Over Jan, Jeroen en andere beslommeringen…

Vrijdag 28 februari
Zus neemt nog steeds niet op.
Niet op haar mobiel, en niet op haar vaste lijn. Ook de sms-jes blijven onbeantwoord.
Ik stuur via de Messenger een bericht aan de familie.
Daarna bel ik even met mijn tante A.
Binnenkort start ze met de chemo zegt ze. ‘Maar vertel nu alsjeblieft eerst even over je moeder’.

Dan moet ik ineens racen.
Ik heb vanmorgen namelijk een afspraak met Jan.
We hebben om half elf afgesproken in de kantine.
De kantine van de Noorder begraafplaats welteverstaan.
Jan werkt eigenlijk nooit op vrijdag, vertelde hij toen ik hem maandag belde.
‘Dan werk ik namelijk altijd in mijn moestuin’.
Gelukkig wilde hij wel een keer een uitzondering maken.
Phiew!

Mam wilde toch wel mee naar Jan de zuil-man.
Even voor half elf stap ik bij haar binnen met een tomaat, een banaan, een kiwi en een bakje macaroni.
Ze heeft net dr. Spruitje aan de telefoon hoor ik.
Ook ik krijg hem nog even.
‘Het is wel zuur allemaal voor jullie’.
Hij wist eerder nog van niets.
Maar goed dat ik maandag even een briefje voor hem had achter gelaten.
Anders was het helemaal zo’n schrik voor hem.
Zulke dingen kun je maar beter voorzichtig brengen.
Straks raakt hij nog eens overspannen van ons.
Dat kunnen we er helemaal niet bij hebben nu.
Nee, we kunnen maar beter een beetje zuinig op hem zijn.
-Misschien maar goed ook dat zus 220 km verderop woont-

Jan staat al te wachten.
Hoewel ik hem nooit eerder heb gezien herken ik hem uit duizenden.
Ik ben blij dat mam toch even mee is.
Terwijl we naar de zuil lopen heeft hij het over uitbreidingsplannen of zo.
Vage plannen als je het mij vraagt.
‘Het gaat om dit plekje’.
Ik wijs het aan.
‘Maar wilt u niet liever dit plekje?’
Ik leg uit dat pap op het zuidwesten wil.
‘Ja, hij hield zo van het middag zonnetje’, valt mam me bij.
‘Deze plek komt ook nog vrij’, zegt Jan terwijl hij op een plek wijst op het noorden.
-Is hij doof of zo?-

‘Goed dan, nummer 7’.
1-0 voor ons.
Braaf volgen we Jan naar de kantine waar de formulieren al klaar liggen.
‘Kunnen we het plekje ook voor wat minder jaar huren?’
Op het formulier zie ik alleen de huurprijs voor de periode van 10 jaar vermeld.
-De prijs voor een seizoenplek op Bakkum lijkt ineens maar een schijntje, is dat niets?-
Morbide humor.
Maar toch.
Pap hield niet van geld verkwisten.

‘Volgens mij kan vijf jaar wel hoor’, antwoord Jan.
Ik zeg niet dat ik aan wat anders denk.
We spreken af dat ik hem in de loop van de week nog even bel.
Of de week daarna.
De kans is namelijk heel groot dat ik het ga vergeten.
De formulieren krijgen we vast mee.

Na de boodschappen drinken we snel een kop koffie.
Ik probeer zus nog even te bereiken.
Helaas.
Dan ga ik snel naar mijn volgende date: Jeroen.
Ssst….Zachtjes!! Als ik te hard Zijn naam roep stort het hele zaakje in elkaar.
Zou dat het zijn?

Ik ben namelijk net zo enthousiast over Jeroen als Jeroen over mij.
We houden elkaar zo’n beetje in stand zeg maar.
Van Jeroen kreeg ik ooit spontaan twee mooie vullinkjes.
Gratis en voor niks.
‘Een huwelijkscadeautje’.
Ik kom er zo vaak dat Suraya de assistente al een tijdje een FB vriend is.
We zaten eerst samen op Hyves.
‘Haai Nar’
Ik durf zelfs zonder verdoving bij Jeroen!
-Je kent mijn trauma’s nog niet-
Jeroen kent ze wel.
‘Hey Narda, kom verder, vertel!’

Na een uurtje pik ik mam met twee prachtige nieuwe vullingen weer op voor de volgende ronde: de bank. Onverrichter zaken keren we helaas weer huiswaarts. Mams ID is verlopen.
Wisten we eigenlijk al, maar tot nu toe deed niemand daar moeilijk over.
‘Tuurlijk. Geen probleem. Regelen we volgende week even’.
We hebben toch niets te doen.

Zus belt eindelijk terug gelukkig.
’s Middags bel ik weer voor haar naar het UMCG.
Helaas heb ik afgelopen week niets van hen gehoord.
Na mijn uitleg word ik doorverbonden met de neuroloog himself.
‘Ik heb maandag al geprobeerd contact met u te zoeken mevrouw, maar kreeg geen gehoor’.
Het lijkt een aardige man. Hij legt me uit waarom hij denkt dat het het beste is als zus eerst nog bij de neurochirurgie van het UMCG langs gaat.
‘Het AMC is daarna uiteraard geen probleem’.

Als ik de verbinding verbreek duwt Kyl iPhone voor me neus. ‘Wat vind je van deze mam?’
Hij heeft een tweedehands scooter gezien die hij mooi vindt. ‘Overleg het maar met Rem straks’.

‘Het is inderdaad een mooie’, beaamt Rem even later als we een borreltje drinken aan tafel.
Hij moet er 50 km per dag mee rijden, dus het moet wel wat zijn natuurlijk. De trein zou ons uiteindelijk meer gaan kosten: Hij is nog lang geen achttien.
Met Kyl zijn telefoon belt Rem het mobiele nummer van de eigenaar.
(Had ik je al verteld dat Rem zijn IPhone gestolen was op de motorbeurs vorige week? Nee he?!)
Na een uurtje is de zaak zo goed als rond.
Uiteraard onder voorbehoud.
En een flink stuk onder de vraagprijs.
Ja. Laat die Rem van mij maar lullen.

Vive l’esperance…

Donderdagochtend.
Ik lig nog in bed als Kyl binnenkomt met een paar olifanten van wallen.
Geslapen heeft hij niet. ‘Nou ja, een half uurtje misschien’.

Mijn koffie schiet er bij in.
Gelukkig ben ik wel op tijd bij mam.
Als we over de Provinciale weg rijden zien we ter hoogte van Zaandijk Kylian lopen. Hij heeft zijn fiets aan de hand.
‘Loopt Kyl daar nou? Wat doet die daar nou?’
Ik vertel mam over de gestolen scooter. Hoewel Rem gisteravond al via internet heeft gedaan moet hij ook nog persoonlijk langs. Ik bedwing mijn neiging om de auto langs de kant te zetten. Arm kind.
Ook dat nog.

Even voor half elf zijn we bij de Esperance Poli.
Alleen de naam zegt al genoeg.

Van alle lege tafeltjes kiest mam toevallig net hetzelfde tafeltje als waar we in december nog met pap zaten. Zijn stoel is nu akelig leeg.
-Zou hij weten dat we hier zijn?
En weten waarom?-
Gelukkig hoeven we maar tien minuten te wachten tot de longarts ons komt halen.

Even later nemen we plaats in de kamer van paps oncoloog die de longarts vandaag gebruikt. Dit keer hoef ik alleen geen extra houten klapstoel van de muur te pakken.
Het voelt als een deja-vu.
Bizar.
De hoop van toen is bijna nog zichtbaar als een diffuse groene waas in de kamer.
Paps hoop.
Mijn wanhoop.
Op die paarse poli:
‘d Esperance.

Ook de longarts gaat zitten, nadat wij ons aan elkaar voor hebben gesteld.
Hij schuift wat met het toetsenbord.
Dan buigt hij wat naar voren.
-Nu komt het, betekent dat!-

‘U heeft vast al begrepen dat ik niet zulk heel goed nieuws voor u heb mevrouw?’
Ik wel.
Allang.
Mam niet.
Geen moment.
Hoewel ik haar wel degelijk heb geprobeerd voor te bereiden:
‘Nou, ik voel niets hoor Narda. En dokter zei gister zelfs dat ik er veel beter uit zag.
Hij zag zelfs dat ik een beetje ben aangekomen’.

Dan maakt de longarts ons voorzichtig deelgenoot van zijn ‘Grote Bange Vermoedens’.
De woorden ‘long, klier, bijnieren en lever’ worden stuk voor stuk -gespekt met de woorden ‘vlekjes’ en ‘verdacht’- als scherpe zwaarden van Damocles boven ons hoofd opgehangen, bijna even tastbaar als de ondubbelzinnige kiekjes en dwarsdoorsnedes die in expliciet zwart-wit op hetzelfde oude beeldscherm verschijnen waarop nog maar zo kort geleden de lever van pap het trieste onderwerp mocht zijn.

Ik zie en hoor mezelf weer vragen stellen op een toon alsof ik uit beleefdheid vraag naar de ingrediënten van een goed gelukt stuk taart van een of andere vage kennis.
-Misschien moet ik ooit buddy worden.
Of zo.
Of ben ik dat allang?-

Met een labformulier, en afspraken voor een petscan in Alkmaar en twee scopieen in het West-fries Gasthuis lopen we voor we er erg in hebben al naar de longfunctie afdeling waar mam geduldig blaast en puft tot alle lijntjes en krabbeltjes naar volle tevredenheid van de assistente geregistreerd staan.
Nog alleen even snel lab prikken nu.
Dan zijn we hier klaar.

De regen valt op de bontgekleurde krokuskopjes op de rotonde.
We wachten op groen.
‘In de voortuin staan ze ook zo mooi hè mam, heb je dat al gezien?’
Paps zijn krokussen.
Pap zijn narcissen.
Zelfs zijn Geraniums bloeien nog steeds.
‘Ja.
Mooi hè?!’
We rijden een tijdje in stilte.
Geen leuke liedjes nu alsjeblieft.
Van Marco, André, Nick, Simon of wie dan ook.
Ik kan de juiste stand van de ruitenwissers maar niet vinden.
Te snel, te langzaam.
Tergend langzaam slepen ze vieze strepen over het raam als de regen uiteindelijk is gestopt.
Ik heb heel veel zin om uit te stappen en ze er met grof geweld eraf te trekken.
Misschien ‘straks’.

‘Ben je erg geschrokken mam?’
Dat is ze.
‘Maar het is nog niet helemaal zeker toch?!’
-Wat is dat toch met die subtiliteiten?-
‘Ik ga daar wel van uit hoor mam.
Maar er is hoop, misschien zijn ‘we’ er op tijd bij’.

Ik kook drie eitjes.
Een voor morgen.
‘Eerst even koffie en een sigaret hoor’.
Een van de schoorsteenvegers loopt inmiddels al op het dak.
De ander houdt een deken om de haard.
‘Volgend jaar sla ik een keertje over hoor meneer’.
Dat is geen probleem, zegt Rotjeknor.
Over twee jaar komen ze gewoon wel weer eens langs.
Vive l’ Esperance.

Nadat ik het afwasje en het toilet gedaan heb, lees ik de voorlichtings boekjes voor en werk onze agenda’s bij terwijl we een broodje eten.
Mam zonder korstjes.
‘Hij is niet erg zacht hoor’.
Ze wilde graag een zacht ei.
Dit ei is nagenoeg groen.
Dat is de schuld van de schoorsteenvegers.

Zus neemt nog steeds niet op.
Nog even Memento Mori bellen over hoe het ook al weer zat met de bedank kaartjes’.

Dan ga ik naar huis.
Moet ik naar huis.
‘Red je het zo?
Zeker weten mam?
Echt niet iemand bellen?’
‘Nee hoor kind. Ga jij maar naar Kyl, ik red me wel.
Heus’.

Gek.
Ze zwaait nog net zo
als gister.

Pannenkoeken en een gestolen scooter…

Als ik thuis kom heeft Kyl (in het kader van zijn ‘Die-Eet!-je) pannenkoeken gebakken, en dat kan hij vre-se-lijk goed.
Rem is ook net thuis. Voor het eerst sinds mijn griep eten we weer eens gewoon gezellig aan tafel.
‘Hoe was het bij je moeder?’

Om kwart voor zeven is Kyl klaar voor zijn werk. ‘Ik denk dat ik maar op de fiets ga’.
-Nou nou!-
‘Doe je dan wel eerst de hoes over je scooter?’
‘Dat doe ik straks, wel als ik terug kom’.

Altijd straks. In al zijn variaties:
‘Zo meteen’.
‘Ja, straks hoor mam!’
‘Wacht heel even’.
‘Ik doe het zo, echt waar’.
‘Ja strahaks ‘.
Ik wordt er soms niet goed van.

Als Rem en ik een paar uurtjes later net in bed liggen komt Kyl naar boven rennen. Hij heeft zijn jas nog aan. ‘Rem, heb jij mijn scooter verplaatst?’
‘Nee, is hij weg?’
‘Zeg me dat je een grapje maakt asjeblieft Rem. Heb je hem echt niet verplaatst?’

Kyl spurt weer naar beneden en gaat naar buiten. Rem trekt zuchtend zijn kleren maar weer aan. ‘Nou dit weer’.
Als Kyl terugkomt ben ik zo boos dat ik bijna niet uit mijn woorden kom.
‘Stond hij alleen op het stuurslot Kyl?’

Hij weet -bijna- dat hij echt met de -super dure dikke ketting op slot stond. Met een bleek weggetrokken gezicht staat hij naast Rem die er al voor is gaan zitten met zijn Ipad.
‘Ga jij maar naar bed Nar, met verwijten schieten we nu ook niets op’. Ik stik zowat in mijn woede. Niet alleen op Kyl maar op de mens( en?) die hem heeft gestolen.

Een uurtje later komt Rem weer boven. ‘Kyl is buiten een stukje lopen, hij is helemaal van de rel’. Verdorie. Na tien minuutjes bel ik hem. Voice mail. Na nog tien minuutjes neemt hij eindelijk op. Hij heeft het helemaal gehad. Met alles.
‘Kom je zo naar huis, dan praten we er even over beneden’.
‘Ja, straks. Ik kom zo’.

Een kwartiertje later zitten we na een hele dikke knuffel samen met een glas water op de bank. Hij is er helemaal kapot van. De scooter was zijn trots, hij was er zo blij mee.
Moest er zo lang op wachten.
‘Eerst al die schade door de storm, en nu weer dit’.
Hij zit er helemaal doorheen.
‘Maar van opa en oma vind ik veel erger hoor mam’.
Ik troost hem zo goed en zo kwaad als ik kan. Gelukkig praat hij erover. Over de scooter, school waar hij ineens helemaal geen zin meer in heeft, kanker, dood, alles komt er uit.
‘En als ik ze tegenkom met mijn scooter dan….’
-Ik zou me maar bergen als ik de dief was, ik krijg het niet uit zijn hoofd gepraat-.

Een vriendin die hij net al een keer heeft weggedrukt belt gelukkig voor de tweede keer.
‘Neem maar op Kyl, dan ga ik naar boven. Terwijl ik de trap op loop opent hij zachtjes de tuindeur. Ik hoor hem wat ijsberen in het grind terwijl hij zachtjes praat. Het ergste ‘onweer’ lijkt gelukkig voorbij.
Het is na twaalven als ik eindelijk weer in mijn bed lig.
Wat krijgt hij mijn kind het toch voor zijn kiezen de laatste tijd.

Ik lig nog heel lang wakker.

Op naar de volgende ronde -met nog een heel klein hoopvol vraagtekentje-

Dinsdag 25 februari

Na het werk ben ik zo moe dat ik zelfs het zachte geluid van de tv niet kan verdragen. Kyl zet hem voor me uit, al is het onder protest.
‘Zal ik dat schema voorlezen mam?’

Twee uurtjes daarvoor had hij me al ge-appt op het werk om me te informeren over zijn dieet. ‘Ik weeg drie kilo te weinig voor mijn lengte mam!’
Nu is hij in mijn ogen nog net niet Te mager maar een paar kilo extra zullen hem zeker niet misstaan. ‘Mag ik van jouw geld even boodschappen doen dan voor dat dieet als ik bij oma vandaan kom?’

Hij leest voor.
‘8 uur: havermoutpap’.
‘Was jij zo vroeg op dan?’
Dat nou niet direct, maar hij had wel een hand ongekookte rijst gegeten, en een lepel pindakaas erachteraan.
‘Zo Vies Mam, heb je dat wel eens gegeten?’
-nee ik ben niet gek-
‘echt zo goor!’
De broccoli en 125 gram biefstuk zijn voor tussen de middag.
‘Hoe moet ik dat nou doen? Dat kan toch niet als ik op school zit?’
Volgens mij leest hij het zelf ook voor het eerst.
‘En dan een ons gerookte zalm’
Toe maar.
‘En voorlopig hoef je ook geen cola en chips meer te kopen hoor.’
Volgens mij heeft hij echt het licht gezien.
‘En wanneer ga je dan voor de eerste keer naar de sportschool?’
Zodra -onze toekomstig sportinstructeur- Roel terug is van vakantie gaat het hele circus dan eindelijk van start.

‘En hoe was het met oma?’
‘O ja, je moet haar even bellen.
Oma moet donderdag al naar het ziekenhuis en tante Lidy kan wel mee’.
‘Bedoel je de afspraak bij de chirurg?’ Ik heb mijn moeder namelijk gevraagd om Lidy daarvoor te vragen, want die dag werk ik.
‘Nee, volgens mij van de longarts’.
‘Die is toch dinsdag?’
Die heb ik juist zo gemaakt omdat ik dan vrij ben.
‘Volgens mij moet ze nu eerder of zo, ze werd gebeld door het ziekenhuis’.
Ik zeg Kyl dat dat waarschijnlijk geen goed nieuws is.
‘O ja, en dat bultje van tante Lidy was geen erge kanker hoor mam, dat snijden ze in 1 keer weg’.
Ow. Was dat ook kanker dan?
‘Gaat lekker zo hè mam, als het zo door gaat hebben we aan het eind van het jaar geen familie meer over’.
We schieten in de lach.
Ondanks dat ik weet dat zijn grap een bloedserieuze ondertoon heeft.
Ik geef hem een knuffel.
Rem is ondertussen al aan het eten begonnen.

Als ik mam bel hoor ik dat Lidy net weg is.
‘Nee, dokter belde, hij komt pas morgen’.
Ik heb maandag een briefje voor hem neergelegd over mams laatste onderzoeken en komende poli afspraken.
Die ziet hij vandaag dan wel.
‘Gaf de poli nog een reden op waarom ze de afspraak vervroegen mam?’
‘Ja, dat is op verzoek van de longarts’.
‘Dat doen ze niet voor niets denk ik mam’.
Zelf is ze daar nu ook bang voor.
‘Maar als jij niet kan dan kan Lidy mee hoor’. Ik weet dat ze veel liever heeft dat ik bij haar ben.
‘Komt goed hoor mam’.
Volgens mij staan er dan toevallig 3 ipv 2 secretaresses ingeroosterd als ik me niet vergis.
‘Natuurlijk ga ik mee. Ik regel het wel op het werk morgen’.

Wordt vervolgd…

Gewoon n update waar je weer niet vrolijker van wordt…

Vrijdag
Terwijl ik me bij het wakker worden net bedenk dat ik me vandaag eindelijk iets beter voel komen er drie berichtjes achter elkaar binnen op mijn Messenger. Het eerste bericht is van mijn tante. Slecht nieuws, de uitslag van de punctie van de alvleesklier was niet goed. De eerste nichten hebben al ontdaan gereageerd.
Wat een vreselijk nieuws is dit.
Ze is zo sportief en ziet er altijd zo goed en gezond uit. Afgelopen kerst hing ze nog in de nok van de kerk. ‘Alles is mogelijk, als je maar durft’.
Ik kan niet naar mam om het persoonlijk te vertellen. Rem heeft onze auto mee en de sleutel van de auto van pap.
Zul je net zien.

’s Middags bel ik voor zus naar het AMC. Er is nog niets doorgestuurd door de neuroloog van het UMCG.
Als ik daar geen bel hoor ik dat er voor 12 maart een afspraak van wen half uur gepland staat bij de neurochirurgie van het UMCG.
Wat daar de meerwaarde van is weet niemand mij te vertellen. In zus haar dossier staat duidelijk dat ze in het AMC geholpen wil worden.
De poli assistente zal het de neuroloog per mail vragen. Wordt vervolgd.

Zaterdag
Voor het eerst sinds ruim twee weken drink ik een bakkie bij mam. Samen bekijken we op mijn Iphone de urmen die zus heeft uitgezocht.
‘Wat een saaie’. Mam vind het maar niks. ‘Dan kijken we toch gewoon verder?’
Nadat ik mijn ver over de datum bieb -boeken heb ingeleverd plof ik thuis gezellig naast Kyl op de bank.
Rem is met Steef naar de motorbeurs in Utrecht.

Zondag.
Ik ben vroeg wakker en kan de slaap niet meer vatten. Kan ik net zo goed mijn haar even verven toch?! Terwijl de verf intrekt epileer ik mijn wenkbrauwen gelijk ook maar even. Na mijn bad doet Rem mijn voeten en teennagels.
Met wat nieuwe lippenstift, een flinke veeg rouge en een lekker luchtje lijken mijn dagen als plaatselijk huiswrak nu definitief voorbij.
***ik voel me als nieuw***

Ik bel mam. ‘Zullen we anders straks even naar de begraafplaats?’ Mam ziet er erg tegen op weet ik.
‘Nu schijnt het zonnetje lekker. Lopen we alleen even naar de urnenzuil en dan gaan we weer naar huis’.
Ze zucht. ‘Ja, laten we dat maar doen’.

Maar eerst drinken we gezellig even een bakkie terwijl we weer wat urmen bekijken.
Opeens vinden we de juiste.
‘Dat is em!’
Rem werkt ondertussen de administratie weer bij en haalt de houtblokken uit de haard. ‘Donderdag komt de schoorsteenveger. Ik zal wel zeggen dat hij daarna nooit meer hoeft te komen’.
We kijken elkaar aan. Even.
‘Stoken we al dat hout toch lekker van de zomer op mam, bij ons in de tuin. Lekker roseetjes erbij’.
Zes zakken had met Kyl gehaald voor pap. ‘Ik heb zijn Gammapas nog mam’.
‘Hou maar hoor kind’.

Het is rustig op de begraafplaats. De Urnentuin met de zuil is gelijk links. Er zijn voldoende plekjes.
Ik hoor het mezelf weer zeggen:
‘Lekker op het zuidwesten hè pap?’
‘Ja, en niet te dicht bij de grond’, antwoordde hij.
Het toeval wil dat er zo’n plekje vrij is. Op ooghoogte.
Mam weet het pertinent zeker. Dat is het plekje voor pap.

Maandag.
Na een week of vier ga ik weer eens naar de psycholoog.
Best prettig eigenlijk.
Gewoon even mijn verhaal doen. Ze zegt niet veel maar als ze wat zegt slaat ze vaak de spijker op zijn kop.

Nadat ik de boodschappen voor vier dagen heb gedaan en een broodje naar binnen geb. gepropt ga ik naar het ziekenhuis voor de mammo.
Aansluitend krijg ik een echo.
Weer hoor ik dat ik zoveel cysten en fibroadenomen heb dat daar gewoon niet tegenop te prikken valt. ‘Dan prikken we je helemaal lek’. Is ook zo natuurlijk. Gewoon onbegonnen werk, maar aan de andere kant: er hoeft maar 1 verkeerde tussen te zitten en ik ben de lul. Hij snapt me helemaal. Volgende week maar even bespreken op de mamma poli. Er af laten hakken is ook zo ehh… desastreus. Aan de andere kant?!?!?
Wordt ook vervolgt.

Morgen weer lekker werken.
Zin in. Maar wel ‘veel,’ gelijk drie dagen achter elkaar. Wel pas half tien beginnen. Tot vier.
Als ik nou maar een beetje slaap. Want dat is een drama.
Nu ik eindelijk beter ben slik ik geen paracetamol meer en dus spelen mijn spieren, pezen, botten en gewrichten weer op. Daarbij heb ik ook nog eens last van tintelende voeten en handen.
Ach een mens moet wat te zeuren hebben niewaar?

We 300: Leuteren

-‘Ja ik heb er weer 1 hoor.
Een typisch manolevje.
(Whahaha)
Het is toch een beetje een speeltuinvoetballertje hè?!
(Whahaha)
Die kan er he-le-maal niets van.
Ik heb het gevoel dat hij op een roltrap loopt, hij beweegt wel maar hij gaat niet vooruit.
(Whahahaha)
Zelfs met tafelvoetbal stond ie vast buitenspel. Paardenlul!
(Whahahahahaha)

-‘Dat is een argument van Lik me reet
notoire domoor!’

-‘Ja maar Johan
(Whahaha)
Hij wordt nog ingehaald door iemand die de lijnen aan het kalken is op de training. Dat kan toch niet!
(Whahaha)
Daar krijgt een paard toch de hik van?
(Whahahahahaha)
Mag ik hem nog een 1 keer zien?
Hier.
Kijk dan.
Hij loopt gewoon langs de lijn en denkt “Verrek, wie is die kerel?”
(Whahahahahahahaha)

-‘Donderstraal toch op joh!
Ik geef je een koek’

-‘Ja maar Johan
Ouwe reus
Je gaat daar toch niet zitten voor je plezier?
Dan moet je echt een heel slecht huwelijk hebben.
(Whahaha)
Kijk dan. Hij is zo trots als een hond met 7 lullen.
(Whahahaha)
Die moet lekker on de woestijn gaan voetballen.
Niks mis mee
Is toch heerlijk man!’
(Wahahahahaha)

‘Dat vind ik niet rullevant!’

‘Ja maar Johan.
Kijk dan.
Alleen al hoe ie er bij staat, het lijkt wel of ie aan zijn haren getrokken werd van die bus naar dat veld. Zo blij als een kind als die man in dat zwarte pak affluit. Hè hè, onder de douche.
(Whahahahaha)
Malloot op voetbalschoenen.
(Whahahahahahaha)

-‘Maar de liefde voor zijn club is dan toch wel weer mooi’

-‘Hansie Hansie!
Luister dan
Dorpsidioot!
Clubliefde bestaat niet meer
Schei toch uit joh!’
(Whahahaha)

Wat jij Wilfred?’

‘De bal is rond en het is elf over elf.
Maar dat geheel terzijde!’

____________________________

Bij de WE300 van Plato is het de bedoeling dat je een verhaal schrijft van niet meer dan 300 woorden waarin een bepaald woord – ditmaal ‘Leuteren’ – niet voorkomt.
Meer verhalen vind je op: http://platoonline.wordpress.com/

Life(blog) sucks sometimes nou-een-maal

Dat mijn blog in de categorie life blog valt kwam ik laatst pas achter. Wist ik veel dat er categorieën waren.
In life blogs gebeuren altijd best veel dingen waarvan de lezer getuige mag zijn. Life.
Lifeblogs zijn best populair.
Mensen lezen nou eenmaal graag over andermans ellende.
Ze leren ervan, ze kunnen meeleven, er steun uit putten, het gevoel krijgen behulpzaam te zijn, het geeft vergelijkingsmateriaal ‘mijn leven is zo slecht nog niet’, het bevredigd de nieuwsgierigheid, need I go on?

Nee, ik vind het niet erg om privé dingen te delen.
Waarom zou ik mijn gedachten niet delen als een ander daarvan zou kunnen leren, er troost uit zou kunnen putten, of kracht.
Wie ben ik om te denken dat mijn leven zo bijzonder is dat andere mensen daar niets over mogen weten behalve dan die dingen die totaal onbelangrijk zijn, vaak materiële zaken, vakanties, hoe goed de kinderen het wel niet doen.

Als je dood gaat heb je niets.
Niets behalve misschien je ziel. Je zaligheid. Je liefde.
Als je dood gaat is het misschien leuk als je wat na laat. Geld, een mooi sieraad. Herinneringen.
Maar uiteindelijk zal ook het geld opraken, het sieraad zijn vergaan en de herinneringen vergeten. Zo is het leven nou eenmaal. Je bent klein en nietig.
Zo ben je er , en zo ben je niets meer dan wat stof in de wind.
En als je dat goed beseft, en weet dat je met je belangrijke afspraken en drukke gedoe geen donder voorstelt, wordt het wat makkelijker om open te zijn. Mijn god, hoe lang leef ik, en hoe lang zal ik dood zijn?

Is het mooiste wat je na kan laten dan niet je woorden, je gedachten? Kunst? Gedichten?
Angsten en twijfels?
Levenslessen en de wijsheid die deze je brachten?

Waarom zou ik dit in godsnaam geheim moeten houden? Niet moeten delen?
Of alleen met je naasten.
Waarom in godsnaam?
Moet je hard zijn om te overleven?
De songtekst van Paul van Vliet spreekt voor zich. Vooral de laatste regel. Ik zal nogmaals onderaan een link plaatsen.
Dan nu over naar de blog van vandaag:

19 februari.
‘Toch is het raar’:
-Mijn griephoofd wordt nu eigenlijk pas een klein beetje wakker-.

Bij vertrek uit het ziekenhuis 7 november had mam een kaartje mee gekregen waar 4 afspraken opstonden.
19-2 naar de radiologie en de longarts
Begin maart naar de radiologie en chirurgie.

Die tweede afspraak is me volstrekt duidelijk.
De eerste kan ik begrijpen, maar ik vind het toch een beetje vreemd dat er zonder verdere uitleg een afspraak bij een longarts wordt gemaakt.
Nou ja, alleen maar goed natuurlijk. Daar niet van, maar het moet toch minstens even gecommuniceerd worden met mijn moeder. En die wist van niets.

Op woensdag 12 februari krijgt mam opeens een brief op de mat waarin staat dat ze haar vrijdag 14 februari verwachten voor een CT scan van de longen. Helemaal in de stress natuurlijk.
Omdat ik ziek ben – en vrijdag niet mee kan- verzet ik deze naar dinsdag, gister dus.
Van een afspraak voor een longfoto op 19-2 is niets bekent. Ook al een beetje raar.

Jammer genoeg ben ik nog veel te ziek om mee te kunnen gister dus Lidy gaat mee. Mam is zo zenuwachtig als ik haar bel. Ik baal dat ik niet mee kan, maar Lidy kan dat ook heus heel goed. (!!!)

Om half vier belt ze dat ze terug is.
‘Maar wat denk je Narda, ze hebben ook een scan van mijn lever gemaakt’.

En nu vertrouw ik het helemaal voor geen cent meer natuurlijk.
4 maart is pas de afspraak bij de longarts.

Ik vind het maar een vreemde gang van zaken. Zit ik daar straks met mam bij die longarts met weet ik veel wat voor nieuws.

Begin trouwens wel multi-fulti plannertje te worden want aansluitend mogen ‘Knobbel en Bobbel’ die dag voor de uitslag van de mammografie van aanstaande maandag. Niets om ons verder zorgen over te maken, ik heb vaker fibro -adenomen en cysten, en ander mastopatisch weefsel maar toch, altijd weer spannend.

Ja, Kan een gezellig dagje worden.
Ga alvast maar weer sparen voor de parkeermeter.
Sught.

En die griep is ook nog steeds best gemeen. Was mijn temp maandag gezakt naar 37,5 nu is hij weer 37,8.
Life(blog) sucks sometimes nou-een-maal.
Sorry.
Kan het niet leuker maken dan het is.

Life(blog) sucks sometimes nou-een-maal…

Dat mijn blog in de categorie life blog valt kwam ik laatst pas achter. Wist ik veel dat er categorieën waren.
In life blogs gebeuren altijd best veel dingen waarvan de lezer getuige mag zijn. Life.
Lifeblogs zijn best populair.
Mensen lezen nou eenmaal graag over andermans ellende.
Ze leren ervan (‘een ezel…’ -je kent ‘m wel..) , ze kunnen meeleven, er steun uit putten, het gevoel krijgen behulpzaam te zijn, het geeft vergelijkingsmateriaal ‘Mijn leven is eigenlijk-helemaal-zo-slecht-nog-niet’, het bevredigd de nieuwsgierigheid, need I go on?

Nee, ik vind het niet erg om privé dingen te delen.
Waarom zou ik mijn gedachten niet delen als een ander daarvan zou kunnen leren, er troost uit zou kunnen putten, of kracht.
Wie ben ik om te denken dat mijn leven zo bijzonder is dat andere mensen daar niets over mogen weten behalve dan die dingen die totaal onbelangrijk zijn, vaak materiële zaken, vakanties, hoe goed de kinderen het wel niet doen.
Ook leuk natuurlijk.

Als je dood gaat heb je niets.
Niets neem je mee.
Niets behalve misschien je ziel. Je zaligheid. Je liefde.
Als je dood gaat is het misschien een troost als je wat na laat. Geld, een mooi sieraad. Herinneringen.
Maar uiteindelijk zal ook het geld opraken, het sieraad zijn vergaan en de herinneringen vergeten. Zo is het leven nou eenmaal. Je bent klein en nietig.
Zo ben je er , en zo ben je niets meer dan wat stof in de wind.
En als je dat goed beseft, en weet dat je met je belangrijke afspraken en je drukke gedoe geen donder voorstelt, wordt het wat makkelijker om eat meer open te zijn.
Mijn god, hoe lang leef ik, en hoe lang zal ik dood zijn?
Wat doet het er toe.
Ik?

Is het mooiste wat je na kan laten dan niet je woorden, je gedachten? Kunst? Gedichten?
Angsten en twijfels?
Levenslessen en de wijsheid die deze je misschien brachten?

Waarom zou ik dit in godsnaam geheim moeten houden?
Niet moeten delen?
Of alleen met mijn naasten.
Waarom in godsnaam?
Moet ik hard zijn om te overleven?
Verschanst achter mijn verdriet?
De songtekst van Paul van Vliet spreekt voor zich. Vooral de laatste regel. Ik zal nogmaals onderaan een link plaatsen.
Dan nu over naar de blog van vandaag:

19 februari.
‘Toch is het raar’:
-Mijn griephoofd wordt nu eigenlijk pas een klein beetje wakker-.

Bij vertrek uit het ziekenhuis 7 november had mam een kaartje mee gekregen waar 4 afspraken opstonden.
19-2 naar de radiologie en de longarts
Begin maart naar de radiologie en chirurgie.

Die tweede afspraak is me volstrekt duidelijk.
De eerste kan ik begrijpen, maar ik vind het toch een beetje vreemd dat er zonder verdere uitleg een afspraak bij een longarts wordt gemaakt.
Nou ja, alleen maar goed natuurlijk. Daar niet van, maar het moet toch minstens even gecommuniceerd worden met mijn moeder. En die wist van niets.

Op woensdag 12 februari krijgt mam opeens een brief op de mat waarin staat dat ze haar vrijdag 14 februari verwachten voor een CT scan van de longen. Helemaal in de stress natuurlijk.
Omdat ik ziek ben – en vrijdag niet mee kan- verzet ik deze naar dinsdag, gister dus.
Van een afspraak voor een longfoto op 19-2 is niets bekent. Ook al een beetje raar.

Jammer genoeg ben ik nog veel te ziek om mee te kunnen gister dus Lidy gaat mee. Mam is zo zenuwachtig als ik haar bel. Ik baal dat ik niet mee kan, maar Lidy kan dat ook heus heel goed. (!!!)

Om half vier belt ze dat ze terug is.
‘Maar wat denk je Narda, ze hebben ook een scan van mijn lever gemaakt’.

En nu vertrouw ik het helemaal voor geen cent meer natuurlijk.
Dat ze wat hebben gezien op die foto’s van haar ribben lijkt me duidelijk.
4 maart is pas de afspraak bij de longarts.

Ik vind het maar een vreemde gang van zaken. Zit ik daar straks met mam bij die longarts met weet ik veel wat voor nieuws.

Begin trouwens wel multi-fulti plannertje te worden want aansluitend mogen ‘Knobbel en Bobbel’ die dag voor de uitslag van de mammografie van aanstaande maandag. Niets om ons verder zorgen over te maken, ik heb vaker fibro -adenomen en cysten, en ander mastopatisch weefsel maar toch, altijd weer spannend.

Ja, Kan een gezellig dagje worden.
Ga alvast maar weer sparen voor de parkeermeter.
Sught.

En die griep is ook nog zo gemeen. Was mijn temp maandag gezakt naar 37,5, nu is het weer 37,8
Life(blog) sucks sometimes….

Over mijn Olympische griep en zo…

(Serie 1)
Vrijdag 7 februari
K#t, ik voel me echt niet lekker.
Nee. Niet nu!
‘Ik geef je maar liever geen zoen hoor mam’.

Zaterdag 8 februari
Snipverkouden op de bank met
paracetamol, liters verse jus, bisolviral, nisyleen en een 12-pak zakdoekjes.
‘Het gaat heus’.

Zondag 9
Ik zit er.
Zo ziek als een hond, met zes paracetamol achter mijn kiezen en de zakdoeken stand-by naast de telefoon, maar ik zit op mijn werk.
Waar dan ook wel een beetje alles mee is gezegd.

(Tweede run)
Maandag 9 februari
De griep wint.
Mijn leidinggevenden vatten het allemaal meer dan sportief op moet ik zeggen.
Het is zo ZO gênant. Eerst zelf in de lappenmand vanaf april – ik ben nog steeds niet hersteld- dan zorgverlof, bijzonder verlof, uitvaartverlof, wat vrije dagen hier en daar, dan weer wat zorgverlof en nog wat vrije dagen vanwege mijn moeder en nu dit weer. Het kan niet anders of ze zijn inmiddels schijtziek van me. -Of ze hebben stiekem vleugeltjes. Net als de collega’s die ik zaterdag even sprak-.
‘Ziek jij nou maar eerst eens goed uit’.
‘Wij redden het heus wel zonder jou’.
(#Not, is echt geen doen in je eentje een dagdienst op maandag).

Bed, bank, bank, bed etc.
Zuster Rem en broeder Kylian lopen af en aan tussen mam en mij met paracetamol, hoestdrank voor mij en lekkere liflafjes voor mam.
Ze heeft zo weinig reserves, als ik haar aan steek is zijn we er – misschien zelf letterlijk- doodziek van, dus ik ga er beter maar niet heen.

Tussen mijn slaapjes door komt de wereld van de olympische spelen bij me binnen met
twentyfoursevens, back tail graps en andere levensgevaarlijke capriolen.
Ik mis Tomba la Bomba.

Mijn oranje private entertainment-team doet er gelukkig alles aan om dat leed een beetje te verzachten. De medailles vliegen me om de oren. Ik luister toe hoe Hans van Zuipenetten tot vervelens aan toe jongetjes van negen probeert te verleiden om te gaan kunstrijden. ‘Niks voor jou Kyl?’
‘Ja leuk mam, weet je wat, als jij nou eerst even die half- pipe even doet ga ik me daarna opgeven oké?’
Ik mis Phillippe Candoloro geloof ik nog meer dan Alberto Tomba.

(Heat 3)
Vrijdag.
Zuster Rem is het zat als ik er tijdens een hoestbui bijna in blijf en gaat een thermometer scoren.
De oude is onvindbaar.
Niet dat ik daar ooit wat aan had.

Pap zei het nog tegen de dokter in zijn laatste week.
‘Ik heb nooit koorts’.
Verhip, dacht ik. Ik ook niet. Niet echt. Geen koorts.
‘Nee, en jij ook niet Nar’ zei mam toen.
Boven de 38 ben ik bijna nooit geweest. Alleen toen ik als kind een blinde darmontsteking had zat ik daar een beetje boven. Maar sinds mijn pubertijd heb ik geen echte koorts meer gehad.
Maar wel dus een flinke oorontsteking en een longontsteking.
Misschien is mijn thermostaatje wel een beetje defect. Kan dat trouwens? Ik heb er verder nooit zo over nagedacht.

En nu is mam ongerust. Ik heb inmiddels natuurlijk wel een stem als een defecte misthoorn en een hoest als een terminale zeeleeuw, maar goed, geen reden tot paniek.
‘Eerst mijn temp meten straks, en als ik echt koorts heb bel ik de dokter wel. Beloofd’.
Ook de broeder en de zuster kijken me het hele weekend bezorgd aan.

Zaterdag
37,8
Zondag
Een uitschietertje naar 37,9, goed voor goud bij mij.
‘Da’s dus geen koorts’.
‘En toch wil ik dat je naar de dokter gaat’, zegt mam aan het eind van ons dagelijkse telefoongesprekje.
Dat heeft ze vast van mij geleerd. Dat kan niet anders.

Maandag
Ik durf echt – no. way!- niet weer bij dr. Spruitje langs te gaan, dus dan maar vandaag als hij in het verpleeghuis werkt.
‘Geen longontsteking hoor, gewoon uitzieken’, zegt dokter Z. Leuk mens is het. Altijd vrolijk. ‘Ik denk dat een virus de boosdoener is, bij een bacterie krijg je koorts’.
Juist.
Dacht ik het niet. Was ik nou maar niet gegaan.
Broeder Kylian, zuster Rem en mam kunnen in ieder geval weer rustig slapen. Voor zover dat dan natuurlijk mogelijk is met mijn geblaf op de achtergrond.

Nee. Het schiet allemaal niet op hoewel de temp. wat is gedaald.
Ik ben misselijk en heb hoofdpijn.
-oké, turen op een iPhone schermpje werkt daar natuurlijk ook niet echt aan mee, al schrijf ik in verschillende runs, heats, racess etappes-

(Race 4)
Lidy gaat gelukkig morgen met mam mee naar de ct scan van haar longen.
Ik ben er allerminst gerust op.
Zus komt pas 220 km deze kant op als ze de uitnodiging heeft voor de poli neurochirurgie van het AMC. Haar schedel zal binnenkort toch moeten worden gelicht.
‘Zou jij je anders willen buigen over een urn voor pap?’
Er moet nog zoveel geregeld worden, maar ik ben er te ziek voor.
Dat wil ze wel.
Ben benieuwd.
Ik hou me vast aan het idee dat pap alles mooi vond wat zus mooi vond.
‘Is dat nou wel zo’n goed idee Nar?’

Het zijn rare dagen.
Tussendoor belde de sportiefste tante aller tijden nog. Het zusje van mam.
Er is iets mis met haar alvleesklier.
Zo ben je op tweede kerstdag nog aan het abseilen vanuit de nok van de St. Odulphus kerk met je kleinkinderen en zo krijg je buikpijn, val je kilo’s af, en mag je – na een scan- voor een punctie.

Rare weken.
Ja.
We vallen lekker in de prijzen.
Wij.