Sinterklaas in de vroege jaren ’70

In eerder geplaatste verhalen over vroeger heb ik al een beetje laten doorschemeren dat wij vroeger gek waren op alles wat onze fantasie ook maar een heel klein beetje prikkelde. De Sinterklaastijd was dan ook ieder jaar weer een hoogtepunt in ons bestaan. En dat gold niet alleen voor mijn zus en mij, welnee, onze moeder deed in niets voor ons onder hoor.

Sint Maarten had zijn hielen nog maar amper gelicht of we snorden onze Sinterklaaselpee alweer op, en drukten wortels voor de hutspot achterover voor het paard. Ik vroeg me als kind trouwens af waarom er op 11 november Sinterklaasschuim werd uitgedeeld, en geen St. Maartenschuim, maar niemand die het antwoord ooit wist -of die zich daar natuurlijk überhaupt druk om maakte. Behalve ik dan.
Mocht u het antwoord kennen dan stel ik het zeer op prijs als u het mij alsnog laat weten.-

Zodra Zus een beetje kon lezen (en dat was rap) hield ze de Troskompas nauwlettend in de gaten om te zien wanneer de Sint op tv zou komen. Uiteraard zaten wij dan aan de buis gekluisterd met een speculaasje en een beker warme chocolademelk.
De week daarna meerde de Goedheiligman dan aan in de Zaan in Wormerveer. Stonden we weer gezellig samen te kleumen met al die kinderen die we al kende van school, de rij voor de luilakbollenkraam bij bakker Jongens, het zwembad, het paardje van de C&A en het tuinpad van de tandarts op een regenachtige maandagmorgen in Koog aan de Zaan tot hij eindelijk op het balkon van de Jonge Prins verscheen.

We hadden trouwens maar een Sinterklaaselpee thuis, en dat was eigenlijk ook wel zo makkelijk: hij begon op kant A met het tot op je botten doordringende geluid van de luchthoorn van de arriverende stoomboot, om zonder adempauze te vervolgen met Kapoentje, Bonnebonnebonne,  Zie de maan schijnt, Daar wordt aan de deur geklopt en O, kom er eens kijken. De B kant eindigde dan met de nummers Zegt moe, RommeldeBommel en Dag Sinterklaasje, maar die laatste zongen we nooit mee (want dan waren we al druk aan het spelen met onze cadeautjes).
De voorkant van de elpeehoes zie ik nog zo voor me: een nogal rood uitgevallen Sint met een nogal verdacht blauwe neus omringt door mysterieus grote dozen met bonte strikken en smetteloze witte-kragenkindjes waarvan Zus en ik ons altijd afvroegen of zij wel ècht bestonden.
Die kraagjes èn die kindjes.

Uiteraard geloofden wij wèl heilig in Sint Nicolaas.
Zus had het zelfs zo hoog met Sint en zijn zwarte pieten op dat ze zelfs bij hem solliciteerde voor de functie van Zwarte Piet. Ik herinner het mij nog heel goed, het was op het Sinterklaasfeest van mijn vader zijn werk. Zus mocht even bij de Sint op schoot toen ze haar cadeautje op mocht halen.img_3392

‘Wat wil jij later worden?’
Ze moest maar flink haar best blijven doen met gymnastiekles had Sint gezegd, dan zou het vast en zeker in orde komen.
Ik vond de gedachte dat zij mij zou gaan verlaten heel erg. Hoe moest dat nou met mij, als zij naar Spanje zou gaan?
Ik kon toch niet zonder haar?

Zij had die middag trouwens ministek gekregen, en ik was stinkend jaloers geweest.
Net zo jaloers als op haar Sneeuwwitje 3-D sprookjesboek dat ze in haar schoen had gevonden. Ik kon mijn ogen (en onhandige handjes) bijna niet van dat mooie glazen kistje afhouden. Gek, dat ik mij weer niet goed herinner welk sprookjesboek ik zelf gekregen had,img_3393

en dat ik ook niet meer weet wat er ooit in dit pakje  gezeten heeft. (Misschien komt het omdat ik de beelden van mijn zus met dat betreffende stuk speelgoed dan op mijn harde schijf heb opgeslagen en mijzelf niet met mijn cadeau ’s heb zíen spelen?)

Die sprookjesboeken waren trouwens een uitzondering. Meestal kregen we kleine dingetjes in onze schoen hoor. Een rekenpen die de tafels kon uitrekenen, reuze handig-, een vierkleurenpen, een Holly-hobbygum, dat soort dingen. Degelijk ouderwets flutspul wat verder nergens goed voor was, en zijn magie slechts ontleende aan de naam van de gulle gever.
Wij waren overal blij mee, want ieder cadeau was voor ons weer een bevestiging dat hij ons op pakjesavond vast en zeker niet zou vergeten.
En dat heeft de goede man ons dan ook nooit aangedaan gelukkig. Het leed zou niet te overzien zijn geweest. Hoewel het feit dat wij op een goede morgen alleen maar een rekenpen in onze schoen hadden gekregen en ons onderbuurjongetje een elektrische trein compleet met bomen, tunnels, noem maar op, ons tot in het diepst van onze tere kinderzieltjes bezeerd had. Onxe moeder probeerde natuurljk dan wel aan ons uit te leggen dat Sint gewoon niet overal langs kon komen op pakjesavond en dat sommige kinderen hun grote cadeau om die reden dus eerder in hun schoentje kregen. Tegen zoveel logica viel natuurlijk niets in te brengen.

Op pakjesavond zelf moest natuurlijk eerst de hele A-kant mee gejubeld worden. Voor deze keer zong mijn vader dan ook hard mee, terwijl mam nog even snel in de hal een bloesje moest strijken of de banketstaaf op moest warmen of zo. En ieder jaar opende tijdens het zingen de huiskamerdeur en werd er door een zwarte handschoen met pepernoten gestrooid. ‘Zwarte Piet? Was die dan hier?’ Als het Sinterklaas betrof kon mijn moeder liegen alsof het gedrukt stond. Pas als we aan de B-kant van de elpee waren en mam ons koor was komen versterken (misschien moesten we dan wel nog harder zingen?) werd er op het raam gebonsd. We gilden het dan uit en sprongen in onze Hamelen nachtjaponnetjes op en neer terwijl mam verheugd in haar handen klapte en pap eindelijk de verlossende woorden sprak: ‘Rustig allemaal, ik ga wel even op het balkon kijken’.

Daags na pakjesavond vierden wij steevast Sinterklaas nog eens dunnetjes over met de hele familie moederzijds in de bovenwoning van mijn oma. Ik denk dat we al snel met een mannetje of vijfentwintig waren, maar het hele spul paste er wonderwel toch iedere keer maar weer in. Het was er altijd een drukte van jewelste, want iedereen van groot naar klein was natuurlijk peu-nerveus voor het hele sinterklaas gebeuren. Mijn tantes deden voor wat betreft fantasie en inlevingsvermogen maar bar weinig onder voor mijn moeder, dus bij iedere bonk op de zoldervloer boven ons gilden onze tantes en moeders: ‘Het is zwarte Piet, Hij komt jullie halen!‘ en verslikten wij ons zowat in de grote kleurrijke suikerbeesten, een lekkernij die wij alleen bij onze oma kregen. Het gebonk boven onze hoofden duurde zeker wel een paar minuten. En wij maar gillen natuurlijk. Het hart klopt nog in mijn keel als ik eraan terug denk, mensenkinderen wat een toestand.
Heus, mijn tantes, en met name tante C. hadden geen slecht figuur geslagen in de film Sint, of in welke film dan ook.

Later, zodra de rust weer een heel klein beetje was wedergekeerd werd het dan natuurlijk wel weer reuze leuk: Er was bisschopswijn voor de tantes, en uiteraard waren ook de pilsjes, de citroentjes, jonkies en de palinkjes weer gezellig van de partij.

Ik meen dat de oude buurtjes Bos voor Sint en Piet speelden, maar helemaal zeker ben ik daar niet van.

Wat een prachtige herinneringen toch allemaal. Zulke herinneringen gun je toch ieder kind?

Advertenties

Dag lief huis

Juli ’76.
‘Hier is het meiden. Negentien’.
Mam belt aan bij de gele voordeur.
Zus en ik kijken naar het voortuintje en dan naar elkaar.
Takken van een verwilderde heg hangen ver over het verzakte straatje met hier en daar wat paardebloemen en distels tussen de grauwe stoeptegels
De gele deur opent zich voor we er iets over kunnen zeggen.

We worden verwacht om het huis te bekijken.
Pap kon niet mee.
‘Let goed op de ligging van de achtertuin schat, dat is het belangrijkste’.

8-10-’15
Ik steek voor de laatste keer de sleutel in het slot en stap naar binnen. Het oude groene zeil met het plavuizen motief dat jarenlang onder de vloerbedekking verborgen was geweest doet me vreemd vertrouwd aan. Alsof de tijd heeft stilgestaan.
Ik loop naar binnen en leg mijn tas op de vensterbank.

Binnen is het erg donker, vies en het ruikt muf.
De deuren, muren en verwarmingsbuizen zijn rood, geel, pimpelpaars en zwart geschilderd.
De vader van het gezin zit in een rolstoel aan de tafel achter.
De vrouw is dik en stinkt naar zweet.
‘We gaan gelijkvloers wonen aan de Vondelstraat’.

Mam kijkt naar de tuindeuren met ruitjes.
Er staat gewoon een radiator voor.
Ik vind het maar gek.
‘Kunnen ze nog open?’ vraagt mama.
Ze kunnen nog open.
En de tuin ligt op het zuidwesten.



Pap was zich later rotgeschrokken.
‘Hoe heb je dit nou kunnen accepteren?’

De open haard ziet er verdrietig uit zo. Rem heeft de balken van de open haard eraf gehaald om later weer in onze eigen schouw te plaatsen. Het zijn oude balken.

‘Die balken komen nog uit …’
Pap staat op een trap en ik lig met mijn boek op mijn buik op de bank toe te kijken hoe hij de open haard maakt. Mam is boodschappen doen. We hebben net soep gegeten en naar de ‘Dik voor Mekaar show’ geluisterd.

Hij heeft een gat in het plafond gemaakt. Er gaat eerst een vuurvaste stalen pijp in. Daaromheen isolatie materiaal, en dan maakt hij weer stalen platen de schoorsteenmantel. ‘Kijk, zó doe je dat Nadda’.

Ik open de achterdeur en loop over het paadje naar buiten, naar de schuur. Gelukkig mogen we de gaten in de muur van de schuur gewoon zo laten.

We zitten met ons vieren aan tafel. Pap heeft het licht in het nachthok in de schuur aangedaan en het klepje opengedaan. Vroeger was dat het kolenhok. Vanuit dat hok kunnen ze via het gat in de muur de ren in en uit. ‘Gaan ze nou naar binnen pap?’
Het kippenhok is eindelijk klaar en gisteren hebben we Wyandotte’s gehaald bij een fokker in Westzaan.

‘Ja hoor, kijk, daar gaan ze’.
Verheugd kijken we toe hoe vier witte pluimkontjes over het trappetje het nachthok in trippelen.

De schuur is leeg.
Het geluid van de bijl zingt zachtjes na in mijn hoofd.
Ik sluit de deur en loop naar het plekje waar mijn lieve poes Porky begraven is.
‘Dag Porrek’.
Ergens diep onder de kliko ligt haar zusje. ‘Dag Poerek’.

Weer binnen ga ik via de keuken naar boven. De lange spiegel is weg.

‘Ga nou eens opzij! Ik wil ook kijken’

Er valt niets meer te dralen, niets meer te zien. 

Boven neem ik afscheid.
Dag kamer van zus, van mij, van Kyl.
Dag kamer waar ik zoveel huilde.
Dag zolder, weet je nog van die peuk?
(Sorry voor de keren dat ik als puber stomdronken over je dak gekotst heb).
Dag kamer waar ik zoveel schreef.
En ik zoveel las.
Waar ik de liefde ooit bedreef.
Droomde, wenste, vervloekte.
En waar ik afscheid voor altijd nam van mijn vader.
‘Zorg maar goed voor de nieuwe mensen lief huis’.

Beneden haal ik de sleutels van mijn bos.
Daar is de man van Parteon al.
Snel loopt hij een rondje door het huis.
‘Keurig hoor, knap werk’.

Een handtekening.
Een hand.
Een sterkte.
Een dag.
En dan trek ik de deur voor de laatste keer achter mij dicht.

38 jaar.
Ik kijk nog even achterom.
En zie ons weer staan.
Mam, Fenna en ik.                                                                       Voor die gele deur. 

Alsof het GVD gisteren was.

Lentewens

IMG_6869
Bron

Fen,

Weet je nog?
Als het weer lente was?
Hoe we renden over het veld met de krokussen op de Oude Boomgaard?
Ik met de vlieger, jij met de houten haspel.
‘Je moet hem ook wel loslaten als ik dat zeg Nar!’
Hoe we in de bomen klommen, en ons op een dikke tak in stilte verwonderden over al die geel met paarse bloemen?
En het eerste lieveheersbeestje van dat jaar?

Weet je nog?
Hoe heerlijk het was?
Die andere allereerste dag
-weer zonder jas,
zonder kousen-
in de draaimolen waar je me eens verklapte dat er ‘gewoon een luikje’ daar ergens in de blauwe lucht zat.
‘En dat kun je alleen maar vinden als je dood bent’.

Weet je nog?
Wat jaren later.
Voor het eerst in korte broek weer in de tuin?
Waar het zo heerlijk luw kon zijn in het hoekje bij de kippenren.
En hoe de buurman van 21 weer naar ons stond te gluren?
Voor het eerst dat jaar.

Weet je nog?
Weet je nog?

De Gedempte Gracht?
Waar de auto’s toen nog reden?
En Ultravox overal uit de boxen schalde toen we bij John en Vera Hartman tassen van Stardust kochten, en shirtjes van Ball waar we net als ieder ander de mouwen van oprolden voor we onze nagels zwart lakten en samen in jouw kamer luisterden naar Hazel ‘O Connors ‘Thats Life’.
-Zolang het gedoogbeleid tenminste van kracht was-.

Alles komt terug.
De krokussen.
De narcissen.
De bloesems aan de bomen.
De vogels van hun trek.
Alles komt weer terug.
Echt alles Fen.

Àlles!

Jeugdherinneringen uit de jaren’70, deel 1

-Uit de oude doos-

Afhaalchinees

Echt zo’n jaren ’70 dingetje: op zondag at je kip met appelmoes óf Chinees.
Dat was gewoon zo.
En niet even bellen en bestellen natuurlijk.
Zoiets kwam niet eens in mijn moeders hoofd op.
Het heette natuurlijk ook niet voor niks ‘Afhaalchinees’.

En dus stond je met je moeder in je paarse lakjasje en je oranje rubberlaarsjes net zo lang buiten in de druilende regen te wachten met al die andere moeders en kinderen die je al kende van de rij voor de luilakbollen, de rij bij de pashokjes van C&A vlak voor Pasen en Kerst en de rij bij de kassa van de Watering in de schoolvakanties, tot er eindelijk plaats was in de tot wachtkamer omgebouwde garagebox.

Daar stonden een stuk of tien aftandse met rood skai bekleedde stoelen waarover de stilzwijgende afspraak bestond dat ieder kind gewoon verder ging met het plukken van het schuimrubber via de vele scheuren in het nep leer waar je voorganger gebleven was.

Aan het plafond hing zo’n echte zeshoekige Chinese lamp met verbleekte rode kwastjes eronder. Scheef en vergeten hing er een jaarkalender van bamboe uit ’72 aan een rode punaise tegen het kleurrijke behangetje met Oosterse motiefjes.
Op een klein tafeltje in de hoek lagen oude Donald Ducks naast een immer volle asbak. Wat er op de grond lag kan ik me niet herinneren, maar het zal vast en zeker een versleten stuk zeil geweest zijn, zoals vinyl toen nog gewoon in de volksmond heette.

De muur tegenover de deur had een heus bestel-luikje, met een authentiek Chineesje daarachter dat razend snel zijn luikje open en dicht kon doen en ook daadwerkelijk altijd vroeg of je er sambal bij wilde.

Het luikje bleef nooit lang genoeg open om je een blik te gunnen op de zwetende Chinese koks die boven het gasfornuis in grote dampende pannen rijst stonden te roeren of, vàst staande op krukjes, de spiegeleitjes stonden te bakken. En bleef het al lang genoeg open, dan nòg werd het zicht je volledig ontnomen door de dikke wolk stoom die standaard meegeleverd werd bij iedere bestelling.

Nee, erg lang duurde het nooit. We aten immers ook allemaal hetzelfde : Bami of Nasi Speciaal. -Met dat rozige spiegelei erboven op, weet je nog wel?-
Kon je dan nog Saté, Kip of een Loempia bij krijgen, maar veel meer variatie was er volgens mij niet. Bij ons thuis niet tenminste.

‘Nummel dlie-en- deltig’. Dat waren wij. ‘Sambal bij mevlouw?’ Jazeker, dat wilde mijn moeder wel. En kroepoek natuurlijk, ook altijd ‘Kloepoek bij’.

Had je eenmaal je witte plastic tasje dan liep je zo snel je kon met je moeder terug naar je paars- oranje huisje, waar de tafel al was gedekt, en het water al in de groene glazen op tafel te wachten stond.

Ja, het waren kleurrijke tijden.
Maar Studio Sport keken we even later wel nog gewoon in zwart wit hoor!

Waterkou

Zondag 30 november.

We hebben nergens zin in.
Zijn weer laat wakker.
Moe.
Ik denk dat de spanningen zijn tol eisen.

Ik begin toch maar met het sorteren van bak 1 van zus haar privé post en
kom tot mijn verbazing een verjaardagskaart tegen uit 1972 met daarop een geborduurd Spaans meisje.
Ooit gestuurd door de buurvrouw van de camping de Oude Boomgaard.
Ik herinner me haar nog goed.

Het was een alleenstaande wat oudere dame met twee Golden Retrievers, Sonja en Donna. Soms mochten we met haar mee de honden uitlaten. Aan de achterkant van de camping liepen we de dijk op, linksaf langs de boerderij van onze vriendinnetjes, dan langs de boerderij met de zwarte hond die altijd blafte, en verder de dijk af, net zo lang tot we weer linksaf konden slaan en een paar minuten later weer voor de ingang van de camping stonden.
Ik was altijd met zus.
Waar zij was, was ik.
We deden nagenoeg alles samen.
-wat niet wil zeggen dat mijn zus daar altijd even blij mee was.-

Kwart voor vier haal ik mam op.
We zijn al in geen weken bij pap op de begraafplaats geweest.
‘Nee, wanneer had ik dat moeten doen? Jij spreekt steeds wat af voor me’, grapt mam met een klein serieus ondertoontje.
‘Zaterdag kwam Lidy, zondag tante L, maandag Yvonne, dinsdag de dokter. Ik ben hartstikke druk!’

Het is koud.
Koud en leeg op de begraafplaats.
Het Urnentuintje heeft zich in een paar weken een heel andere look aan weten te meten.
Bruiner.
Kaler.

Doods.

De schelpjes die zus bij pap had neergelegd liggen er nog steeds.
De madeliefjes die ze er bij had gelegd zijn allang al vergaan.
Weg.
Zus is er slechts 1 keer geweest.
Mam steekt het waxinelichtje aan en stopt het terug onder het bronzen engeltje wat mam van Linda van de thuiszorg heeft gehad.
Haar handen beven.
Ze wil het perse zelf doen.
Ik haal wat helikoptertjes weg.
Ken je ze? Die zaden die je omhoog kon gooien?
Als je het goed deed kwamen ze als helikoptertjes weer naar beneden dwarrelen.

Ik zie ons weer gaan.
Zus en ik.
Op een dag in de herfst.
Ik denk dat ik vijf geweest moet zijn.
Hooguit zes.
Zus zeven of acht.
Ik kon net fietsen op mijn blauwe fietsje.
Zus had groene, iets groter fietsje.
Witte gevlochten rieten mandjes voorop.
En een Mickey Mouse fietsbel van Bakkertje op het stuur.

‘Gaan jullie met ons mee?
Wij weten waar je heel veel kastanjes en helicopters kan vinden’.
Natuurlijk gingen we mee!
We hielden wel van een beetje avontuur.
Voor het eerst fietste ik over de Cor Bruijnweg naar de Ruyterkade.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Ik was bang daar op die lange Cor Bruijnweg.
Te ver van huis.
Veel te gevaarlijk.
Al die auto’s.
Als mama dit wist.
Nou!!
Maar Zus was bij mij.
Alles zou goed komen

‘Kijk, daar is die boom al’.
Ik was meteen mijn angst vergeten.
We gooiden onze fietsen neer bij de fietsen die er al lagen en zochten tussen de andere kinderen op de grond.
Daar zag ik ze voor het eerst.
Helikoptertjes!

‘Daarachter ligt er nog eentje kind’.
Ik til het plantje voorzichtig opzij zodat mam het kan pakken.
Daarna legt ze voorzichtig haar handen op de urn.
‘Ze is nu bij jou schat’.

Samen kijken we naar het vlammetje.
Ik haak mijn arm in die van mam.
Zo staan we even.
Gewoon te staan.
Wat valt er te zeggen?

‘Zullen we maar gaan kind, het is zo koud.’
Gearmd lopen we langzaam terug naar het groene hek dat ik weer zal openen.
En weer zal sluiten.

Er scheert een klein bruin vogeltje met een geel borstje vlak langs ons heen.

In het park verderop blaft een hond.

Het hek piept.

Verder is het stil.

Doodstil.