Naar de tandarts in de jaren ’70

Onze tandarts was gevestigd in een woonhuis omgebouwd tot praktijk tegenover het station Koog Bloemwijk. Destijds ging er nog geen tunneltje onder de weg door, sterker ik geloof dat de bebouwing in Havezate net zo’n beetje op gang begon te komen begin jaren ’70.

Er was weinig wat ik meer vreesde als een bezoek aan de tandarts.
Mam was net als ik al dagen tevoren peu-nerveus, hoewel ik haar nooit en te nimmer in de stoel heb zien plaats nemen.
‘Nee hoor, niet nodig hoor!’
Haar angst zal er ook wel meer mee te maken hebben gehad dat ze moest rijden, iets wat het er ook voor mij natuurlijk ook niet relaxter op maakte natuurlijk. ‘Lekker met de auto Adri. Dat is goed voor je, af en toe moet je rijden’, zei pap dan.

Zelf hoefde hij natuurlijk nooit mee als mam reed. Wist hij veel. Zus en ik wel. Met een gezicht van ‘Nou, ben benieuwd wat er nu weer zal gebeuren’ namen we plaats op de achterbank van onze grote groene Fiat -zonder-gordels.
Mam stapte zenuwachtig achter het stuur in haar konijnenbontje, jagersjas of net wat er maar in de mode was.
‘Rustig aan maar hoor mam!’
Dat was zus. Zus was altijd de kalmte zelf. De rots in de branding, de redder in nood.

Meestal hadden we al een klapband of een aanrijding voor we de straat uit waren.
‘Mam geen paniek, even rustig.
Je belt aan en dan vraag je gewoon of je even naar pap mag bellen’.
Ja zus regelde het wel.
En dan kwam pap weer op zijn fiets aandraven om de band te wisselen/ schadeformulieren in te vullen of wat dan ook.

Maar goed. Ik dwaal af. De controle afspraken gingen gelukkig nooit op afspraak, dus je kwam er ook nooit te laat. Je ging gewoon heen en dan vroeg je wie de laatste was. Meestal was dat op een gure regenachtige maandagmorgen in november, vlak na de elfde, wat het plezier in St. Maarten natuurlijk al bij voorbaat behoorlijk verknalde.

Als je pech had – en wij hadden altijd pech- stond je eerst een half uurtje buiten op het tuinpad. ‘Wie was de laatste?’ Veertig man voor je was vrij normaal. -En inderdaad, de meeste kende je al van de rij van de C&A, het zwembad en de bakker-.
Eenmaal binnen door de zware halfronde eiken deur kwam je in een vrij ruime hal waarvan rechts de praktijkruimte was. De snerpende boor, een gillend kind, een snauw. En jij die dan nog even respijt had.
‘Mond open!’
De plavuizen in de hal waren nat en vies, mede door de natte paraplu’s die met hun kopjes naar beneden stonden te treuren in de hoek.
Gelukkig was zus mee.
Zo dicht mogelijk stond ik bij haar.
Zus zou wel ‘eerst’.

Pal voor ons bevond zich het toilet. Het had nog een ouderwetse ketting om door te trekken die een kind met geen mogelijkheid naar beneden kreeg, en een spiegel, dus tel uit je winst!
De deur was met ‘rood’ op slot. En ging met wit weer open.
-Als je mazzel had-.
De terrazzo vloer was altijd nat en hier en daar bedekt met wat gemorste vellen roze toilet papier.
Het rook er naar een mengeling van grondlucht, kattenzeik en angstpies. Het reservoir was nooit vol genoeg en de rol was altijd leeg.
‘Ga maar snel, voor we in de wachtkamer zijn’.

Links van de ingang bevond zich de sombere wachtkamer. Er zaten wat ramen van golvend glas wat hoger op de muur die enkel de contouren doorlieten van een treurende den en de dreigende luchten, maar de ruimte verder nauwelijks van enig zonlicht konden voorzien.
Rondom stonden lange houten banken waar je na een uurtje dan eindelijk op mocht zitten, ik met mijn magere lijfje in het midden, mijn hand stevig in die van zus, de latten pijnlijk tegen mijn wervels.
De bedompte natte hondengeur hier was bijna nog erger dan de geur van het toilet in de hal.
Niemand sprak.
Sporadisch gefluister.
Een schelle bel liet op het moment dat je er net niet op bedacht was weten dat het de beurt was voor de volgende. ‘Het schiet nu al op hoor meiden’, fluisterde mam dan af en toe.
‘Voor we het weten staan we weer buiten’.
Sommige kinderen huilden zachtjes, anderen zaten met hun neusjes verscholen in de jassen van hun moeders, hun lijfjes verstijfd opverend van angst als het noodlot weer klonk.
Nog harder.
Nog scheller.
‘Mam ik moet weer plassen’.

Na een uurtje of twee was je eindelijk aan de beurt. De assistente zat aan het met glimmend bruin fineer tafeltje dat tegen de linkerwand stond, al in haar bak te zoeken naar onze kaarten. Mam nam tegenover haar plaats op het zwarte krukje.
Snel klom ik op haar schoot.

‘Kom, vooruit. De eerste’.
Zus nam dapper plaats zodat ik nog even tijd had om de tandarts wat beter te bekijken en ik mezelf met de moed der wanhoop ervan kon proberen te overtuigen dat hij misschien ook maar alleen een lieve opa was, een aardige meneer met een witte doktersjas boven zijn geperste broek.
Zoals mam dat zo leuk zei.

De stoel stond op het zwart gemarmerde linoleum in de ronde erker met de witte vitrages en was hoofdzakelijk grijs. Hij had gladde leuningen waar je met kleine handjes maar nauwelijks enig grip op had. Je voeten stonden op een grijze grote steun die aan het einde omhoog boog, zodat het geheel in de verste verte een heel klein beetje aan een gezellige schommelstoel deed denken.
Het leed van allen die ooit voor mij waren was echter nog onmiskenbaar te voelen in het koele grijze leer.

Zijn staalblauwe ogen keken hard en meedogenloos vanachter zijn bruine hoornen bril. Hij was kaal. En hij was oud.
Toonloos dicteerde hij mijn vonnis aan de assistente.
Ik moest altijd terug komen.
Meestal was dat op zijn vroegst een week of drie later, die ik met angst en beven doorkwam.

Van verdovingen had onze tandarts nog nooit gehoord, evenals van witte vullingen, hij boorde ieder gaatje lekker diep uit en propte het vervolgens gewoon lekker vol met amulgaan. Zelfs zenuwbehandelingen voerde hij uit zonder verdoving.
Je wilt niet weten hoeveel ‘zenuwbehandelingen’ deze slager heeft uitgevoerd. Iedereen die ooit bij hem patiënt was heeft er wel een ondergaan.
Gehuild heb ik ( bijna?) nooit.
Dat gunde ik hem niet.

Ik ben er stellig van overtuigd dat de man gewoon maar wat deed, hij was volgens mij gewoon een sadist, die in mijn kinderogen nog veel gevaarlijker was dan die hele Pieter Menten waar men het steeds maar over had.

Pas nadat hij op mijn twaalfde lukraak een volwassen snijtand eruit trok omdat hij dacht dat het nog maar ‘een melktandje’ was, had mijn moeder eindelijk de moed om over te stappen naar een andere tandarts waardoor gelukkig ook het gevaar op de Provinciale weg drastisch kelderde, want onze nieuwe tandarts hield praktijk in onze woonplaats.
Deze tandarts – een exacte look à like van Tom Selleck, mijn moeder vond hem onweerstaanbaar geloof ik – heeft later alles in het werk gezet om de schade enigszins te herstellen.
Toen hij ziek werd nam Jeroen ( toen nog met een -tje erachter) die steeds meer voor hem inviel het automatisch van hem over.

Ik ben geen rancuneus mens maar:
Het doet me veel deugd u mede te delen dat mijn neef onze oude tandarts later nog eens zo hard in zijn hand heeft gebeten dat het bloed eruit spoot!
-En ik weet zeker veel andere patiënten ook!-

Advertenties

11 gedachtes over “Naar de tandarts in de jaren ’70

  1. Narda, van mij krijg je een dikke virtuele knuffel. En weet je waarom? Omdat jij in dit blogje alle frustraties die ik op mijn 23 opdeed bij deze slager, angstvallig had verborgen. Nou, het kwam er hier weer uit. Heel kort. In 1971 was ik 23 en had een slecht bovengebit. Mijn oma zei dat ik naar hemDie kale trok het er zo ruw uit dat ik weken lang nog stukjes uit mijn tandvlees trok. Pas twee maanden later was mijn kaak in staat om te happen voor een kunstgebit. Het was verschrikkelijk. Iedereen noemde hem ook de slager. Elke ochtend als de trein langs zijn huis reed, keek ik weg. Op de terugweg ook. Het voordeel van deze behandeling was: het was in twee keer gedaan. Daarna hoefde ik nooit mee naar hem toe. Alle vervolgbehandelingen gingen bij andere tandartsen.
    Hoe heette die vent eigenlijk. Dan kan ik zijn naam tenminste ritueel verbranden.

    Nee, je hebt niet overdreven. Maar jullie waren nog kleintjes. Ik wist niet dat hij daar ook al zo ruw tegen was. De rotzak.

    Like

  2. De hele entourage zou zó geschetst kunnen zijn naar model onze tandarts in Den haag destijds…. ik weet zéker dat de spottende bijnaam die men tandartsen gaf in dié tijd ontstaan is….. DE BEKKENBEUL .

    Like

  3. Visser ja. Nu herinner ik het me weer. Hij trok eerst 7 tanden links. Daarna had hij pas na 14 dagen weer tijd. Heb ik 14 dagen dus met een scheve bek gelopen. Juist in die tijd had ik examen. Ik zie me nog zitten op een pleintje terwijl ik een superzacht kadetje probeerde weg te werken. Na 14 dagen was het gebeurd. Later moest ik nog bij hem happen. Het was mijn eerste keer en ik stikte zo wat. Maar hij maakte korte metten met me. Niet zeuren, het was zo gebeurd.

    Jezus, ik krijg nog kouwe rillingen als ik aan die man denk. Komt door jou. Ik had hem eigenlijk uit mijn geheugen gebannen.

    Like

    • Sorry. We zijn niet de enigen die een trauma aan die man hebben overgehouden. Hoe denk je dat het voor mij was om als brugpieper zonder tand op school te moeten verschijnen?
      Ben er echt niet veel mee bezig maar hij heeft wel een flinke stempel op mijn jeugd gezet. Rotzak.

      Like

  4. Ik ben nooit bij deze tandarts geweest, maar blijkbaar bij zijn broer, die schooltandarts was op de school waar ik op zat. Ik heb daar heel wat af gehuild en vervolgens in de hoek gestaan, terwijl hij andere bange kinderen de stuipen op het lijf joeg.
    Mijn relatie met tandartsen in het algemeen is daar door nooit meer goed gekomen, helaas!

    Like

  5. Heel herkenbaar wat je opgeschreven hebt. Eerst vanuit Assendelft op de fiets heen, dan uren in die wachtkamer wachten, dan die akelige schelle bel. Mijn moeder ging altijd mee maar ging nooit in de stoel, vreemd genoeg. Ik heb bij deze tandarts een stifttand in mijn mond gekrege. Deze werd er met een hout blokje en een hamertje ingetikt. Ik lag onder aan de stoel. Mijn moeder vroeg “mag dat kind even rechtop zitten”? Nee hoor, we gaan gewoon door. Zo klaar. Toen ik in een 13 jaren plan kwam, werd je in de particulieren kamer aan de voorzijde behandeld. Dit was luxe in vergelijking met de ziekenfonds behandelkamer. Toen ik eenmaal samenwoonde en mijn stifttandje in een broodje kaas was mee gekomen, durfde ik pas naar een andere tandarts te gaan. Er ging een wereld voor mij open.
    Ben. Door deze tandarts nog steeds angst voor een tandarts en onbewust heb ik de angst ook doorgegeven aan mijn kids.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s