Thuis

Drie uur ’s nachts.

Bram staat al achter de deur als ik binnen kom.
‘Hij heeft je zo gemist’.
Verlegen strijkt hij zijn ondeugende rode kater-kopje langs mijn been.
De tafel staat.
De lamp erboven brandt.
-Nog steeds met stof-
Ik ben zo thuis als thuis ook maar zou kunnen zijn.

‘Rosé Nar?’
Rem pakt twee glazen uit de kast.
Onze glazen.
Onze kast.
‘Proost schat’.
Ik ben behoorlijk hard toe aan een borrel, trek mijn gympen uit en leg mijn voeten onder tafel op zijn schoot.

Rem begrijpt als ik vertel.
‘Het is ook niet niets Nar’.
Hij is trots op me.
Hij had al veel eerder zijn geduld met zus verloren.

‘Ze is in haar hoofd een kind van vijftien’, zei mam eerder vandaag.
Zus ‘moest’ nl. weer ‘even alleen zijn’.
Elkaar aflossen zodat we allebei om de beurt even op het strand konden zonnen was geen optie voor haar.
‘Mam vindt het goed hoor als ik ga’.
Waar ik me mee bemoeide?
Tranen in haar ogen van kwaadheid.
De zoveelste tranen van kwaadheid.
‘Maar denk je dat ik dan geen behoeften heb?
Of mam?
Voor haar is dit terrasje veel gezelliger toch?!’
Boos beende zus weg in haar zeemlederen minirokje. De zwarte en paarse dreadlocks zwiepten van links naar rechts.

Waarschijnlijk op zoek naar de straatzanger waar ze even daarvoor mee had staan tongzoenen in het winkelstraatje.
‘Hij pakte zomaar mijn hand hier op terras en nam me mee’.
Ze lachte.
Ze vond het super.
Ik weerzinwekkend.

‘Ga jij anders ook maar lekker even het strand op hoor kind’.
Een half uurtje dan, vooruit.
Langer wilde ik mam niet alleen laten.
Deze vakantie is voor haar!

‘Het doet gewoon zo’n pijn mam’.
Met een zakdoekje veegde ik even later de tranen weg die onder mijn zonnebril door glipten.
Ik huil nooit.
En zeker nooit op een vol terras.
Ik wilde niet huilen.
Dit moest een leuke vakantie zijn.
‘In haar hoofd is ze maar een kind, ze weet niet beter, ik had het niet anders verwacht, echt niet’.

Om vier uur gingen we kijken of we haar konden vinden.
Stel je voor dat ze met die gekke zanger de hort op was.
We moesten om half acht klaar staan voor de bus die ons naar het vliegveld brengt.

Bij de eerste zandsculptuur-hippie die we passeerden zei mam: ‘Gelukkig, die kunnen we alvast afstrepen’.
Zus gaf hem gister nog twee euro fooi.
Hij kreeg daarmee meer van haar dan wij samen.
We schoten samen in de lach.

Zus lag gelukkig gewoon waar ze zei dat ze zou liggen.
Nadat mam en ik samen weer wat hadden gedronken liep ik naar haar toe.
‘Mam zit op het terras hoor’.
Daarna ging ik precies op het plekje liggen waar mam mij tussen de rijen windschermen nog net kon zien.
Ze zat helemaal alleen op het lege ongezellige terras.
Zus bleef liggen waar ze lag.
Geen enkele aanstalten.
Na een kwartiertje op mijn buik gelegen te hebben ging ik maar weer bij mam zitten.
‘Ik ben toch geen blok aan je been hè kind?’
‘Nooit mam, dat mag je nooit denken hoor’.
Verdorie.

Rem loopt naar de keuken.
‘Jij ook nog een glaasje?’
Hij schenkt al in.
‘Ik weet wel dat het komt door haar herseninfarct maar het is zo verdomd moeilijk’.

Rem begrijpt het.
Heeft het gezien van dichtbij.
De driftbuien.
Haar ogen vol vuur.
Het kinderlijk egoïsme.

Uiteindelijk had ik mijn geduld met haar verloren op het vliegveld, tot groot verdriet van mam.
‘Toe meiden, hou alsjeblieft op’.
Ik heb nu zo’n spijt van mijn uitval.

‘Ik vindt dat je het heel knap gedaan hebt Nar, je hoeft jezelf echt niets te verwijten’.

Natuurlijk waren er ook leuke dingen.
Leuke momenten.
Met mam.
En leuke mensen.
Ik vertel over de Vlaamse schrijver Peter, die ik heel graag beter had leren kennen, de gezellige groep gepensioneerde Engelsen, en over Alan en Claire, de geëmigreerde Schotten waarmee ik de laatste avond zo gezellig mee ben opgetrokken.

Dan kijken we snel nog even de 300 zoveel foto’s.
Er zitten hele mooie foto’s van mam tussen.
De lange rok van Diesel staat haar geweldig.

De vraag die zus me in de auto stelde blijft door mijn hoofd spelen:
‘Wil je mij straks die foto even sturen van die zanger?’

Tja.
Misschien is het zelfs wel maar negen.
En met negen jaar
weet je gewoon niet beter.