Gemismismis

Ik mis ze.

Vorige week heb ik het laatste beetje wit wasmiddel van zus opgebruikt.
Mams make-up remover pads zijn ook al bijna op. ‘Nee, niet die op waterbasis, hou die zelf maar, ik moet die pads op óólie basis hebben’. De laatste papieren tissues gebruik ik maar niet, die wil ik bewaren voor als ik ze ècht nodig heb.
En de rozenglycerine is ook al bijna op.
Ze had gelijk: het helpt prima tegen droge benen.

Steeds vaker ontdek ik mijn moeder in de spiegel. Gek, dat zag ik vroeger niet zo.
Steeds vaker tik ik op paps barometer.
En steeds harder, maar het helpt bar weinig.
Zus haar make-up tasje ruikt nog steeds naar haar.
Ik mis ze, ik mis ze, ik mis ze.

Van de week, toen ik in de auto naar een van paps cd’s luisterde dacht ik er in een flits over na om mijn haar weer kort te laten knippen, om direct daarachter aan te denken: Nee. Dat kan helemaal niet. Ik kan niets meer veranderen, alles moet blijven zoals het was. Zoals zij het kenden.
Míj kenden.
Zoals zij mij achterlieten.

Gek hè?
Dat kan natuurlijk helemaal niet, maar juist als dingen veranderen, of als ik gewoon iets leuks mee maak wil ik het zo graag met ze delen.
Vooral met mijn moeder.

Mijn moeder en zus zouden zo gelachen hebben om mijn verhaaltje over ‘de Zaak’.  Zelf zouden ze ook nog wel een paar ideeën hebben gehad voor het Uitvaartcentrum. Vroeger lagen we blauw van het lachen om de absurde boeken van Tom Sharpe. 

Ik kon om niemand zo verschrikkelijk lachen als om mijn zus vroeger. We zijn eens op vakantie geweest toen ik 27 was, en zij 29. We stonden op een jongerencamping in Zuid Frankrijk. Het was juni, en samen met een stel jongens van 18 waren we de enige gasten tussen van de twee mannelijke hosts / cq entertainment-team.
Ik zal er binnenkort eens een (Pannenkoeken) blog aan wijden.

Herinneringen ophalen.
Ervaringen delen.

Iemand die onvoorwaardelijk van je houdt.
Die je kènt, als haar eigen broekzak.

Dát gemis voel ik nu.

(Zeer lang uitgevallen) Spookverhaaltje

Ergens langs de rivier de Zaan staan sinds jaar en dag twee donkergroene houten huisjes. Arbeidershuisjes.
Ze horen bij elkaar. Het linker heeft alleen het huisnummer, het rechter nog de toevoeging ‘A’.
Ik zal ze Links en Rechts noemen.

Er hebben natuurlijk al heel veel mensen in de huisjes gewoond.
Er zijn mensen geboren en mensen overleden.
Dat voel je ook als je er binnen komt.
Nou ja. Ik wel.
Ik geloof dat er ooit een groenteboer met zijn grote gezin woonde, en later een van de broers van het leuke winkeltje op de Zaanweg.
Tenminste dat heb ik van horen zeggen.
Weet niet meer van wie.

Op een goede dag mocht ik huisje links het mijne gaan noemen.
‘Eigenlijk staat het op de nominatie voor de sloop, maar tot die tijd mag jij er dan wel wonen’, zei de directeur van de Woningbouwvereniging die bevriend was met mijn ex.
We gingen na zes jaar samen weer ieder ons weegs.
Ik was 26.

Op een ochtend waren mijn ex M. en ik aan het klussen in mijn nieuwe huisje toen er opeens een man in de woonkamer stond.
‘Wie bent u?
En wat doet u hier?’ vroeg ik door mijn schrik nogal bits.
Hij keek me lang aan voor hij iets zei.
Lichtblauwe waterige ogen.
Grijs haar. Met wat geel.
Hij stonk
‘Ik ben uw buurman’
naar drank
naar zware shag
naar heel lang ongewassen.
En klonk als een vonnis.

M. verscheen op het toneel met uitgestoken hand.
‘Goeiendag, en u bent?’
Met schijnbaar tegenzin liet buurman mijn ogen los.
Toen was het mijn beurt.
Ik wilde niet.
Een weke koude hand greep de mijne
en hield hem vast
‘Ik ben H.’
tot ik hem resoluut terug trok.

‘Getsie M., wat een engerd.
Ik weet niet of ik hier nog wil gaan wonen hoor’, zei ik terwijl
ik mijn handen goed onder de hete kraan waste.
‘Ah, je moet gewoon ook de deur op slot draaien’.

Ja, want zo’n huisje was het.
Met een ouderwetse voordeur met een klink en een grote oude sleutel.
Het was een authentiek Zaanse deur met een raampje en een klein kunstig wit smeedijzeren luikwerkje daarvoor met de afbeelding van een mannetje die leunde op een paraplu of zo. ‘Mijn man die altijd thuis op mij wacht’, zo stelde ik hem wel eens voor aan mijn gasten.

Achter de voordeur bevond zich een lange gang met een lambrisering van witte schrootjes die een beetje afliep.
Je rolde bij wijze van spreken zo naar binnen.
Aan het einde van de gang was een diepe okergele kast onder de trap.
Vlak voor het einde kon je links de woonkamer in.

Net als de hal liep ook de woonkamervloer af richting de keuken die aan de achterkant zat.
In de keuken stond een pieplein zwart opklapbaar tafeltje met twee stoelen.
Het gasfornuis stond onder een oud schouwtje.
Door de keuken kwam je – rechtsaf- in de bijkeuken waar mijn wasmachine en koelkast stonden. Ook was daar een douche, de achterdeur die toegang gaf tot het kleine plaatsje waar mijn hangmat hing, en de enge steile houten trap naar boven.

In mijn grote slaapkamer zat een dakkapel. Van daar had ik een fantastisch uitzicht over de Zaan en zijn boten.
Mijn bed stond onder het schuine dak naast het zijraam, dat uit keek op het golfplaten asbest dakje van het steegje van mijn buren aan de andere kant. Als ik tenminste de luxaflexjes opende. Isolatie had het huisje niet. Het kozijn van dat raam was rot. Op een goede dag prikte ik zo met mijn vingers door het hout. Tussen de binnenmuur van hardboard en de houten buitenmuur zat een ruimte van 2 cm.
In de loop der jaren heb ik deze muur eigenhandig geïsoleerd met plastic zakken van de Dekamarkt.

Boven was nog een klein kamertje met een piepklein deurtje waarvoor zelfs mijn moeder moest bukken. Eerst was dit mijn wasdroog-kamer, later hebben mijn vader en ik het kamertje met indianenrood en gatenkaasgeel omgetoverd in een fleurig ‘Paddington’ babykamertje. Kyls ledikantje stond onder het dakraam zodat hij – als ik tenminste het gordijntje openschoof- kon kijken naar de sterretjes. -Nou, zeg nou zelf, welke baby heeft dat nou?-
Boven had ik geen water. (Wat best wel om te janken lastig was in geval van spuit luiers)
De gaskachel stond in de woonkamer. De zwarte hoekbank van de ‘Supermeubel’ voor het raam.

Ik raakte geleidelijk gewend aan de buurman en gehecht aan mijn huisje. Met kerst kreeg ik altijd een handgeschreven kaart van hem terug waar hij met grote onhandige letters zijn naam op had geschreven.
Als er sneeuw lag veegde hij mijn straatje.
Het een was gewoon onlosmakelijk verbonden met het ander.
Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat de huisjes natuurlijk enorm gehorig waren met die flinterdunne muurtjes:
Zijn fluitketel zong ’s avonds rond negenen.
En iedere ochtend rond elven werd mijn huis gevuld met de klanken van zijn orgelmuziek.
Allemaal lang vergeten oud Hollandse deuntjes.

De winters waren er koud en nat.
In januari ’95 stond het water in de Zaan zo hoog dat ik amper durfde te gaan slapen.
Doordat de houten muren erg veel vocht opnamen, bevroren ze tijdens de vorstperiode die daarop volgde.
Eenmaal ontdooit vielen er grote stukken stukwerk van de muur. Om die grote kale plekken schilderde ik gouden randjes alsof het wolken waren.

In december 1996 was het zo koud dat mijn leidingen bevroren. Ik kon niet meer wassen en niet meer plassen zeg maar.
Ik was zes maanden zwanger en de meeste tijd alleen. (Maar dat is een heel ander verhaal).
’s Avonds vulde ik mijn grote soeppan met water en zette hem op de kachel zodat ik ’s morgens warm water had om me te wassen.
Met mijn dikke buik onder een deken en de gebreide pantoffels aan mijn voeten die ik van mijn oma had gekregen, zag ik toe hoe in de vroege ochtend van 4 januari ’97 duizenden mannen met de schaatsen in hun hand een weg baanden naar de Dokkumer Ee. Liters warme anijsmelk verslond ik die winter, afgewisseld met warme zelfgemaakte chocolademelk om maar enigszins warm te blijven in mijn tochtige houten huisje.

Begin april ’97 werd Kylian geboren.
Natuurlijk nodigde ik buurman uit voor de kraamvisite.
Zenuwachtig draaide hij een shaggie.
‘Als u even kunt wachten buurman dan leg ik hem eerst even in zijn bedje hoor’
Hij had niets op met baby’s, dat zag ik al snel.
Zelf was hij al jaren alleen, nooit getrouwd geweest, geen kinderen, vertelde hij even later, toen Kyl veilig en wel tussen de lakentjes lag.
Nee werken deed hij ook al jaren niet meer.
‘Drank’.
Hij had jaren gewerkt bij de Vlaar enveloppen.
‘Wat kunt u trouwens prachtig orgel spelen buurman’.
Voor de eerste keer zie ik hem verlegen lachen.
Had hij mij even mooi tuk:
‘Dabennik nie, dassain kassettu-bandjusss!’

Na mijn verlof ging ik weer aan de slag. Ik werkte toen 24 uur, maar wel verdeeld over vier dagen. Met mijn reistijd erbij opgeteld was ik best wel veel weg.
Buurman sprak ik sporadisch.
Mijn oude autootje stond in de zijstraat links zodat ik eigenlijk nooit zijn huis passeerde. En hoewel ik recht van overpad had, maakte ik daar nooit gebruik van, mijn fiets stond in de gang. (Ja, het was een beetje een ‘Pippi’ huisje).
Maar een enkele keer had hij mij nodig voor het een of het ander.
Meestal maakte hij dit kenbaar door een enkele harde bons op het raam te geven ondanks mijn herhaaldelijk ‘Dat moet u nu niet meer doen hoor, ik schrik me iedere keer het leplazarus’.

Op een zekere zondag avond was hij een beetje in paniek.
‘Kom even binnen buurman’.
Het was rond een uur of negen. Het regende en het was donker. Kylian lag boven te slapen.
‘Wat is er aan de hand?’
Met zijn gele vingers probeerde hij een shaggie te draaien.
Het lukte niet.
‘Kom maar’.
Zoiets verleer je nooit.
‘Ik ben mijn huissleutels kwijt’.
Hij inhaleerde diep de rook.
‘Heeft er iemand reserve sleutels?’
Die had zijn moeder, maar die zat in het verpleeghuis in Zaandam.
‘En de sleutel van mijn brommer zat erán’.
Ik dacht even na.
‘Heeft u geen andere familie die u even naar Zaandam kan brengen?’
Ik was echt niet van plan om de deur uit te gaan nu Kylian boven sliep.
‘Ik heb twee broers maar die willen me niet meer zien…..kouwe kak’
Ik bood aan de politie te bellen.
Zelf had hij geen telefoon.
Dat leek hem wel wat.

‘Nee, mevrouw, dat doen wij niet, maar als u nou even ‘dit en dat nummer’ belt dan komen ze zo langs.
Ja, dat moet hij wel betalen’.

Dat laatste was niet naar de zin van buurman.
‘Weet u buurvrouw, de wc zit bai mai aan de zaikant. En daar zit een raampje boven waar jaj misschien wel door ken’.
Ik liet me overhalen om even te gaan kijken.
‘Sorry buurman, nee.
Dat is veel te gevaarlijk, daar begin ik niet aan’.
Ik had eigenlijk allang al in mijn bed willen liggen in plaats van hier in de regen te staan.
Toch maar doen dan?
Nee.
Stel je voor dat ik mijn been zou breken?
Ligt Kyl alleen.
Buurman weet echt niet wat hij moet doen dan.
Ik nam afscheid.
‘We kunnen dat nummer bellen, u kunt de bus nemen naar uw moeder in Zaandam. Verder weet ik het ook niet hoor’.

Even later hoorde ik een harde bons op de vloer. Hij was kennelijk geland.
Hopelijk niet in de pot.
Vlak daarna volgde de bekende bons op mijn raam.
‘Het is gelukt hoor!’
Godzijdank.

Ik denk dat het niet veel weken later was toen ik wederom werd opgeschrikt door een harde bons op de vloer.
Ik lag in bed te lezen.
‘Wat krijgen we nou weer?’
Er volgde geen bons op het raam.
Zeker dronken.
Even later was ik gaan slapen en vergat ik het hele voorval.

Eind februari ’99 werd Kylian ziek.
Hij had oorpijn.
Deze keer besloot oma, mijn moeder, naar mij toe te komen om op Kylian te passen.
Ik had die dag namelijk geen vrij kunnen krijgen van mijn werk.
Toen ik rond zes uur thuis kwam, zag Kylian er gelukkig al een stukje beter uit.
‘Ik heb de hele middag liedjes gezongen’, vertelde mam. ‘Zo raar, ineens wist ik al die teksten weer van die oud-Hollandse liedjes’.
Die had buurman natuurlijk gespeeld, dacht ik.
Hoewel, nu ik erover nadacht had ik hem al een tijdje niet gehoord.

Mam ging op de fiets naar huis.
Ik ging de feiten nog eens na.
Want het was toch wel vreemd eigenlijk.
Ik had die fluitketel ook al in geen tijden meer gehoord.
En laatst was de sneeuw ook al niet van het stoepje geveegd.
Niet dat dat moet, maar raar was het wel.

En in mijn huis waren de laatste tijd ook al van die vreemde dingen gebeurd.
-Kaarsen die niet uit wilden gaan, of gewoon spontaan weer aangingen.
-een enge steekvlam uit een waxinelichtje van zeker 20 cm hoog.
-de radio die een keer spontaan aan was gegaan.
-de tv idem dito en wel op het sneeuwkanaal.
Dat was een verhaal apart.

Daar was het eigenlijk een beetje mee begonnen.
Die avond was ik op de bank in slaap gevallen.
De tv was niet aan geweest, ik had lekker liggen lezen.
Toen ik sliep droomde dat ik daar lag.
Op die bank.
Alsof de werkelijkheid mijn droom was.
Of mijn werkelijkheid de droom.

Er stak opeens een harde wind op in mijn huis.
Een wind zo sterk dat ik zo vanaf de bank werd gewaaid.
Richting de keuken.
Ik probeerde me aan alles vast te grijpen, maar de wind was eenvoudig te sterk.
Uiteindelijk hield me vast aan mijn saloondeurtjes die tussen de kamer en de keuken hingen.
Terwijl ik horizontaal in de wind hing klapperden al mijn kastjes en pannen.
Uiteindelijk was ik badend in het zweet wakker geworden.
Met de tv dus op zendertje sneeuw.

En dan Kylian.
Deed die ook niet zo raar af en toe? Hij noemde, behalve opa die zijn absolute favoriet was, iedere andere man papa.
Zijn papa zag hij immers ook niet zoveel, dus het woord papa associeerde hij gewoon met een man. Met iedere man.
Soms, als ik hem naar zijn bedje bracht om lekker te ukkele-tukkelen (hoef je niet googelen, is een woord van mij en Kyl) zong ik ‘Mijn grootvaders klok’ voor hem.
Een liedje dat op het repertoire stond van oma, opa maar ook zijn vader zong het wel eens voor hem , maar dan de Engelse versie.
Zodoende kwam ook ik daar niet onderuit.

Op een avond bleef hij na het liedje als gebiologeerd naar de muur kijken die ons scheidde van buurman.
‘Wat zie je dan?’
Kyl wees met zijn handje naar de muur waar niets te zien was, behalve een ingelijste poster van 101 Dalmatiërs, maar daar wees hij niet naar.
Hij wees gewoon naar niets.
‘Papa’.
Ik had een heel naar gevoel gekregen. Een gevoel alsof je bespied wordt.
‘Welnee, daar is niets hoor, geen papa’.
Kyl bleef wijzen. Zeker van zijn zaak.
‘Papa, papa, papa!’
Kyl had ik die nacht bij mij in bed genomen.

Nog zoiets geks. De klok stond al weken stil. Het was best een dure klok geweest. Hij sierde de schoorsteen. Batterijtjes verwisselen hielp niet zodat ik uiteindelijk met mijn klok naar de juwelier Kuijper was gegaan.
‘Niets aan de hand hoor, gewoon het batterijtje’.
Eenmaal thuis had het rotding het gewoon weer vertikt.

Het speelde allemaal door mijn hoofd. Allemaal rare vreemde dingen waar ik verder geen aandacht aan had besteed omdat het gewone leven als werkende meestal alleenstaande moeder al meer dan genoeg energie al opslokte.

Het klopte van geen kant.
‘Ik besloot de jongen van de garage eens te polsen. Daar kenden ze buurman ook wel.
Kyl kon wel heel even alleen in de box.
‘Nee, nou je het zegt’

Samen gluurden we door de vergeelde vitrages naar binnen.
De tv stond aan.
De kachel brandde.
Verder niets.
‘Ik bel de politie’.
De jongen vond dat een goed idee en ging weer aan het werk.

De politiemannen kwamen, belden bij buurman aan, gluurden naar binnen en liepen even later achterom.
Het glas van zijn keukenraam sneuvelde.
Gerinkel.
Dan een ‘Godverdomme’.
Even daarna stond een van de politiemannen over te geven in het rozenplantsoen voor de huisjes.
Ik wist genoeg.

Toen ik Kyl net in zijn bedje had gelegd belde de politie aan.
‘Recherche’.
Wel zitten. Geen koffie.
‘We hebben uw Buurman dood gevonden in de keuken’.
Op nog geen meter afstand waar ik met San pannenkoeken had staan bakken voor onze zoontjes.
Ik had er gezeten.
Naast gezeten.
‘Waarom heb ik niets geroken?’
Ik werd misselijk van de gedachte.
‘Het is koud geweest’.
Kattenpies! Dat had ik geroken. Ik had er zelfs mijn mooie rode hoogpolige kleed voor weggedaan.
De lucht was nog een tijdje blijven hangen.

‘Hij had de dop van de fluitketel in zijn hand’.
Opeens wist ik het weer.
‘Hij had het gas gelukkig nog niet opengedraaid’.
Die avond.
Rond negenen.
Ik lag te lezen in bed.
Baantjer geloof ik.
Toepasselijk.
Een harde bons.
‘Hartaanval vermoedelijk.
De schouwarts is nog bij hem’.

Er volgden veel vragen.
‘Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?’
Opeens schoot mij de kerstkaart te binnen.
Ja, ik wist het zeker, ik had hem gehad!
Toen leefde hij dus nog.

‘Kent u de familie?’
Ik vertelde dat de band niet zo best was.
Verdories, waarom had ik het nou niet goed onthouden.
Waarom waren ze ook al weer in onmin?
‘Zouden we zijn broers hier vanavond mogen ontvangen?’
Ik vond het best.
Ik was benieuwd.

De broers kwamen samen met de schoonzussen.
Al snel was mij duidelijk dat ze mijn buurman nogal beneden hun stand vonden.
Ze hadden hem al zeker een half jaar niet gezien.
‘Contact met moeder heeft hij wel’.
Maar de moeder is ziek en dement, hoor ik even later.

‘Gaat het?’ vraagt de rechercheur als de familie vertrokken is.
Hij geeft me zijn kaartje.
‘Bel maar als je nog wat te binnen schiet. Of als je er gewoon nog even over wilt praten’.

Toen was ik alleen.
Ik belde S.
‘Wil je alsjeblieft bij me komen slapen?’
Ik vertel wat er is gebeurd.
‘It’s to late’.
Ik ging naar boven.
Gewoon
naar bed
terwijl
de stilte naar me schreeuwde
en de atmosfeer me de adem zowat benam.

Alsof ik op de kermis stond, zoveel indrukken kwamen er binnen.
Ik voelde opluchting.
Ik voelde angst.
Het greep me zo bij de keel
dat ik dacht te gaan stikken
Ik knipte het licht weer aan.
Het was rond half twaalf.

Opeens drong het tot me door dat dit niet mijn emoties waren, maar de zijne.
Verdories, al die weken heeft hij gewoon geprobeerd om me te vertellen dat hij daar lag.

Er volgden nog meer emoties.
Boosheid was er een van.
Verwarring een goede tweede.
Beneden klapte er iets tegen het raam van mijn achterdeur.
Diep dook ik weg onder mijn dekbed.
Stel je niet aan.
Uiteindelijk viel ik in een onrustige halfslaap.
Ik droomde dat mijn dekbed boven mij zweefde.
Ik lag naakt.
Met een ruk trok ik mijn dekbed over me heen.
Ik moest hier weg. Nu.

Rond half twee stapte ik uit bed, kleedde me aan, tilde Kyl op uit zijn bedje die -lekker handig- zijn slaapzak al aan had en rende met hem onder mijn arm mijn huis uit.
Met Kyl naast me in zijn stoeltje reed ik langs de Zaan op weg naar mijn ouders.
Trillend als een rietje kwam ik daar aan.
‘Mag ik alsjeblieft hier slapen?’

De dagen daarna zamelde ik bij de buren geld in voor een advertentie.
Ze wilden allemaal horen wat er was gebeurd.

De broers hadden er geen ruchtbaarheid aan willen geven verder.
‘Hij zal in besloten kring worden begraven’.
Een datum heb ik nooit gekregen.
Ik vraag me af of ze er eigenlijk zelf bij zijn geweest.
De volgende dag verscheen de volgende regel in het Noord-hollands Dagblad.
***********************************
“‘Buurman H. rust zacht
Duizend orgels voor jou'”
***********************************

De weken daar na logeerde ik half om half bij de vader van Kyl en mijn ouders.
Als ik af en toe in mijn huisje kwam om iets te halen voelde ik ‘het’ al bij binnenkomst.
Ik was niet alleen. De haartjes op mijn rug en armen stonden als bewijs fier rechtop. De keuken was kouder dan de kamer. Bij de trap was het ook doodeng. Boven had ik het gevoel alsof er iemand tegen me stond te schreeuwen die ik niet kon horen.

‘Ga mee naar Australië. Dan kan Kyl zijn halfzus zien’.
Hoewel de relatie tussen S en mij niet goed was besloot ik mee te gaan.
Ik besefte wel degelijk dat ik op de vlucht was.
Maar voor wat?
Mijn eigen fantasie?

Kylian is twee als we terug komen.
Zijn verjaardag hebben we gevierd met pannenkoeken op Rottnest Island.
Ik besloot dat het maar eens over moet zijn met ‘die onzin’.
Ik liet me toch zeker niet mijn eigen huis uit jagen?

Een collega bracht me in contact met een paragnost die me uitlegde dat de doden nog dezelfde intelligentie hebben als toen ze leefden.
‘Kijk, het is allemaal erg logisch.
Toen hij leefde kwam hij ook bij jou voor hulp.
Dat deed hij toen hij daar dood lag ook’.
Er zat wat in natuurlijk.
‘En nu weet hij het gewoon niet.
Hij ziet geen licht waar hij heen kan, hij begrijpt nog niet dat hij echt dood is.
Je kunt hem helpen door…..’.

Samen met mijn moeder zette ik de volgende dag zeezout in de hoeken.
Alle hoeken. Boven en beneden.
We brandden wierook en zetten daarna alle ramen en deuren open.
Door de schone ramen scheen het zonlicht vrolijk op mijn nieuwe knalgele kussentjes.
Verse bloemen, verse planten, de koelkast was schoon en gevuld.
Chris Rea wisselde Toots af ‘on the beach’.
Een was draaide.
Een pan stond op het vuur.

Maar
alle dingen ten spijt:
Ik deed er geen oog meer dicht.
De energie was zo onvoorstelbaar beladen.
En er gebeurden nog steeds rare dingen.

Ik vluchtte uiteindelijk weer mijn huis uit.
En heb met Kyl een half jaar dan weer bij S. en dan weer bij mijn ouders geslapen
tot ik van de woningbouw vereniging een grote benedenwoning kreeg aangeboden, waar ik met heel veel plezier en zonder lugubere spook-acties heb gewoond tot ik uiteindelijk – samen met Rem- ben verhuisd naar waar we nu wonen.
Een huis wat er overigens ook al langer dan een eeuw staat, maar wat me past me als een comfortabele jas.

Gister passeerde ik de oude groene huisjes langs de Zaan.
Ik reed daar met mijn ouders. We kwamen uit het ziekenhuis.
‘Kijk pap, opgeknapt he?’

Strak in de verf, bijna volledig gerenoveerd stonden Links en Rechts trots naast elkaar, bijna klaar voor de verkoop.
Nee.
Ze worden toch niet gesloopt.
Volgens mij staan ze inmiddels op de monumentenlijst.

Er zullen spoedig weer nieuwe mensen hun intrek nemen.
Nu met cv en geïsoleerde muren.
En tuindeuren zelfs, zag ik laatst.
Het uitzicht vanuit de dakkapel zal nog onveranderd mooi zijn.

Mijn mannetje in de deur stond al te wachten zag ik.
Hij had er zin in volgens mij.
Echter, van de deur van Rechts ontbrak nog steeds ieder spoor.
Al sinds ze onbewoonbaar zijn verklaard, niet lang nadat nadat ik definitief vertrok, staat er slechts een houten plaat voor de deur.
Dicht gespijkerd
genageld of geklonken.
De gordijntjes boven waren inmiddels weg.
Er viel niets meer aan beweging te bespeuren.

Het zag er zo bijna vredig uit.

Vis- tuig!

‘Hoi Narda,
Ik ben jullie niet vergeten hoor, sterker, jullie zijn nog steeds van harte welkom.
Het ziet er als volgt uit:
(Er volgt een dag vullend programma dat ik jullie verder zal besparen. De vereniging ‘Vis- tuig’ nam nog steeds geen halve maatregelen merkte ik).

‘Het lijkt ons leuk als jullie de huldiging van de kampioen van de viswedstrijd doen’. (!!)
‘Verder is er genoeg te drinken, wat zijn de wensen?’ (!)
‘We laten alles brengen dus geen probleem verder.’ (!)
‘Als jullie zo rond 16.00 bij de Pin Up Club kunnen zijn, eerder mag natuurlijk ook’ (!) ‘zou dat mooi zijn’. ‘Dan zijn jullie op tijd voor de huldiging en het eten’. (!)

Nou, hoe vind je dat?
Een uitnodiging om te komen huldigen, Chinees eten, drinken tot je er bij wijze van spreken bij neervalt, en daarbij een aantal oude jeugd vrienden weer eens zien.
Dat laatste alleen was ons al de 20 euro meer dan waard.

Gistermiddag stipt vier uur liepen wij – zeer vereerd- dus het bruggetje over van de ‘Pin-up club’, een schattig vervallen boerderijtje aan de andere kant van het spoor dat daar al sinds jaar en dag stond.
De kipjes tokkelden ons gastvrij tegemoet.
Sommige leden lachten toen ze ons herkenden.
(noot: als mij een subtropische verassing was beloofd en ik zag ons aankomen zou ik ook in de lach geschoten zijn. De laatste keer dat ze mij zagen is zo’n drie maten terug).

Desalniettemin werden we als prinsesjes onthaald door de heren.

De laatste vis was net gevangen.
Het eindsignaal werd weldra gegeven.
De sfeer zat er prima in.

S. en ik gingen al snel ieder ons weegs.
De rosé en het bier vloeide rijkelijk terwijl we met iedereen spraken.
(‘Zag je gisteren natuurlijk nog bij de Hema!’)
Jongens, wat was dit leuk.
Jongens, wat hebben sommigen het voor hun kiezen gekregen.

Onze kinderen werden besproken, maar ook onze ouders.
En natuurlijk werden er ook wat herinneringen opgehaald
‘Wij hebben vroeger het coma – zuipen uitgevonden’ zei ‘P’ die tegenwoordig netjes ‘V’ wordt genoemd toen we spraken over die keren in ’82 dat we de drank voorraden van onze ouders plunderden om te kunnen boeren.

V. is inmiddels jarenlang een alom gerespecteerd aardrijkskunde leraar.
Allemaal, stuk voor stuk zijn we toch nog redelijk opgedroogd.
Maar wat zullen sommige van onze ouders een zorgen hebben gehad destijds.
Onze kinderen doen het allemaal beter.
Slechts af en toe een pilsje.
‘Gelukkig’.

M. (zowel een ex van S. als van mij)
nam het woord voor de prijsuitreiking.
Het woord ‘bijzonder’ viel.
Meermaals.
Het was ook bijzonder.
Ik werd er even stil van.
Het regende zacht.

Daarna volgde de uitslagen in centimeters en meters.
S. en ik huldigden en strooiden met flessen Bokma alsof we nooit anders hadden gedaan.

Een toilet was er niet.
S. en ik plasten dus samen in een hoekje op het erf hierbij nieuwsgierig gadegeslagen door de schaapjes.
Onze billen veegden we af met zilverkleurige servetten van de cateraar.
Wat deed het me goed om haar weer even te zien.
De zon scheen inmiddels weer volop.

‘Een groepsfoto!’
Gelukkig dat iemand daar aan dacht.
Het werd een hele leuke foto.
Allemaal mannen, een stuk of 20.
Jarenlang bevriend met elkaar.
En daartussen drie vrouwen.
S. en T. breeduit lachend, fotogeniek
als ze zijn.
En, als je heel goed kijkt, zie je mij
-ergens in het midden
omringd door mooie mannen-
en 1001 mooie herinneringen in mijn hoofd.

Ik glimlach.

20130908-132941.jpg