Woensdag
Kyl hoeft pas laat naar school. Niet dat ik daar in de ochtend veel gezelligheid aan heb hoor, tegenwoordig is het een proteïne shake en hup, weg is meneer. ‘Wil jij de poort achter me dicht doen mam?’

Als hij weg is hang ik de meegebrachte kleding (meest jassen) van zus bij het kippenhok onder het afdak bij de schuur om te luchten. De wasmand met spulletjes die ik mee heb genomen voor Cora, en zus haar eerste verloofde waar ze elf jaar mee is samen geweest, leg ik op de veranda.
Eerst maar eens een klein beetje opruimen en schoonmaken.
Ook in de keuken.

Terwijl ik mijn eerste koffie drink lees ik het blog wat ik eerder die morgen geplaatst heb over:
‘Op zoek naar zus’.
Ik word onzeker.
Komt het wel zo over, zoals ik het bedoel?
Lijkt het nu niet net of ik uit louter nieuwsgierigheid in haar spullen zit te neuzen?
Zullen ze wel begrijpen dat ik
voor mezelf , maar vooral ook voor Neef aannemelijk wil maken dat ‘iets’ of ‘iemand’ schuld heeft aan de significante karakterverandering rond haar zesentwintigste?
Dat ik kan zeggen:
‘Lieverd, kijk, zie je wel?
Dit was je moeder Echt.
Een steun voor oma, een voorbeeld voor mij.
Een liefdevolle partner voor haar verloofde.
Een rots in de branding in de praktijk’.
Waarschijnlijk heeft ze een TIA gehad rond haar 26-ste.
Er zijn toen ook een paar weken geweest dat ze veel hoofdpijn geeft gehad.
Juist de karakterveranderingen die hierdoor kunnen plaats vinden, maken hersenletsel tot zo’n afschuwelijke ziekte.
Je ‘Zelf’ wordt aangetast.
Vanmorgen heb ik een mail gehad van een broer van mijn vader. Zijn vrouw (mijn tante dus) heeft zondagavond na het dansen een TIA gehad.
Het houdt maar niet op.
Laatst is er ook nog een broer van pap gedotterd. Heb ik het niet eens over gehad.
Genoeg over ziekten!!

Ik heb zus haar kleine rode dagboekje ook gevonden.
‘Afblijven!!!’ staat erop geschreven, met dikke zwarte stift.
Dat was voor mij bedoeld.
Nu, negenendertig jaar later, mag het vast.
Herinneringen die ik zelf was vergeten komen weer boven.
Ik ben weer even terug in de tijd.
Dicht bij haar.
De vakantie in de zomer in ’76 staat erin beschreven. De volgorde en de meeste plaatsnamen waar we met de caravan kortstondig bleven overnachten was ik vergeten. Zij heeft ze keurig opgeschreven.
Zus was net zo gek op Odoorn als ik.
Misschien neem ik er stukken tekst uit over voor hier, op mijn blog.
Alleen stukjes van haar basisschool tijd bedoel ik, het geeft zo’n mooi beeld van de jaren ’70.
En van haar.
‘Vandaag voor het eerst gevonduut’.
‘De Tina voor het eerst in de bus’.
‘Ik mag op paardrijden’.

Ook lees ik de uitgebreide geboorte horoscoop die ik vond.
Voorop staat de tekening.
Wat veel driehoeken. Zo herinner ik mij zus haar horoscoop helemaal niet.
Zelf heeft ze het casettebandje keurig uitgetypt, haar eigen tekst met rood balpen.
Ook daar vind ik mijn zus terug.
Ik zal over deze horoscoop nog eens een apart blog gaan wijden, want dat interesseert maar bar weinig mensen denk ik.
Wat ik er nog wel over wil zeggen:
Als ik de transits van de planeten -op 14 november jl, haar sterfdag- op zoek op internet, zie ik heel andere aspecten op haar geboortehoroscoop dan de astroloog had getekend.
Vierkanten!
Waar de astroloog dus gedacht heeft dat het allemaal wel van een leien dakje zou gaan (driehoeken), bleek ze hier juist veel ‘tegenwerking’ te ondervinden.
Ga er nog wel eens nader op in.
Zus was de astroloog.
Ik weet er slechts een klein beetje van.

Rem is lekker vroeg.
Kwart over vijf al.
Ik maak boerenkool.
Makkelijk, voedzaam en lekker.
We kijken wat achterstallig beeld, eten wat toostjes, drinken een Portje en gaan om elf uur naar bed.

Vandaag ga ik maar weer eens werken.

12 minuten fietsen aan de Zaan

Mijn fysiotherapeute zit gevestigd op de eerste etage van het voormalig Gemeentehuis/politiebureau in Wormerveer, mijn geboortedorp.
Het fitnesszaaltje, daar op de eerste verdieping, kijkt uit over de Stationsstraat en de Zaanweg.
Links het Guisveld.

Als ik op de hometrainer zit, kijk ik uit over de Zaan die daar meestal zomaar zachtjes in zichzelf wat ligt te blikkeren in haar mooie bochtje.
Oneindig diep lijkt ze mij in gedachten, de spiegeling van de molens nog amper maar in haar diepten vervaagd.

Zachtjes hoor ik haar trots wat kabbelen over de kleine jongens die zij dezelfde wijze oude mannen zag worden.

-Wist ik wel dat Herman Gorter, naast haar geboren was?
Van Cor Bruijn, die zo vaak met haar op heeft gelopen, op zijn voettochten?
Van de losse ploegers?
Van de zaadsjouwers?
De kiepvrouwen?
De kerkgangers?
De loopjongens?
Ach, kwajongens!
Wist ik wel van Suze, het lieve witte paard dat de goederenwagons naar haar losstation trok.
Van die gemene Spanjaarden?
Haar vele molens.
Haar veer.
De Alkmaar Packet?
Haar fabrieken.
Haar grote krabben.
Haar koude Noorder.
Haar kermis
Haar Jonge Prins?
En
de keren dat zij zoveel plezier voor de kinderen bracht toen zij helemaal dicht gevroren was in de lange strenge winters?-

Zachtjes echoot ze de voetstapjes van mijn vaders klompjes in mijn hoofd.
Klompjes en een boezeroentje.
En handjes van kleinere broertjes.

En kijk nou!
Daar lopen wij:
Zus en ik.
Met onze boeken.
Een zoethout.
Vast op weg naar ballet in Ons Huis.
of de bieb.

En daar vis ik.
Daar zie je? Iets verder, over de Noord.
Daar zwem ik, op een zomerse dag bij de Stoel.
Daar fiets ik, naar San, of naar mijn werk.
Daar zingen we, met z’n allen.
En daar rij ik in een donkere nacht.
Alleen.
Met pap. En mam.

Nee. 12 minuten fietsen.
Het is net niks.

Het mooiste krukje ooit…

‘Ja hoor, dat mag wel. Hij staat in de schuur. Ik kan hem toch niet meer tillen’.

Met het oude Brabantia keukentrapje onder mijn arm verlaat ik vorige week het huis van mam. Het voelt een beetje alsof ik uit ben op haar spullen. ‘Wel raar mam. Weet je het wel zeker?’
Ze kijkt een beetje weemoedig. ‘Ik had het al voor ons trouwen’.
‘Weet je nog dat zus en ik er altijd op zaten tijdens de afwas vroeger?’ Nou ja meestal zat ik. Zus was ouder, die mocht helpen. ‘Wat zal ik veel gezongen hebben op dit krukje, weet je nog?’
Mam knikt.
Er komen meer beelden voorbij.
1001 Peertjes koken van onze perenboom.
Mijn grote stoere zus van vier of vijf die via het trapje op het aanrecht klimt om dropjes te pikken.
‘Weet je nog dat we vaak boterkoekjes bakten?’
Ik weet het nog. Met mijn knietjes op de kruk
versierde ik de deegballetjes met een natte vork.
Daarna mochten we met onze vinger de kom uit likken.
‘Niet teveel hoor, daar krijg je wormen van!’
Nog meer herinneringen.
Mam die een pleister plakt, de zoveelste, op mijn kapotte knie. ‘Kusje erop, over!’
‘Weet je nog dat ik droog paardrijles op de kruk kreeg van zus?’

Mam ziet de beelden ook voor zich.
‘Neef en Kylian hadden er ook zo’n lol van. Weet je nog dat je vader met een gladde plank er een glijbaan van had gemaakt voor de jongens?’
Ik zat dan vast te buffelen op het werk. ‘Nee, dat weet ik niet’.
Mam vertelt lachend dat ze dan zo -ploeps!- in het schelpbadje met water gleden.
‘En een lol dat ze dan hadden!’
Zachtjes laat ze haar hand nog even over het krukje gaan.
‘Dank je wel mam. Ik zal er heel erg goed op passen’.

Rem is bijna klaar met de keuken als ik met het krukje thuis kom.
‘Ga je hem schilderen?’
Ik bekijk het krukje aandachtig.
Hier zit wat rode verf, dezelfde kleur als waar pap de mooie zwarte gietijzeren potten ooit mee heeft verknald.
Daar wat groen.
Groen van zijn boot.
Van de stoepen.
Een druppeltje bloed.
Wat wit, van wat later op het bovenste treetje.
Roest.
1000 krassen.
En 1001 herinneringen.
‘Nee. Natuurlijk niet’.

Kijk hem eens mooi zijn!

20140823-160821-58101225.jpg

First things first…

Maandagmiddag 23-6
Nadat we thuis weer wat zijn opgewarmd in het zonnetje met een lekker bak koffie ga ik met Kyl even bij mam langs om te vertellen hoe het was: Koud maar leuk. ‘Ben je nog op de camping geweest?’ Ze hangt zowat aan mijn lippen als ik haar vertel over poolshoogte en het Vlintenholt. ‘Ja, wat hadden we het altijd leuk daar hè? Weet je nog dat ome Fokko en pap zogenaamd ruzie hadden?’ vraagt ze. Ik weet het nog: Ze haalden om de beurt een haring uit elkaars voortent. Wij kinderen vonden het hilarisch. De volwassenen trouwens ook. Het was net cabaret tussen die twee. We hadden nooit veel nodig om gelukkig en blij te zijn.
Ik voel me een beetje schuldig dat ik haar na een half uurtje alweer alleen laat, maar ik moet nog zoveel doen en om zes uur speelt Nederland. Daarbij is mijn tankje gewoon leeg; verandering van omgeving kost me altijd veel energie, ook al doe ik niets. (Dat vind ik nou ook zo stom!)

Dinsdag haal ik mam direct uit mijn werk om kwart over vijf op. Het verkeer zit enorm tegen. Gelukkig kookt Rem.
Daar is mam ook blij om;-(

Woensdag zit ik alleen achter de balie. Het is ontzettend druk. En dan zit ik nog midden in een verbouwing ook. Probeer je maar eens op je werk te focussen met al die jonge kerels die op trapjes over je pc heen hangen om het plafond open te halen. Stoffige toestanden, bah! Om over de herrie nog maar niet te spreken.
Mijn leidinggevenden komen een taart bij me brengen. Gekregen van de bouw. ‘En we vinden dat jullie secretaressen die het meest toe komt’.
😀

Woensdagavond
Kyl belt om tien uur vanaf de AH. Hij is net klaar met werken.
‘Ze hebben mijn achterlichten van m’n scooter gestolen’.
Rem is er helemaal klaar mee. Eerst al die toestanden eind vorig jaar toen we voor 600 euro schade hadden toen hij omgewaaid was, daarna werd hij begin dit jaar scooter gestolen. Toen een nieuwe goede tweedehands gekocht – want hij moet natuurlijk toch 20 heen en 20 km terug naar school- Deze net een paar weken geleden een grote beurt laten geven, -kassa!- en nu dit weer. Er komt geen eind aan, en dan hebben we het alleen nog maar over de scooter. Vorig jaar was Rem zijn motor hier voor op straat omgegooid. De hele kuip was stuk.
Toen heeft hij -na lang zoeken, wikken en wegen voor een paar honderd euro een tweedehands kuip op de kop getikt.
Vandaar dat de keuken ook zo lekker op schiet hier, er is altijd wel weer iets wat er weer tussenkomt. Ik kan me er soms zo kwaad over maken, blijf gewoon toch van een ander zijn spullen af!
Kyl baalde natuurlijk nog het meeste.
Deze keer gaat hij het zelf proberen te regelen met de verzekering.

Donderdagochtend 26-6
Stukje schrijven over Poolshoogte en camping. Begin lekker vroeg, kwart over negen.
Zet het kwart voor twaalf online, en ben vervolgens tot kwart over twee nog bezig aanpassingen aan te brengen. Vind het zelf uiteindelijk erg mooi. Komt natuurlijk omdat het over mijzelf gaat. De liefde hing daar gewoon nog bijna tastbaar in de lucht. Onze energie.
Mijn vader zijn energie.
En dan dat hartje daar.

Gisteravond:
Weer een hele drukke dienst.
Vijf bevallingen waarvan twee sectio’s, dertien spoedconsulten, en de telefoon staat tot een uur of half zeven bijna niet stil.
-Haha, nu klinkt het net alsof ik dat allemaal zelf doe hè?-
Asjeblieft, alleen al aan de administratieve kanten van e.e.a. heb ik punten genoeg.
Ik ben soms zo blij dat ik geen verpleegkundige ben. Of verloskundige. Of arts-assistent. Of afdelingsassistent die ‘snel snel’, een verloskamer tot in de puntjes moet soppen en bijvullen voor de volgende barende die al weer onderweg is naar het ziekenhuis.

Vrijdagmorgen 27-7
Hoewel ik pas na twee uur sliep – na zo’n dienst val ik moeilijk in slaap- ben ik al om acht uur wakker.
Vandaag moet het huis maar weer eens gekuist worden
(een prachtig Vlaams woord dat ik graag eens wilde gebruiken;-)
Bij mam moet ook gezogen worden.
Verder wil ik met mam even naar de begraafplaats. Dat is alweer twee weken geleden.
Ik moet eigenlijk ook naar medisch fitness en dan de boodschappen nog voor mam en mij.
Nou, maar eens kijken hoe we dat allemaal weer in de dag gaan proppen.
Eerst maar eens koffie.