30 januari blues…

Soms lukt het gewoon niet: schrijven.
Soms kun je gewoon beter even lekker gaan lezen….

Nee, niets aan de hand hoor, alles gaat goed. De ‘BinkCock au Vin’ zit al in de pan, heb boven maar weer eens een beetje orde geschept.
Ben naar de tandarts geweest, heb verse boeken en de boodschappen gehaald, en een bakkie gedaan bij mam.

En nu ben ik moe.
Zo ontzettend moe.

Ik zeg: Boek
Ik zeg: Bank
Ik zeg: Fijne dag nog allemaal.

20140130-163743.jpg

Advertenties

Over dunne draadjes en ‘vaker doen’

Donderdag
Smes naar zus:
‘Wil je dat ik even bel?’
Het hoeft niet. Ze belt zelf morgen even naar het ziekenhuis.

Vrijdag
‘Maar mam, dan kom je toch gewoon lekker zondag bij ons snert eten in plaats van vanmiddag?’
Haar vriendin Lidie komt die middag gezellig bij haar langs.
Wel een beetje teveel van het goede om daarna nog bij ons te komen vindt mam ook.
‘Ja, dan eet ik wel gewoon zelf dat potje rode kool vanavond met dat stukje draadjesvlees’.

Nadat ik het huis weer een beetje op orde heb gemaakt en de weekend boodschappen weer op de planken liggen ga ik nog even langs de bieb.
Met een boekje over rouwverwerking geschreven door Jos Brink plof ik even later weer op de bank.

Zaterdag
Om vier uur stap ik na het werk samen met mijn nieuwe collegaatje op de tram richting West om bij een andere collega te gaan borrelen. Op 1 na zijn alle secretaresses present.
Iloon heeft heerlijke salades gemaakt en een flesje wijn open getrokken. ‘Gezellig hè, moeten we vaker doen’.

Zondag
Mam wil het liefst nog even thuis blijven. Nog niet op visite, nog even nergens heen. Bij ons snert eten wil ze gelukkig wel. ‘Kun je me dan half vijf ophalen?’

Om twee uur stappen we met ons drietjes binnen bij ’t Schippersrijk’.
Vandaag is er een zanger. ‘Maar het is meer achtergrond muziek hoor’, sust de eigenaresse als ze ons naar een tafeltje op het podium leidt.
Even later is er gelukkig toch een plekje bij het raam vrijgekomen met uitzicht over het Uitgeestermeer. De regendruppels slingeren op de maat van een ‘Lang zal ze leven’ van de gasten naast ons langs het raam naar beneden, het meer in. Een eenzame eend zwemt rond de verlaten meerpalen. Een koppeltje meeuwen scheert langszij.
‘Nar wat wil jij?’
‘O. Sorry. Een rode huiswijn graag’.

Even later komt ook ons metertje lunch. Op een smalle houten plank staan verschillende voorgerechtjes op een rij. Paling, garnaaltjes, carpaccio. Maar ook een mosterdsoepje, een kaasfonduetje en een gegrilde gamba. Heerlijk!
We kletsen wat, en eten wat.
Kylian heeft zijn laatste stagedag er inmiddels opzitten.
‘Weet je wie er van de week bij ons logeerde?’ Hij noemt de naam van een voetballer. ‘Een zootje joh in die kamer!’
Dit moeten we echt vaker doen, zo’n gezellige zondagslunch.

Ook met mam is het even later gezellig. Natuurlijk straalt het verdriet eraf, maar het doet haar zichtbaar goed om over pap te praten. ‘Ik heb zo’n mooi boekje meegenomen uit de bieb voor je mam’.
Ze zal wel zien.

Maandag
Om half tien ben ik bij Mw. Blom, de psycholoog.
We praten na over alles wat er de afgelopen weken is gebeurd.
‘Ik heb toch een speech geschreven’, zeg ik trots.
Even later gebruik ik een ongelukkige woordspeling.
Gelukkig kan zij er ook om lachen. ‘Weet je wat zo fijn is, er zijn zoveel mensen die geholpen hebben om alles wat draaglijker te maken. De huisarts, de thuiszorg, de pastor, Esther, het werk’.
Maar zij ook. Hoewel ik nog niet veel bij haar ben geweest, heeft ze me met een paar rake zinnen toch heel erg behulpzaam kunnen zijn. We spreken af dat ik over vier weken weer eens langs kom.
‘En als je het eerder nodig vindt dan mag je bellen hoor’.

Bij mam ga ik weer in de regel-mode. Ik bel de thuiszorgwinkel om de douche-stoel weer op te laten halen en zorg dat de grote doos broekjes morgen ook eindelijk eens wordt meegenomen.
Verder koop ik een aardigheidje voor Linda, schrijf ik een kaart voor de pastor en haal ik wat kleine boodschapjes voor mam.

Rem is vroeg thuis. Als we erachter komen dat de IZZ onze verzekeringen heeft veranderd in basispakketten in plaats van zo hoog mogelijk aanvullend spring ik bijna uit mijn vel van woede. Mijn hoofd bonst er van.
‘Hoe KAN dat nou? Hebben we geen bevestiging terug gehad?
Ik ben onredelijk en ik weet het.

Even later heeft Rem alles weer telefonisch recht gebreid.
‘Ze hebben een storing gehad, het komt allemaal helemaal weer goed, maak je niet zo druk’.

Pas als de adrenaline weer wat uit mijn lijf is gezakt, en ik bekaf op de bank lig, besef ik pas goed hoe dun en kwetsbaar het draadje dat mij bij elkaar houdt eigenlijk nog maar is.

Het leed dat hersenbeschadiging heet…

Kon er niets aan doen.
Het was het eerste wat in me opkwam toen ik het gister hoorde op de radio op weg naar de tandarts.

Even ervoor had ik nog luidkeels ‘vriendschap’ van het Goede doel meegezongen.
Was heel toevallig dat ik net ter hoogte van KFC reed.
En ook toevallig dat ik later, als ik klaar was bij de tandarts nog even snel een bakkie zou doen bij San.
Dertig jaar geleden lalden we samen ‘Vriendschap’ in de kantine van KFC.
De armen om elkaar, in onze handen twee bier.
In onze haren ook. Minstens.
Vriendschap.
Wat weet Henk Westbroek daar dan ook van?

Ik trok op bij het stoplicht.
Een Tia. Zomaar. Marco. Borsato.
Sjees.
Wat erg.

Ja.
Natuurlijk staat hij vast heus weer binnenkort op de planken.
Natuurlijk zit hij binnenkort wel weer bij the Voice.
Natuurlijk wel.
‘Hij houdt er vast niets aan over’.
Lichamelijk misschien niet nee.

Maar soms wordt de schade gewoon pas veel later zichtbaar.
Moe, niet meer kunnen organiseren, ongeduld, woede- uitbarstingen, ongeremdheid, karakterveranderingen, geen schaamte meer kennen…
Verder gaan?

Ik hoop dat hij er goed vanaf komt en dat het hier bij blijft.
Nog meer voor Leontien en de kinderen dan voor hem zelf hoop ik dat Marco nog dezelfde Marco zal mogen zijn.

‘Gelukkig heeft hij altijd nog zijn muziek’.

—————-

Mijn zus heeft waarschijnlijk op haar 26e een tia gehad. – Achteraf pas vermoed-.
Van een hardwerkende dierenarts assistente die beeldjes van eenden verzamelde en woonde in een kraakhelder appartement, is ze veranderd in , nou ja zeg maar het tegenovergestelde. 6 jaar geleden heeft ze daarbovenop nog een zwaar herseninfarct gehad in de linkerhemisfeer.

WE 300 : ‘verwaarlozing’

Iedere maand verzint Plato (http://platoonline.wordpress.com)
een schrijf uitdaging. Het is de bedoeling is dat je in precies 300 woorden een verhaal schrijft waarin het betreffende woord dat Plato heeft gekozen niet mag voorkomen.
Het woord van deze maand is ‘verwaarlozing’.

Ze opende de blauwe voordeur. De laffe geurmengeling van kattenpies, wierook en patchouli kwam haar in de hal al tegemoet. Ze hield er niet van. De paarse deur naar de kleine woonkamer en keuken was gesloten. Aan de trapleuning hingen talloze jassen en andere kledingstukken.

Eenmaal in de woonkamer drong de geur in al zijn onbescheidenheid bij haar binnen. Voorzichtig keek ze of de deur naar de bijkeuken wel dicht was. Er waren nu toch geen katten binnen?

Dezelfde buurvrouw die het natte kleed van de bank had meegenomen om te wassen, had er ook voor gezorgd dat er brokjes stonden. Vijf katten? Tien? Zou ze zelf wel weten hoeveel katten ze had?

Behoedzaam liep ze door de kamer. Hoeveel spullen kan een mens hebben? Maskers, Maria beelden, en schedels leken een verbond tegen haar gesloten te hebben.
‘Indringer!’

Uit het vriesvak van de koelkast bulkte zoveel ijs dat het deurtje niet meer dicht ging. Hij was nagenoeg leeg. In een hoek op het aanrecht stond een fles. Wijn? Ze schonk het restje Port in, en ging zitten op het plekje dat haar het droogst leek.

Het kleine teeveetje deed het niet. Aan de andere kant van de kamer tegen de oranje muur stonden twee prachtige schilderijen op een ezel voor een grote stapel kleding op een bankje. Daarnaast stond een paspop die haar zo doordringend leek aan te kijken dat ze besloot niet langer in de kamer te willen blijven.

Wanneer was ze hier voor het laatst boven geweest? Negen jaar? Het kamertje van toen was niets veranderd. Alleen lagen zijn babykleertjes nu in slordige stapels gebroederlijk naast de commode met wat hij de afgelopen negen jaar verder gedragen had.

Toen ze uiteindelijk in het bedje stapte, stootte ze haar teen tegen iets hards.

Het was Dino.