Visserslatijn en het verhaal van de brandtoeter

Toen ik heel klein was ging mijn vader vaak vissen met zijn vriend Ber. In ’70 (of ’71?) werd ‘ome Ber’ op het kruispunt Krommenie-Wormerveer dood gereden op zijn brommer. Helmen waren toen nog niet verplicht. Mijn vader heeft toen een hele tijd niet meer gevist, maar op gegeven moment begon het bloed toch weer te kruipen.

In mijn vorige verhaaltje over de brandweer had ik het al even over het stalen bootje dat mijn vader zelf had gemaakt.
Het was een groen bootje met groene zitplanken waarop oranje zitjes waren geschilderd.

Het zou me niet verbaasd hebben als het ding met veel poeha en drank door de familie was ingewijd, maar ik kan me daar in ieder geval niets van herinneren. Volgens mij had het ook geen naam. Ik zal het ze nog eens vragen.

Vaak nam mijn vader zus en mij mee het Guisveld in om te
(leren) vissen. Zelf de wormpjes er aan doen, of brood. Ik kon toen ik klein was geen moment stil zitten en mijn mond dicht houden, maar toch ving ik vaak de meeste vis. Veelal Baarsjes en voorntjes, maar ook brasem, karpers en aal. (Wellicht hebben de talloze havermoutballen die ik nogal kwistig in het water strooide daar wat mee te maken gehad)

Op een dag gingen we met het hele gezin vissen. Meneer en mevrouw Winter, een gepensioneerd echtpaar dat in de flat naast de onze woonde, besloten die dag in hun eigen bootje gezellig met ons op te varen. Meneer Winter was ook bij de brandweer en in de loop der tijd is mijn vader regelmatig met hem gaan vissen. Hij heette ook Klaas, net als mijn vader.

Het was die dag bloed heet. Mam, zus en ik zaten in bikini op de boot. Alledrie poepiebruin, ik als altijd nog het minst. Vrouw Winter, een lieve vrouw waar zus en ik altijd van harte welkom waren, zat op een klapstoel onder een vrolijk gebloemde parasol. ‘Ken dat wel Klaas, zo met die klapstoel?’ riep mijn vader nog.
‘Ja hoor Klaas, dat ken best’.
Vrouw Winter wuifde ons toe, als was ze koningin Emma in hoogst eigen persoon.

Na een half uurtje hadden we een mooi plekje gevonden in het Guisveld. De hengeltjes werden uitgegooid, de koelboxjes werden geopend.
Of we veel vingen die dag weet ik niet meer. Dat het best gezellig was wel.

Na een paar uurtjes vonden we het welletjes en werden de hengeltjes weer binnengehaald, de lijntjes weer netjes, de dobbertjes strak.
Het was waarschijnlijk zelfs te heet voor de vissen om te bijten.

Pap was nog bezig met de laatste hengel toen mevrouw Winter opeens wel beet had, en flink ook! De boot van de Winters helde helemaal naar 1 kant en terwijl mam, zus en ik het tafereel met stijgende verbazing aanschouwden, werd mevrouw Winter van haar klapstoeltje af gekieperd, zo de plomp in, helemaal kopje onder!

In paniek kwam ze boven.
‘Mijn bril, mijn gebit, O help dan toch!’
Ik geloof dat mijn vader de sloot in sprong om vrouw Winter te redden. Samen hielpen ze haar weer de boot in, waar ze even later met haar benen in de lucht lag te spartelen en te jammeren als een vis op het droge. Pap vond op de tast haar bril in de sloot.

‘Gaat het mevrouw Winter, rustig maar’ suste mijn moeder, toen vrouw Winter met haar zomerjurkje tegen haar lijf geplakt weer op het stoeltje zat. ‘O Adri, O Adri’, huilde ze.
Haar permanent was volledig geruïneerd. In slappe sliertjes hing het langs haar hoofd.
‘Ik wil naar hui-huis’.

Mam, zus en ik durfden elkaar tijdens de hele terugweg niet aan te kijken. De hele terugweg bleef ze jammeren en huilen. Het arme mensje was totaal overstuur. In treurmars bereikten we onder veel bekijks eindelijk de flats.

Terwijl pap beide boten vast legde, haalde wij stilzwijgend de spullen eruit. Het hele gebeuren had een enorme indruk op ons gemaakt.

Pas toen we elkaar tijdens het eten weer aan durfden te kijken kwam de ontlading.
We konden de hele avond niet meer ophouden met lachen. De tranen stroomden over onze wangen. Ook bij pap. Mam pieste zowat in haar broek.

De volgende dag ging pap met meneer Winter op zoek naar het kunstgebit.
Ze hebben het nooit meer gevonden.
Wel talloze kommetjes, een oude Chinese theepot, en de koperen brandtoeter dus.
(Jaren later kwam ik erachter dat op die plek vroeger een oude molen heeft gestaan).

Vrouw Winter heeft voor zover ik weet nooit meer gevaren.
Wel heeft ze er later gelukkig net zo hard om kunnen lachen als ons.

Advertenties

8 gedachtes over “Visserslatijn en het verhaal van de brandtoeter

    • Haha, leuk te horen. Weer eens wat vrolijks toch!?
      Mijn vader herinnerde het zich weer best vanmiddag. ‘Die klapstoel met mevrouw weet je nog pap?’
      ‘O ja, kieperde ze zo de sloot in!’
      Mijn moeder zei trouwens vanmiddag dat mijn vader toen aan tafel vroeg: ‘en meiden? Hoe vonden jullie het vandaag?’ Toen pas barstten we los.
      Ze genieten er echt van, om die herinneringen af en toe op te halen.

      Like

  1. Pingback: Het kunstgebit | Hartelijke Hot Hulk

  2. Pingback: Klaar voor de tweede helft? | Beaunino

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s