Spookverhaaltje?

Ergens in Oktober een jaar of wat terug.

‘Hoi mam, hoe is het?’
Een beetje schuldig voel ik me wel, want het is zeker wel een maand geleden dat ik zomaar even spontaan voor de gezelligheid langs ben gekomen
in plaats van het ‘hoi en doei’ wat ik de afgelopen weken zoveel had laten zien bij het ophalen en brengen van Kylian.
‘Goed hoor kind.
Koffie?’

‘Je vader is op de begraafplaats.
Hij zal zo wel komen’.
Het is rotweer buiten.
Met moeite had ik zojuist mijn autodeur dicht kunnen krijgen.
‘Waar hij zin in heeft met dit weer’.
Pap hielp sinds hij met pensioen was als vrijwilliger de oude begraafplaats weer op te knappen.
Een voor een takelde hij daar de grafzerken weer onder de aarde vandaan die in de loop der jaren de oude graven had bedekt.
Een heidens werk was het.
‘Vrijdag is het Lichtjesavond op de begraafplaats’
zegt mam.

‘Gister gebeurde er trouwens iets heel vreemds daar.’
Mijn interesse is direct gewekt.
‘Hoezo?’
Mam pakt haar kopje, en neemt een slok.
‘Vertel, je maakt me nieuwsgierig!’
Ze kijkt op de klok.
‘Hij zal zo wel komen’.

Terwijl ze dit zegt gaat de poort al open.
Ons kent ons.
Daar is hij.
Nat.
Zijn vierkante handen sterk en koud om mijn warme.
‘Hè Nadda, even mijn regenpak uit doen hoor’.

Pap wil ook wel een bakkie.
‘Vrijdagavond moet het af zijn’
vertelt hij.
‘Ja voor Lichtjesavond toch?’

‘Wat was er gister nou gebeurd?’
vraag ik als hij achter zijn koffie zit.
Pap kijkt naar mam.
Gepikeerd.
‘We hadden toch afgesproken dat je niets zou zeggen?’

‘Toe nou pap, vertel’.
Ik dring voorzichtig wat aan.
‘Nou, vertel jij het dan maar, jij bent er ook over begonnen’, zei pap uiteindelijk.

‘Je vader was gister helemaal alleen aan het werk op de begraafplaats’, begint ze.
‘Het waaide gister natuurlijk ook best hard’.
Ze steekt een sigaret op.
‘Hij was bezig met het graf van de familie Laan.
Je kent het misschien wel, dat grote familiegraf met die ketting eromheen en die engel in het midden?’

Ik heb het niet zo op met begraafplaatsen.
Zeg ik.
Pap wel.
Die vind het er zelfs wel fijn geloof ik.
Een paar weken terug had hij
er zelfs met Kylian kastanjes gezocht.
Omgetoverd met wat stokjes en wolletjes in spinnetjes en andere beestjes stonden ze nu gezellig op de rand van de schouw.
Het werk van oma en Kyl.

‘Maar je weet wel wie dat zijn toch?’ Ging ze verder.
‘Zo’n beetje’.
Het was een oude directeuren familie die menig fabriek in de Zaanstreek heeft opgericht.
Deed het ter zake?
‘Vertel verder mam’.

‘Nou, je vader was net bezig met een krik en een liertje om die steen omhoog te krijgen..’
Pap onderbreekt haar.
‘Niet waar, zo was het niet’.
Er volgt een lang, saai en zeer technisch verhaal waar mam en ik de ballen van snappen.

‘In ieder geval, opeens komt die grote stenen engel langzaam naar beneden vallen’.
Het wordt weer spannend.
Ik zie het zo voor me.
‘En toen pap?’
‘Nou, dat zal ik je vertellen.
Met mijn rechter had ik natuurlijk nog dat (….) vast, dus met mijn linker ving ik die engel op.
Maar ik kon natuurlijk geen kant meer op’.
Ik zit inmiddels op het puntje van mijn stoel.
Mam ook.
‘En toen?’

‘Je zal het niet geloven.
Ik zat te denken wat ik nou moest toen er opeens zomaar uit het niets een kerel naast me stond’.
Hij wacht even.
Vragend kijk ik hem aan.
‘Lang en mager.
In een lange zwarte jas.
Met een zwarte baret op’.
Ik schiet in de lach.
‘Echt waar?
Had je die niet zien aankomen dan?’
Pap reageert heftig.
‘Nee, ik weet zeker dat hij er niet was’.
Met zijn knokkels op tafel zet hij zijn woorden kracht bij.
‘Ik was helemaal alleen, echt waar hoor Nadda’.

‘En toen pap?’
‘Nou, toen vroeg die vent of hij mij misschien kon helpen’.
Pap ziet het gebeuren zo te zien weer voor zich.
‘Maar hij sprak ook raar hoor.
Zo deftig’.

‘En? Wat zei je toen?’
Pap is weer terug in het nu.
‘Nou’, zei ik, ‘Graag meneer’.
‘Als u nou effe die engel tegenhoudt dan kan ik (…) ‘
Zo gezegd zo gedaan.
‘Aardige vent, zeer beleefd’.

‘Jee, wat een geluk dat die man net langs kwam pap’.
Dan schuift ook pap weer naar het puntje van zijn stoel.
‘Maar weet je wat nou zo raar was Nadda?’
Ik voel hem al aankomen.
‘Op het moment dat ik die vent wil bedanken is hij gewoon weg.
Helemaal weg.
Dat kon helemaal niet.
Ik dus zoeken’.
Hij tikt weer op tafel.
‘Helemaal weg-was-die!’
Dan laat hij zich met zijn handen omhoog achterover vallen in zijn stoel.

‘Vast een geest geweest pap’.
Mam valt me bij.
‘Ja, dat zei ik ook al.
Vast een Laantje’.

Pap wordt een beetje boos.
‘Nou zie je nou?
Ik zei toch, hou je mond er nou over?’

Mam en ik schieten onbedaarlijk in de lach.
Pap gaat een broodje maken.

‘Jullie altijd met die onzin.
Spoken bestaan gewoon niet!’

Maar raar was het wel.
Dat wel.
‘Heel raar’.

Foto: rechts mijn vader