Mijn gezondheid in balans / wereld MS dag

Maandag
Met een Sangria hoofd van de dag ervoor wandel ik om half tien bij Blom binnen, ‘mijn’ psycholoog.
Het is onze laatste afspraak vandaag.
Zal het best wel missen hoor: gewoon, die bevestiging dat ik het helemaal niet zo gek doe en bedenk.
‘Zolang je maar probeert de balans te vinden Narda’.
Doe voor mijn gevoel niet anders.
Heb al meer dan jaar het idee op een wiebelige evenwichtsbalk te balanceren.

Na Blom mag ik bijna direct door naar M. ‘mijn’ fysiotherapeut.
M. is al weken bezig om de dieper gelegen spieren naast mijn ruggengraat een beetje los te krijgen.
Dat lukt wel aardig alleen links onder het midden blijft het nog steeds spijkerhard. Maar zolang er nog steeds verbetering lijkt te zitten in de pijn en beweeglijkheid gaat ze met deze behandeling nog even door. We hebben het altijd wel gezellig samen. Leuke meid is het. Ben zo blij met wat ze voor me doet.

Na M. mag ik naar het volgend deurtje. Daar houdt S. praktijk, ‘mijn’ acupuncturist.
Kwam ze de eerste vier behandelingen niet verder dan mijn energie weer opladen, -ik loop schijnbaar steeds leeg- vandaag probeert ze het o.a. met een naald onder mijn rechterknie. Ze is heerlijk rustig.

Inmiddels is het al weer kwart over elf als ik de medisch fitnessruimte binnen kom.
Ook op dezelfde etage.
Het is er meestal lekker stil. Soms ben ik er zelfs helemaal alleen.
Na 12 minuten fietsen, 10 minuten roeien, 7 minuten wandelen op de band en al mijn oefeningen ben ik eindelijk klaar.

Nog even lekker douchen en dan loop ik om kwart voor 1 de deur uit.

Hoe het dan nu gaat na een dik jaar?
Zoveel beter.
Ik wandel makkelijker. Nog steeds niet snel, zeg maar langzaam, maar wel steeds vaker zonder pijn hoewel ik op moet letten dat ik geen rare beweging maak.
Het ziet er niet meer zo zielig / kreupel uit tenminste.

Heb nu wel wat lage rugpijn.
Gisternacht had ik zoveel pijn in mijn lijf (vanaf navel naar beneden) dat ik maar twee uurtjes geslapen heb.
Misschien de nawerkingen van de acupunctuur en / of de stevige massage.
Misschien te veel op 1 dag gedaan.
Ik had wat verhoging.
Maandag eigenlijk ook al:
‘Wat voel je warm op je rug’.
Voelde me echt niet lekker.
Ik melde me ziek.
Als ik dat namelijk niet zou doen, was ik duidelijk over mijn grens heen gegaan, en was ik misschien nog verder van huis straks.
Dat is een leerpuntje voor mij: balans.
Zelfs de bedrijfsarts zegt dat ik goed voor mezelf moet zorgen.
‘Geen 110% jij, 90%!!’
Daar heb je hem weer: balans.

Ik mag binnenkort gewoon weer mijn nachtdiensten gaan werken van haar.
Er is geen enkele medische reden waarom dat niet zou kunnen, ‘mits er gezond geroosterd wordt’.
Ik hoop maar dat mijn lijf dat aan kan.
Ben ik nu eindelijk een beetje op de goede weg, kan ik straks terug naar af.
Dat vertelde ik haar ook.
‘Jeetje Narda, Moet je kijken waar je vandaan komt, en hoe ver je bent gekomen!’

Maar er is gelukkig nog niemand die mij pusht.
Nog steeds is er evenveel geduld en begrip om me heen op het werk.
En ik heb het zo naar me zin daar.
Wil niet weg.

Bij het afscheid bedankte ik haar.
‘Het spijt me dat ik zo weinig voor je kan betekenen wat betreft de nachtdiensten’.
Het is echt een scheet van een mens.
‘Weet je L? Het had toch veel erger geweest als er geen enkele twijfel over zou bestaan dat ik ooit nog nachtdiensten zou mogen werken’.
Ik meende het vanuit de grond van mijn hart.
Daarna namen we maar heel snel afscheid.

Vandaag is het wereld MS dag.
MS is een hele vervelende ziekte, waarvoor ik ook nog even bang ben geweest. (Waarvoor niet?)
Was ik immers een paar weken/ maanden voor de ellende begon niet een keer of drie zomaar languit op de grond gevallen?

Reuma.
Ook zo’n rotziekte.
Was ik ook bang voor hoor.
Nu valt poli-artrose dan ook wel onder de grote noemer Reuma, en kun je daarvan ook gemene ontstekingen krijgen, maar ik bedoel nu RA.

Ach, zo zijn we wel meer van die rot ziekten die je de kop misschien niet gaan kosten, maar zo ontzettend veel leed veroorzaken.
Door pijn, door beperkingen. Onbegrip!
Onzichtbaar.
Zodat je het invalideplekje in de bus tram of metro niet eens durf in te nemen, als dat al vrij is.
Of je soms wel de kop gaan kosten uiteindelijk: ALS.

Vandaag wil ik even denken aan die mensen die niet zo
‘gelukkig’ zijn als mij.

Gezond zijn lijkt maar zo gewoon als je het bent.
Jongens:
Pluk de dag!

Kamperen in de jaren ’70 deel 5: een nieuwe vriendin!

In de weekenden was ik natuurlijk voornamelijk op ‘Camping Castricum’ in Heemskerk te vinden.
Inmiddels heet de camping trouwens al heel lang geen ‘Camping Castricum’ meer maar ‘Geversduin’.

Zat ik doordeweeks op school met Essie Erwt te flirten met de jongens, in de weekenden was ik gewoon nog aan het hoepelen en zo.
Mijn vriendinnetjes Ellen en Mariëlle waren namelijk net een jaartje jonger en zaten nog op de basisschool. Zij waren nog helemaal niet bezig met jongens.
Welnee!

Op een dag stelde Ellen mij voor aan Linda, een kennisje van haar.
Linda stond op het grote veld.
Ze hadden een grote groene bungalow tent. Op een dag zat ze daar gewoon voor. Op het gras. Ze droeg een lichtroze bodywarmer. In haar nek zat een kleine witte hamster.
Ik vond haar direct erg grappig.

Ellen bleek -hoewel aardig-toch wel een beetje tuttig te zijn. College schoenen met kwastjes, gestreepte poloshirtjes, tennisles, zo’n typetje. Haar bermuda’s hadden ruitjes.
-Had ze zelf zo uitgezocht, need I say more?-
Ze was nergens voor te porren. Tenminste, niet voor de zaken waar ik wel voor te porren was: flipperen, (lees: de flipperkast saboteren), de jongens in de kantine en de disco (waarover later meer).

Op een dag kwam Linda toevallig langs onze caravan.
Ik lag op een luchtbed de Tina te lezen of zo.
We kletsten wat.
Iets van ‘hè, sta jij hier, ik nu daar’ of zo.
Ze kwam gezellig bij me zitten.
Het klikte gewoon tussen ons.

‘Heb je misschien zin om mee te gaan, mijn poules lopen?’
Ik had geen flauw benul wat dat was. Ik haalde mijn schouders op.
‘Best.
Is het ver lopen?’
Het was die dag bloedheet weer.
‘Valt wel mee hoor.
Half uurtje’.

Nadat we de camping verlieten sloegen we rechtsaf.
Ik op mijn slippertjes, in de grijze Bermuda die de moeder .van Ellen voor me in elkaar geflanst had. (Yek!)
Eerst liepen we langs de patatoloog, richting Heemskerk.
Even later langs Slot Assemburg.
Jee. Wat was het warm.
Wat hadden we een dorst.
Niets bij ons natuurlijk.
‘Is het nog heel ver?’

We hadden zo’n ontzettende dorst dat we besloten ergens aan te bellen om water te vragen.
Was geen probleem.
‘Draai de buiten kraan maar open meiden.

En verder gingen we weer, door Beverwijk.
De Breestraat.
‘Nu zijn we er echt bijna’.
Eindelijk waren we bij haar huis in Velzen Noord.
Alleen nog even zes trappen op.
Maar ja, toen moesten we die poules natuurlijk nog lopen!
Ze had zo haar adresjes.
Bij alle mensen kreeg ze een gulden of zo.
Het viel me op hoe vrij ze was met de mensen.
Open.
Spontaan.
Gebbetjes.
We lachten wat af samen.

Vanaf die dag werden Lins en ik dikke vriendinnen.
-En ‘partners in crime’!-

Sterk spul, die Sangria!

Hoi pap,

Ik weet wel dat ik gezegd heb dat ik je met rust zou laten, maar dit moet ik gewoon even aan je kwijt:
Vandaag vierden we mam haar verjaardag.
Hier, bij ons in de tuin.
Het was prachtig weer pap, we hadden ons geen mooier weer kunnen wensen.
Mam had zelf een krabsalade gemaakt, je-weet-wel, die ene, altijd een groot succes.
Verder gingen we helemaal op de Spaanse toer: tapas!
Ja, daar hoorde natuurlijk ook Sangria bij. Mam wist het recept uit haar hoofd. Ik heb vier grote kannen gemaakt, je zusje F. vond het heerlijk -wat kan ze giechelen hè?!- De zussen van mam ook. en ook je broer F. en L. zijn vrouw genoten ervan.
Et moi!

De uitslag van tante Li. was niet goed pap, ze wordt woensdag geopereerd. Ik heb er verder niet over gepraat met haar, ik denk dat het soms beter/ fijner is om te lachen om onzin-dingen dan er over te praten. Een k#tziekte blijft het toch.
Hoe lang je er ook over praat.
Ik denk soms dat dood zwijgen soms maar het beste is.
Ik meen het.
Erover praten helpt geen reet,
Je kunt maar beter een beetje lol hebben.
Zo is het toch?!

Je broer J en zijn vrouw J. zijn al lekker met vakantie, dus die waren er niet.
Ze belden me vorige week nog even om een beetje bij te kletsen/ af te zeggen # lief!
Wel jammer dat ze er niet waren. Ook J&A konden niet, hun dochter vierde vandaag haar vrijgezellenfeest.
Je jongste zusje is net verhuisd. Terug naar Wormerveer. Jammer dat ze er niet was.
Ik vermoed dat het te moeilijk voor haar is.
Maar ik kan het mis hebben.
Ik zal haar van de week even een kaartje sturen. Ze heeft een nieuwe vriend.
Maar dat wist je al, toch?!

Je broer H was er gelukkig wel.
Jee pap. Da’s zo raar. Hij lijkt zoveel op jou.
Echt bijna eng.
Wat bracht hij een plezier met zich mee, en T. ook.

Mam ging vroeg weg pap.
Om vijf uur al.
Ik denk dat ze moe was.
Net belde ze nog.
Ze vond het zo leuk.
En ik had het zo knap gedaan, met al die lekkere hapjes.
We hebben afgesproken dat we samen nog een keer aan de Sangria gaan.
En dat ik hem dan wat sterker maak.
Hij was een beetje te slap volgens haar.
Doen we!

Jee pap, wat was je dichtbij vanmiddag.
Je broers.
Maar misschien was jij ook dichtbij voor hen.
Door mij.
Door Kyl.
Snap je het nog?

Wat hebben we gelachen.
Ik weet zeker dat je het leuk had gevonden als je het had gezien.
Je broer G en zijn vrouw E. ook, maar die zitten voor een paar maanden wer in Zweden.
Jammer.
Voor ons dan.

Nou, dat wou ik gewoon allemaal even zeggen.
Nou, ga maar gauw weer terug.
Naar waar je was.
-niet in je urn he?!-
Veel liefs en kusjes. Xxx

-ps1: sterk spul hè, die Sangria.
-ps 2: we hebben eindelijk je naambordje besteld hoor.
Sorry dat dat zo lang moest duren.
Ps3: zus wordt waarschijnlijk over een week of twee geopereerd.
Denk je dat ik heen moet?
Haar bij moet staan?
Ja hè ?!
X

Zorgen over, zorgen voor…

Woensdag
Om vier uur ben ik met de auto bij mam.
Op de achterbank staat het resultaat van een half uurtje Act.ion.
In de achterbak mijn boodschappen.
Naast me ligt een bos rode rozen.
Mijn vader gaf haar ieder jaar rode rozen op haar verjaardag.
Nu moest ik dat maar doen.
Ik zet ze binnen in de vaas.
Terwijl ik dat doe zie ik een doosje oxicodon op het richeltje liggen. Van wanneer?
Ik leg het doosje diclofenac opzij wat er boven op ligt.
‘Hé, wat zijn dat nou voor pillen Nar?
Die ken ik helemaal niet’.
Ze lijkt me niet te begrijpen als ik uitleg dat we die mee hadden op vakantie. ‘Voor je sleutelbeen weet je wel?’
Ze weet het niet meer.
‘Nou, ik lees de bijsluiter vanmiddag wel’.
RaaR.

‘We gaan eerst nog even langs de begraafplaats toch Narda?’
Ze kan er niet meer alleen heen.
Niet lopend.
Niet op de fiets.
Al is het best dichtbij.
‘Natuurlijk mam’.

Nadat ik even bij pap gekeken heb -hij staat er nog- ga er het bankje zitten.
Mam steekt een kaarsje aan weet ik.
Het is vredig hier. Ik ken de vele urnen grafjes inmiddels een beetje uit mijn hoofd.
Er is nog steeds niemand geweest die verantwoordelijk is voor het ene grafje. Het staat er nog even verlaten en vergeten bij. ‘Willen de rechthebbende zich aub bij de begraafplaatsbeheerderder melden?’
Om zo te eindigen.

Mam komt naast me zitten op het bankje en steekt een sigaret op.
‘Het is een rode roos heb je dat gezien?’
Ik doel op de roosjes die vlak voor pap zijn plekje voorzichtig uit de knopjes piepen.
Mam knikt.
Morgen zullen ze in volle bloei staan.
Morgen is ze jarig.

Thuis plant ik mam op de veranda en sommeer Kyl de terraskachel aan te steken en een shawl te zoeken voor zijn oma. Rem is al thuis en buigt zich over de kooltjes in de bbq.
Een uurtje later zitten we gezellig aan de zalmmootjes , gepofte aardappels en salade.
Mam eet haar hele moot op.
‘Zal ik voor zondag een krabsalade maken?’ vraagt ze. Ik ben verheugd.
Graag mam. Die vinden ze zo lekker altijd’.
Zondag vieren we haar verjaardag hier, bij ons thuis.
Net als vorig jaar voor pap.
‘Jij bent toch de 25-ste jarig’, zegt ze ineens even later.
‘Nee mam. 31 mei. Dan ben ik jarig’.
‘O ja, natuurlijk. Wat stom van me’.

Donderdag.
Na het werk maak ik snel Chili concarne. We moeten na het eten eerst nog stemmen voor we een borreltje bij mam gaan halen.
Zus is er ook. Morgen gaat ze weer weg. ‘Ik dacht-tuh dat mam haar verjaardag vandaag zou vieren?!’
-Tja. Dat krijg je ervan als je je berichtjes niet leest en je telefoon niet op neemt- ik zeg het niet, denk het wel.
Rem maait het gras en haalt mijn vaders fietsen uit de schuur. Op zijn sterfdag heeft mijn vader er beide kleinzoons 1 gegeven. ‘Die fietsen zijn voor jullie hoor!’ Zus wil er 1 voor neef bij haar thuis.

Zus verteld dat ze inmiddels bij de anesthesist is geweest.
Over een week of twee gaat ze geopereerd worden. Toch in Groningen. ‘Jij hebt al zoveel aan je hoofd Narda’.
Ik ben er blij om dat ze daar voor gekozen heeft.
‘Denk je nog om je wilsbeschikking?’. Het gaat natuurlijk vast goed, maar toch: haar schedel gaat open. Aan haar linkerzijde onder haar haar maken ze een luikje. Het aneurysma waar ze een clip op gaan zetten ligt precies in het midden van haar hoofd, maar dan iets naar voren, dichter bij haar voorhoofd zeg maar.
Ze is zenuwachtig.
Zou ik ook zijn.
Ben ik ook.
Mam ook.

Na twee roseetjes en pilsjes gaan we naar huis.
‘Dag zus’. Onze knuffel is nog harder dan normaal.
Niet bij nadenken.
Dag mam, tot zondag.

Thuis is Kyl allang de hort op.
Zijn vrienden zijn klaar met de examens en dat moet natuurlijk gevierd worden.

Om half twaalf word ik wakker van mijn mobiel die over gaat.
Het is een van de vrienden van Kyl.
‘Kunt u alstublieft komen? Hij is gevallen met zijn fiets en zijn kin ligt open’.
We spreken af op het Marktplein voor de AH.
Rem gaat gelukkig mee.

Twee vrienden houden Kyl tussen zich in. Hij zwalkt.
De derde loopt met zijn fiets.
Voor de eerste keer zie ik mijn zoon van 17 dronken.
-Zonen horen niet dronken te zijn.
Zonen horen het gras te maaien bij hun oma of huiswerk te maken-
Naar zijn kin kijken lukt niet, mag niet.
Ik geef hem een rolletje snelverband dat hij tegen de wond houdt als hij er aan denkt. Volgens mij valt het wel mee.
Na een uur lukt het eindelijk om Kyl mee krijgen op de achterbank.

Thuis wil hij weer niet naar bed.
Hij is boos en wil naar Zaandam. ‘Ik bennegniedlonken’.
Rem breng een soort van engelengeduld op maar ik word uiteindelijk razend.
‘En nou naar bed, begrepen!’
Het eindigt ermee dat Rem Kyl mee neemt naar buiten voor een blokje om, en ik alleen al vast naar bed ga.
Het is al een uur of half vier als de rust eindelijk is wedergekeerd.

Vrijdag
Om half zes gaat de wekker al weer. Vandaag heb ik ook nog eens een onervaren collega naast me, een studente geneeskunde.
Een invalkracht.
Ze is nog maar twee daagjes ingewerkt, en dat is te kort voor een dagdienst, ook al pikken die medisch studenten alles supersnel op.
Het is nog een typische vrijdag ook. Patiënten die zomaar zonder bellen voor je staan met bloedverlies, slechte communicatie met de poli waardoor we bijna de ene patiënt aanzien voor een andere (wees niet bang, alles wordt drie keer gecheckt), gewoon hartstikke druk, en natuurlijk ook nog gewoon de secretaresse werkzaamheden van de kraamafdeling die ik die eigenlijk die dag zou doen.

Thuis zit Kyl in de tuin.
De achterdeur sleutel is kwijt sinds vannacht; vanmorgen zat er een fiets sleutel in het slot.
Ik tik in het raam. ‘Hier komen jij!’
Beschaamd neemt hij plaats aan tafel.
‘Dit is echt niets voor mij mam. Het spijt me zo’.
We praten een half uur.
Dan laat ik hem de sleutel zoeken.
Het is ook niets voor hem.
Vergeleken met mij is hij – tot nu toe ?- zo’n beetje de meest ideale puber die je je wensen kan.
Vanavond moet hij verplicht een uur het internet op.
En hij heeft het hele weekend natuurlijk huisarrest.
‘Kun je me mooi helpen met de boodschappen, hapjes maken en schoonmaken!’
#datdanweerwel!

Naar het park. (oud gedichtje)

Ik liep het park in
mijn hoofd te vol met gedachten.

Even keek ik naar de honden
die speelden op het veld
Even luisterde ik naar de vogels,
die zo mooi zingen konden
en voelde ik de bomen
door hun bladeren dromen
Rook ik aan de bloemen
waar rond wat bijen zoemen.
Even stond ik op het gras

en toen besefte ik pas
weer
waar het eigenlijk om draaide
-zoals ik al verwachtte-

‘Place d’ Hortensia’

Vandaag kwam ik via via op hele leuke blogs terecht.
Ik las daar -bij Els- een stukje over een ultiem gevoel van geluk, dat je zomaar ineens kan overvallen.
-Meestal heeft dat weinig met materiële zaken van doen-.

Ik wilde daarom voor haar een gedichtje plaatsen over het park.
Helaas kan ik het digitaal niet vinden, ik moet even op zoek naar de papieren versie.
Maar dit gedichtje verwoord het gevoel ook best goed.
-Ga ik ondertussen nog even zoeken!-

Door mijn tenen
in de lucht
kijk ik hoe mijn druifjes groeien
-nou nogal slow!-
Zoals alles
eenvoudig
op klein
‘Place d’ hortensia’.

Kip Lotte vangt vliegen
haan Lummel ziet mieren
terwijl Bink traag
onder de sproei
van mijn plantenspuit
danst
knispert het grind
vertrouwd
onder mijn voeten…..

……als ik Spook
langzaam maar zeker
wat vlooien uit kam
vermaan ik Bram
zachtjes
als hij op de musjes loert
die namelijk baden ja!
Hier
op fijn
‘Place d’hortensia’….

….denk ik even aan Tinka,
aan Nino, aan Lola
en tel de bloemen
-zo veel en zo mooi!-
boven hun plekjes
voor altijd
in vrede
en rust
op mooi
‘Place d’hortensia’…

…..lak ik de nagels
van mijn tenen
in vele malen
hemelsblauw
Pluk traag wat munt
-Wil me niet vermoeien-
voor de thee
later
samen met Kyl
in de hangmat uit de zon….

En dan
stil
zijn daar zomaar
wat tranen
landen
op het grind van….

….-Voor altijd en eeuwig
ons eigen pleintje?-
dat we eenvoudig noemen
‘Place d’hortensia’….

-Waar ik zo mooi over begon….-

Kamperen in de jaren ‘ 70. Deel 4: Camping Castricum en op de bonnefooi.

(Ongeveer 9, 10 jaar)

Op gegeven moment hadden mijn ouders het wel gezien op de Oude Boomgaard denk ik.
Wij ook een beetje.
Ellie ging naar het voortgezet onderwijs en werd natuurlijk te groot voor hutten bouwen en dergelijke kinderachtige onzin.
Bovendien wilden mijn ouders graag eens vier weken trekken met de caravan door Nederland.
Zodoende zochten wij een plekje op camping Castricum.

Ons eerste plekje was een zogenaamd voor- en na seizoenplek. Plekje 511. Belachelijk dat ik dat nog weet.
Mijn vriendinnetje C. stond er ook met haar ouders.

Van dat eerste jaar kan ik me weinig herinneren. Ja, het klimrekken met C. En ons nieuwe vriendinnetje Patricia met wie zus en ik een ondergrondse hut bouwden rechtsaf van het pad bij de vierde boom. Gave hut was dat. Er had een onderduiker in kunnen wonen. Je moest echt weten dat hij er was, anders vond je hem nooit. Uren waren we er mee bezig geweest. Uren hebben we gegraven. -Oké. Zus en Patricia een beetje meer dan ik.- Plassen deed je maar in de bosjes. Niet zeuren. Doorwerken. Wortels weg hakken. Onze handen kleefden van de hars. Met gevonden planken maakten we het dak wat we netjes camoufleerden met zand en denappels. Zoals ik al zei: je moest het echt weten.

Ja en C natuurlijk hè? C. had dezelfde fiets als ik. Alleen had zij hem dan in het blauw, en ik in het paars.
C en ik kwamen echt overal met onze fietsjes. Mandje voorop. Pop er in (C), eten mee, en we gingen heerlijk picknicken op ‘de berg na de Kruisberg’. Ook gingen we samen vaak naar het Heemskerkstrand. Dat van die travestiet die plots in een bh’tje voor ons stond had ik geloof ik al eens verteld…

In de periode tussen het voor- en het na seizoen moesten we zes weken van de camping af.
In die periode gingen we vijf weken op de bonnefooi trekken door Nederland.

Het was een fantastisch mooie zomer dat jaar. (1976) . We trokken van provincie naar provincie. Na een week of drie zagen we alle vier poepie bruin. Ik was altijd de bleekste, eerlijk waar. Op een dag kwamen we op een vrij nieuwe camping. Ik weet niet meer precies waar het was, maar wel dat de mensen er niet gewend waren aan buitenlanders.
‘Kom, gaan wij vast even boodschappen doen meiden!’
Mijn vader zette de luifel dan vast en ons tentje op.

Bij de lange rij voor de kassa was iedereen even vriendelijk. ‘Gaat u maar voor hoor’.
En weer een plekje dichter bij de kassa: ‘ gaat u maar voor hoor’.
We snapten er niets van. Wat een aardige mensen hier.
Pas een paar dagen later hoorden we dat we werden aangezien voor zigeuners. Tja
Mam met haar lange zwarte haar. Zus met haar donker bruine ogen, huid en donkerbruine lange haar.
Die paarse hippie pofbroek van mijn moeder maakte het er ook niet beter op natuurlijk.
Tja. Zigeuners: die kun je maar beter voor je hebben, dan kun je ze tenminste in de gaten houden.

Odoorn was het leukste.
Vlintenholt. Vanaf dag 1 hadden mijn ouders er ook vrienden. Bij aankomst werd er direct geholpen met het plaatsen van de caravan. Koffie? De taart werd gelijk gedeeld.
Ja, dikke pret was het daar.
Veel gevoetbald, droppings, grote kampvuren.
Nachtwandelingen met zus, Corstiaan en Christian naar de visvijver.
Naar de hei.
Of met zijn twaalven in ome Fokko zijn bestelwagen naar ‘de Kibbelkoele’.
Het kon allemaal.
Ja, we hadden daar een geweldige tijd.
We zijn daar toen zelfs een hele week gebleven.
En er twee jaar later nog eens naar terug gegaan.

Kamperen in de jaren ’70 deel 3: De boerderij

Zoals ik al zei: onze wereld werd groter en groter daar op die oude boomgaard, tot we op het laatst zelfs alleen bij het kanaal mochten spelen. Op een dag vonden we tussen de grijze met algen bedekte stenen het lijkje van een kat. Het was al half vergaan.

Aan dat kanaal stond de boerderij van Ellie en Gerda. Twee zusjes van onze leeftijd. Nou ja, Ellie was een jaartje ouder dan zus. Van mijn zesde tot mijn tiende, elfde jaar waren het onze vriendinnetjes. Meestal speelden we op de boerderij.
Het was geen grote boerderij. Gewoon, een stuk of zes koeien, een hengst en een merry, kippen, een haan en twee lapjeskatten: Gosé en José van wie wij later de kittens kregen. (En ja: de kater was echt een lap!)

Je bereikte de boerderij door vanaf de dijk de oprit schuin naar beneden te nemen. De boerderij lag dan aan je linkerhand.
Aan de voorkant was een bloementuin. Ik kan me niet herinneren dat ik iemand de voordeur ooit heb zien gebruiken. Aan de achterzijde lag, net als de oprit, grit, split en kleine kiezels. Er liepen kippen en een haan. Vaak genoeg ook kuikens.
Op zaterdag werd er ’s morgens een kip geslacht. Gewoon, in het schuurtje. Deurtje dicht en wie zich het eerst liet vangen was de lul.
Met lunch aten we dan kippensoep aan de grote tafel
-met zeil-in de keuken. ‘Jai ken nog wel wat groeien maidje!’
En als toetje vla die ze met de likker tot op de bodem uit de fles likte. Moeder Jonk was een grote vrouw met lang middenblond haar dat ze in een staart gebonden had. Ze was altijd relaxt. Alles kon. Tot zoverre.

Achter het erf lag het weiland waar de paarden en de koeien stonden. Vaak lagen wij er in het gras madeliefjes te rijgen of naar de wolken staren terwijl de soep en de vla wat zakte. Links van de achterdeur was de nieuwe stal en daarachter nog een veld waar wij onze gang mochten gaan. Het grensde aan een klein slootje barstens vol kroos waar wij soep van brouwden. Ja, dat konden we wel.
Ook in shampoo van fluitenkruid waren we onovertrefbaar. En wat dacht je van onze rozenblaadjes parfum?

Het waren zomers zonder einde. Tijdens de vakantie waren we er zes weken lang, van ‘s’ morgens vroeg tot etenstijd, en vaak daarna ook vaak nog even. We waren gelukkig graag geziene gasten. Ellie’s fantasie deed geenszins onder voor die van zus. Sterker: zij was de aanvoerder. Degene met de briljante ideeën. ‘Kom, we gaan een hut bouwen – in de boom, -in de stal, -op de hooizolder’.
Wij waren overal voor in. Naast hutten bouwen roeiden we ook vaak op het kanaal. Of we zwommen er in. Een doodenkele keer liepen we naar het buiten zwembad in Oudkarspel, maar op de een of andere manier leken ze buiten het erf van de boerderij nooit op hun plaats. Ellie had lang donkerrood haar. Ik was dol op haar. Kon zus me nog wel eens afkatten, Ellie had altijd massa’s geduld en begrip.
Ze was al heel wijs in mijn ogen. Gerda en ik wedijverden om guitigheid: twee kleine staartjes, minirokjes/jurkjes, ondeugende blauwe ogen en massa’s sproeten.
Naast de zusjes was er ook een broer. Henk. Ook rood met sproeten.
Verder liep er vaak een knecht rond, Adrie. Het was de zoon van de buurman.

Hoewel Henk, Adrie en boer Jonk natuurlijk keihard werkten, werd er toch ook wel tijd gemaakt voor ons na het hooien of rooien of wat dan ook. Ik kan me herinneren dat ze eens de oude auto die op het erf tussen de andere landwerktuigen stond te roesten achter de tractor vastmaakten. Ellie sturen natuurlijk. Geweldig.
Soms paardrijden. Mocht ik voorop bij de boer. ‘Hou zijn manen maar goed vast maidje’.
Of de jongens namen ons mee varen in de grote stalen sloep.
Op een dag hadden Adrie en Henk twee oude legertenten gevonden die ze voor ons opzetten in de zijtuin. Als we daarin geslapen hebben had ik me dat zeker wel herinnert.
Er was altijd wel wat te doen.

Natuurlijk regende het ook wel eens. Hoewel er toch genoeg kamers waren, deelden Ellie en Gerda een stapelbed. Hun kamertje was helemaal niet leuk. Het waren gewoon kale witte muren zonder behang.
Tegels op de vloer.
Geen leuke dekbedden.
Nee. Niets leuks aan.
Vaker waren we in het tv kamertje. Daar speelden we met de kittens van Gosé en José toen ze eindelijk van de hooizolder af mochten.
En op zaterdag keken we er Zorro op de oude zwart-wit tv. Samen met Adrie en Henk op de afgetrapte bank en fauteuil die daar lukraak een plaats gevonden hadden.
Verder deden we op regenachtige dagen ook wel mee met de activiteiten op de camping hoor. Figuurzagen, bingo, er werd genoeg georganiseerd. Zelfs een playbackshow. Van grote kartonnen dozen knipten we gitaren: Bay City Rollers!
Maar liever waren we buiten.
Gewoon. Beetje moerentergen.

Ik had al eerder een blog over de boerderij geschreven. Mindfulness. Van dat woord hadden we nog nooit gehoord.
Niemand volgens mij.
Ik geloof niet dat ik ooit ergens meer Mindfulness ben geweest als daar, op die oude boerderij in die mooie jaren in mijn jeugd.

Kamperen in de jaren ’70 deel 2: de Oude Boomgaard

Ik was een jaar of vijf, zes toen we de caravan naar Oudkarspel verhuisden. Iedereen had daar zijn eigen afgebakende tuintje. Op ons plekje stond een prachtige oude perenboom. Mijn vader plaatste een houten hekje met van die schuine halfronde latjes en maakte borders aan de zijkanten. Op een dag verzonnen we een naam voor de caravan: ‘In’t Zonnetje’. Pap maakte een houten naambordje en daarbij was het ding gedoopt. Zus en ik mochten ook een eigen stukje border om te beplanten.
De tuinkabouters vierden hoogtij in die dagen.
Onze tuinstoelen hadden nog metalen veren waarmee de zittingen aan het frame waren bevestigd. Mam had stof op de markt gekocht, en ze zelf gemaakt. Van tijd tot tijd sprong er weer eentje. Het windscherm had exact hetzelfde motief als de zittingen op de stoel.
Het was een gezellig en bont geheel.

Ik had een vriendinnetje. Ze kwam uit Friesland. In mijn beleving was dat een land hier ver, heel ver vandaan waar het -je raad het al- ontzettend koud was. Ze had ook rode klompjes. Muiltjes, net als ik, en ze stond in het paadje tegenover het onze.
Op een dag kwam ze gewoon nooit meer. De donkerblauwe voortent bleef dicht.
Potdicht.
Pas veel later hoorde ik van mijn moeder dat ze doodgereden was.
Voor de camping.
Ik zal haar nooit vergeten.
Maar haar naam ben ik kwijt.

Onze wereld werd natuurlijk steeds groter. We mochten steeds verder. Zelf naar het winkeltje om een schuimblok of een Drie Musketiersreep te kopen in het winkeltje voor een duppie. Of een vanille ijsje voor een kwartje. Hoewel we natuurlijk ook wel in de speeltuin te vinden waren, banjerden we ook gewoon wat rond, op zoek naar avontuur.
Thrillseekers, dat waren we!
Zus, die later zwarte Piet wilde worden, kon klimmen als de beste, en waar zus was, daar was ik natuurlijk ook. Op het grote veld werd in de zomer van alles georganiseerd. Er werd een rond zwembad geplaatst, waar overdwars een ronde paal werd gehangen. Aan het eind van het veld stonden twee schuine klimdelen die 1 keer per jaar net als de ronde paal werden ingesmeerd met groene zeep: de Zevenkamp.

Groot en klein had dan twee dagen lol. Als ik zo terug denk waren mijn ouders ook nog hartstikke jong. Mijn vader 37, mijn moeder nog maar net 30.
Ik heb al eens eerder verteld dat mijn moeder een hele mooie vrouw was. Met haar gebruinde huid, groene ogen en zwarte lange haar was ze een schoonheid te noemen. Als we zonder pap op stap gingen floten de mannen vaak naar haar. Die avond deed ze mee met het verkleed voetbal als indiaan. Ja, ze hielden wel van een feestje daar.

In die tijd, ’73, ’74, werden er ook disco avonden gehouden. Natuurlijk mochten wij daar ook een uurtje heen. Ik zie me nog zo in mijn roze-witte Spaans rok die ik van tante Nel had gehad, zwieren op de dansvloer. Alleen. Rond en rond. ‘Meisjes met rode haren’, Mijn neefje Creon was helemaal idolaat van Crazy Horses, gek werden we ervan.

Rond een uurtje of negen was het voor ons natuurlijk de hoogste tijd. Meestal bracht mam ons naar bed. Inmiddels was ‘in t Zonnetje’ ingeruild voor een Constructam. Het was liefde op het eerste gezicht geweest. Met mosgroen gebloemde zittingen, witte kleine valletjes met bruin-oranje roesjes en knaloranje gordijntjes gaf mijn moeder er nog eens een geheel eigen touch aan.
De bruin-oranjevoortent was natuurlijk de kers op de taart. Maar ik dwaal af: het bedritueel. Zus en ik sliepen samen in het ronde gedeelte. Ik was het kleinst, dus ik moest bij het raam. Naast ons bed hing een oranje gordijn wat ons een besloten gevoel gaf. Maar voor het zover was moest er natuurlijk eerst een verhaaltje verteld worden, en vaak was dat: ‘Er waren zeven rovers’.
Of het een bestaand verhaaltje was of gewoon een eigen verzinsel dat zal ik haar nog eens vragen. -Kent iemand van jullie het?-
Na het verhaaltje ging ze gewoon weer terug naar de disco hoor. We waren gewoon alleen. Dat was vrij normaal. Om het half uur ging 1 van de volwassenen dan een rondje langs de caravans. Gewoon bij tourbeurt.
Even luisteren.

Wat ontzettend leuk toch om daar allemaal aan terug te denken. Al schrijvende komt er nog zoveel meer boven.
Ik wil het gewoon nooit vergeten.
Mag het ook nooit vergeten.
Misschien is het diezelfde drang waardoor ik nog zoveel onthouden heb.
In beelden.
Het zijn allemaal beelden in mijn hoofd.

Kamperen in de jaren ’70. Deel 1: Travaille

De eerste kampeer herinneringen die ik nog heb komen zo’n beetje uit de eindjaren ’60, beginjaren ’70.
We hadden een kleine caravan met 1 tweepersoonsbed. Zus sliep boven mij in een soort van hangmat. Donkerblauw, net als de voortent.
De caravan stond op camping Travaille in Heerhugowaard. Ieder weekend gingen we direct heen zodra mijn vader klaar was met werken.
Zus kreeg er op vrijdagavond zwemles. Het zwembad had een bodem van zand. Het praatje deed de ronde dat er bloedzuigers in zaten. Ik mocht er natuurlijk alleen met mijn vader of moeder in, want ik kon niet zwemmen natuurlijk. Een poedelbadje was er niet. Ik had een zwemband die op een eendje leek. Zus had een prachtige witte zwaan.

Op een zaterdag ochtend vond zus dat het hoog tijd werd dat ik leerde fietsen. Het was nog vroeg. We waren altijd bijtijds op. Het veld was nog dampig van de nacht. De meeste mensen sliepen nog.
‘Kom op Nar, trappen!!’ Ik zie ons nog zo gaan. Ik op mijn blauwe fietsje, en zus er naast.
Pas toen ik door kreeg dat ze allang al niet meer naast me liep, viel ik om. Tegen een tent of geparkeerde auto, dat weet ik niet meer precies.

Er waren altijd kinderen genoeg. We speelden veel met Marjolijn en Monique, maar ook met Mariella en Creon, onze nicht en neefje.

Op een dag kwam mijn vader thuis van vissen. ‘Moet je kijken wat ik nou heb gevonden’. Het was een schilpad. Hij zat helemaal vastgekoekt met klei. Terwijl wij klavertjes vier zochten op het veld, weekte mijn vader de klei van Henkie, zoals hij vanaf die dag verder door het leven ging.

Tja, wat deden we daar verder op zo’n dag?
Klikklakken herinner ik me.
In de schaduw van het dakje bij de waterplaats.
Beetje van tent tot tent banjeren.
Even kijken bij de tent met de papegaai.
Lieveheersbeestjes zoeken.
Of we speelden in mijn indianentent terwijl onze moeders in hun hotpants met biesjes een potje badmintonden op hetzelfde veld.

Ik herinner mij dat er eens twee jongens naast ons stonden voor een weekendje of zo.
Gitaren, lang haar, klein tentje.
Het waren echte hippies. En als ik lang ga nadenken schieten de namen mij vast weer te binnen, zoveel indruk hadden ze wel op mij gemaakt. Ik was niet weg te slaan bij ze.
Zij waren gelukkig even dol op mij.
‘Toe Narda, zing je nog een keer Groen is gras voor ons?’
Dat kon ik hilarisch goed schijnbaar.
Tjerry. Zo heette de ene.
Zie je wel!

Het sanitair was in die periode nog niet echt je van het. Ik kan me althans geen douche herinneren, wel het bad. Een wit bad. Een vierkant lavet was het meer.
Het stond in een vrij langwerpige badcel. Hoog. Je moest erin klimmen.
Op een dag moesten zus en ik in dat bad. Altijd samen, dat kon best.
Mam gooide het muntje en het water begon te lopen. Maar wat was dat nou? Het was kokend heet. Binnen een mum van tijd was de hele witte badcel in dikke stoom gehuld.
Mijn moeder probeerde de deur te openen, maar ze kreeg hem maar niet van het slot.
Ik huilde. Mam raakte in paniek. Het was mijn zus die als altijd even rustig bleef.
Sterk was.
Zij kreeg de deur uiteindelijk wel van het slot.

Het was een heel gezellig groepje mensen waar we mee stonden. Mijn ome Co en tante Nel, maar ook familie Ravensteijn. Ome Freek werkte in de haven, zijn vrouw Erna was een knappe blonde vrouw. Ze hadden een dochter Marjanka waar ik veel mee speelde. De moeder van Freek was een Surinaamse vrouw die altijd buiten visjes aan het bakken was. Tante Martha. Zo heette ze ja.
Op een mooie zomerse dag kocht mijn vader twee garnalenschepnetten aan het strand. Met een emmer vol garnalen keerden we terug naar de caravan.
Mam had grootse plannen. Eindelijk kon ze tante Martha ook eens verwennen.
Met ons drietjes wachten we geduldig tot de grote pan water kookte. Daarna gooide mam de garnalen er in.
Het gepiep en gegil van de garnalen zal ik nooit meer vergeten. Met onze vingers in onze oren zaten we met ons drietjes te huilen op de bank.
Ja, ze waren heerlijk.
Maar voortaan kocht mam ze wel gewoon dood van de visboer.

Het waarom weet ik niet precies, misschien was er niet genoeg te doen, maar rond ’72 verkasten we met de hele groep naar camping de Oude Boomgaard in Oud-Karspel,
waarover een andere keer meer.