(Zeer lang uitgevallen) Spookverhaaltje

Ergens langs de rivier de Zaan staan sinds jaar en dag twee donkergroene houten huisjes. Arbeidershuisjes.
Ze horen bij elkaar. Het linker heeft alleen het huisnummer, het rechter nog de toevoeging ‘A’.
Ik zal ze Links en Rechts noemen.

Er hebben natuurlijk al heel veel mensen in de huisjes gewoond.
Er zijn mensen geboren en mensen overleden.
Dat voel je ook als je er binnen komt.
Nou ja. Ik wel.
Ik geloof dat er ooit een groenteboer met zijn grote gezin woonde, en later een van de broers van het leuke winkeltje op de Zaanweg.
Tenminste dat heb ik van horen zeggen.
Weet niet meer van wie.

Op een goede dag mocht ik huisje links het mijne gaan noemen.
‘Eigenlijk staat het op de nominatie voor de sloop, maar tot die tijd mag jij er dan wel wonen’, zei de directeur van de Woningbouwvereniging die bevriend was met mijn ex.
We gingen na zes jaar samen weer ieder ons weegs.
Ik was 26.

Op een ochtend waren mijn ex M. en ik aan het klussen in mijn nieuwe huisje toen er opeens een man in de woonkamer stond.
‘Wie bent u?
En wat doet u hier?’ vroeg ik door mijn schrik nogal bits.
Hij keek me lang aan voor hij iets zei.
Lichtblauwe waterige ogen.
Grijs haar. Met wat geel.
Hij stonk
‘Ik ben uw buurman’
naar drank
naar zware shag
naar heel lang ongewassen.
En klonk als een vonnis.

M. verscheen op het toneel met uitgestoken hand.
‘Goeiendag, en u bent?’
Met schijnbaar tegenzin liet buurman mijn ogen los.
Toen was het mijn beurt.
Ik wilde niet.
Een weke koude hand greep de mijne
en hield hem vast
‘Ik ben H.’
tot ik hem resoluut terug trok.

‘Getsie M., wat een engerd.
Ik weet niet of ik hier nog wil gaan wonen hoor’, zei ik terwijl
ik mijn handen goed onder de hete kraan waste.
‘Ah, je moet gewoon ook de deur op slot draaien’.

Ja, want zo’n huisje was het.
Met een ouderwetse voordeur met een klink en een grote oude sleutel.
Het was een authentiek Zaanse deur met een raampje en een klein kunstig wit smeedijzeren luikwerkje daarvoor met de afbeelding van een mannetje die leunde op een paraplu of zo. ‘Mijn man die altijd thuis op mij wacht’, zo stelde ik hem wel eens voor aan mijn gasten.

Achter de voordeur bevond zich een lange gang met een lambrisering van witte schrootjes die een beetje afliep.
Je rolde bij wijze van spreken zo naar binnen.
Aan het einde van de gang was een diepe okergele kast onder de trap.
Vlak voor het einde kon je links de woonkamer in.

Net als de hal liep ook de woonkamervloer af richting de keuken die aan de achterkant zat.
In de keuken stond een pieplein zwart opklapbaar tafeltje met twee stoelen.
Het gasfornuis stond onder een oud schouwtje.
Door de keuken kwam je – rechtsaf- in de bijkeuken waar mijn wasmachine en koelkast stonden. Ook was daar een douche, de achterdeur die toegang gaf tot het kleine plaatsje waar mijn hangmat hing, en de enge steile houten trap naar boven.

In mijn grote slaapkamer zat een dakkapel. Van daar had ik een fantastisch uitzicht over de Zaan en zijn boten.
Mijn bed stond onder het schuine dak naast het zijraam, dat uit keek op het golfplaten asbest dakje van het steegje van mijn buren aan de andere kant. Als ik tenminste de luxaflexjes opende. Isolatie had het huisje niet. Het kozijn van dat raam was rot. Op een goede dag prikte ik zo met mijn vingers door het hout. Tussen de binnenmuur van hardboard en de houten buitenmuur zat een ruimte van 2 cm.
In de loop der jaren heb ik deze muur eigenhandig geïsoleerd met plastic zakken van de Dekamarkt.

Boven was nog een klein kamertje met een piepklein deurtje waarvoor zelfs mijn moeder moest bukken. Eerst was dit mijn wasdroog-kamer, later hebben mijn vader en ik het kamertje met indianenrood en gatenkaasgeel omgetoverd in een fleurig ‘Paddington’ babykamertje. Kyls ledikantje stond onder het dakraam zodat hij – als ik tenminste het gordijntje openschoof- kon kijken naar de sterretjes. -Nou, zeg nou zelf, welke baby heeft dat nou?-
Boven had ik geen water. (Wat best wel om te janken lastig was in geval van spuit luiers)
De gaskachel stond in de woonkamer. De zwarte hoekbank van de ‘Supermeubel’ voor het raam.

Ik raakte geleidelijk gewend aan de buurman en gehecht aan mijn huisje. Met kerst kreeg ik altijd een handgeschreven kaart van hem terug waar hij met grote onhandige letters zijn naam op had geschreven.
Als er sneeuw lag veegde hij mijn straatje.
Het een was gewoon onlosmakelijk verbonden met het ander.
Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat de huisjes natuurlijk enorm gehorig waren met die flinterdunne muurtjes:
Zijn fluitketel zong ’s avonds rond negenen.
En iedere ochtend rond elven werd mijn huis gevuld met de klanken van zijn orgelmuziek.
Allemaal lang vergeten oud Hollandse deuntjes.

De winters waren er koud en nat.
In januari ’95 stond het water in de Zaan zo hoog dat ik amper durfde te gaan slapen.
Doordat de houten muren erg veel vocht opnamen, bevroren ze tijdens de vorstperiode die daarop volgde.
Eenmaal ontdooit vielen er grote stukken stukwerk van de muur. Om die grote kale plekken schilderde ik gouden randjes alsof het wolken waren.

In december 1996 was het zo koud dat mijn leidingen bevroren. Ik kon niet meer wassen en niet meer plassen zeg maar.
Ik was zes maanden zwanger en de meeste tijd alleen. (Maar dat is een heel ander verhaal).
’s Avonds vulde ik mijn grote soeppan met water en zette hem op de kachel zodat ik ’s morgens warm water had om me te wassen.
Met mijn dikke buik onder een deken en de gebreide pantoffels aan mijn voeten die ik van mijn oma had gekregen, zag ik toe hoe in de vroege ochtend van 4 januari ’97 duizenden mannen met de schaatsen in hun hand een weg baanden naar de Dokkumer Ee. Liters warme anijsmelk verslond ik die winter, afgewisseld met warme zelfgemaakte chocolademelk om maar enigszins warm te blijven in mijn tochtige houten huisje.

Begin april ’97 werd Kylian geboren.
Natuurlijk nodigde ik buurman uit voor de kraamvisite.
Zenuwachtig draaide hij een shaggie.
‘Als u even kunt wachten buurman dan leg ik hem eerst even in zijn bedje hoor’
Hij had niets op met baby’s, dat zag ik al snel.
Zelf was hij al jaren alleen, nooit getrouwd geweest, geen kinderen, vertelde hij even later, toen Kyl veilig en wel tussen de lakentjes lag.
Nee werken deed hij ook al jaren niet meer.
‘Drank’.
Hij had jaren gewerkt bij de Vlaar enveloppen.
‘Wat kunt u trouwens prachtig orgel spelen buurman’.
Voor de eerste keer zie ik hem verlegen lachen.
Had hij mij even mooi tuk:
‘Dabennik nie, dassain kassettu-bandjusss!’

Na mijn verlof ging ik weer aan de slag. Ik werkte toen 24 uur, maar wel verdeeld over vier dagen. Met mijn reistijd erbij opgeteld was ik best wel veel weg.
Buurman sprak ik sporadisch.
Mijn oude autootje stond in de zijstraat links zodat ik eigenlijk nooit zijn huis passeerde. En hoewel ik recht van overpad had, maakte ik daar nooit gebruik van, mijn fiets stond in de gang. (Ja, het was een beetje een ‘Pippi’ huisje).
Maar een enkele keer had hij mij nodig voor het een of het ander.
Meestal maakte hij dit kenbaar door een enkele harde bons op het raam te geven ondanks mijn herhaaldelijk ‘Dat moet u nu niet meer doen hoor, ik schrik me iedere keer het leplazarus’.

Op een zekere zondag avond was hij een beetje in paniek.
‘Kom even binnen buurman’.
Het was rond een uur of negen. Het regende en het was donker. Kylian lag boven te slapen.
‘Wat is er aan de hand?’
Met zijn gele vingers probeerde hij een shaggie te draaien.
Het lukte niet.
‘Kom maar’.
Zoiets verleer je nooit.
‘Ik ben mijn huissleutels kwijt’.
Hij inhaleerde diep de rook.
‘Heeft er iemand reserve sleutels?’
Die had zijn moeder, maar die zat in het verpleeghuis in Zaandam.
‘En de sleutel van mijn brommer zat erán’.
Ik dacht even na.
‘Heeft u geen andere familie die u even naar Zaandam kan brengen?’
Ik was echt niet van plan om de deur uit te gaan nu Kylian boven sliep.
‘Ik heb twee broers maar die willen me niet meer zien…..kouwe kak’
Ik bood aan de politie te bellen.
Zelf had hij geen telefoon.
Dat leek hem wel wat.

‘Nee, mevrouw, dat doen wij niet, maar als u nou even ‘dit en dat nummer’ belt dan komen ze zo langs.
Ja, dat moet hij wel betalen’.

Dat laatste was niet naar de zin van buurman.
‘Weet u buurvrouw, de wc zit bai mai aan de zaikant. En daar zit een raampje boven waar jaj misschien wel door ken’.
Ik liet me overhalen om even te gaan kijken.
‘Sorry buurman, nee.
Dat is veel te gevaarlijk, daar begin ik niet aan’.
Ik had eigenlijk allang al in mijn bed willen liggen in plaats van hier in de regen te staan.
Toch maar doen dan?
Nee.
Stel je voor dat ik mijn been zou breken?
Ligt Kyl alleen.
Buurman weet echt niet wat hij moet doen dan.
Ik nam afscheid.
‘We kunnen dat nummer bellen, u kunt de bus nemen naar uw moeder in Zaandam. Verder weet ik het ook niet hoor’.

Even later hoorde ik een harde bons op de vloer. Hij was kennelijk geland.
Hopelijk niet in de pot.
Vlak daarna volgde de bekende bons op mijn raam.
‘Het is gelukt hoor!’
Godzijdank.

Ik denk dat het niet veel weken later was toen ik wederom werd opgeschrikt door een harde bons op de vloer.
Ik lag in bed te lezen.
‘Wat krijgen we nou weer?’
Er volgde geen bons op het raam.
Zeker dronken.
Even later was ik gaan slapen en vergat ik het hele voorval.

Eind februari ’99 werd Kylian ziek.
Hij had oorpijn.
Deze keer besloot oma, mijn moeder, naar mij toe te komen om op Kylian te passen.
Ik had die dag namelijk geen vrij kunnen krijgen van mijn werk.
Toen ik rond zes uur thuis kwam, zag Kylian er gelukkig al een stukje beter uit.
‘Ik heb de hele middag liedjes gezongen’, vertelde mam. ‘Zo raar, ineens wist ik al die teksten weer van die oud-Hollandse liedjes’.
Die had buurman natuurlijk gespeeld, dacht ik.
Hoewel, nu ik erover nadacht had ik hem al een tijdje niet gehoord.

Mam ging op de fiets naar huis.
Ik ging de feiten nog eens na.
Want het was toch wel vreemd eigenlijk.
Ik had die fluitketel ook al in geen tijden meer gehoord.
En laatst was de sneeuw ook al niet van het stoepje geveegd.
Niet dat dat moet, maar raar was het wel.

En in mijn huis waren de laatste tijd ook al van die vreemde dingen gebeurd.
-Kaarsen die niet uit wilden gaan, of gewoon spontaan weer aangingen.
-een enge steekvlam uit een waxinelichtje van zeker 20 cm hoog.
-de radio die een keer spontaan aan was gegaan.
-de tv idem dito en wel op het sneeuwkanaal.
Dat was een verhaal apart.

Daar was het eigenlijk een beetje mee begonnen.
Die avond was ik op de bank in slaap gevallen.
De tv was niet aan geweest, ik had lekker liggen lezen.
Toen ik sliep droomde dat ik daar lag.
Op die bank.
Alsof de werkelijkheid mijn droom was.
Of mijn werkelijkheid de droom.

Er stak opeens een harde wind op in mijn huis.
Een wind zo sterk dat ik zo vanaf de bank werd gewaaid.
Richting de keuken.
Ik probeerde me aan alles vast te grijpen, maar de wind was eenvoudig te sterk.
Uiteindelijk hield me vast aan mijn saloondeurtjes die tussen de kamer en de keuken hingen.
Terwijl ik horizontaal in de wind hing klapperden al mijn kastjes en pannen.
Uiteindelijk was ik badend in het zweet wakker geworden.
Met de tv dus op zendertje sneeuw.

En dan Kylian.
Deed die ook niet zo raar af en toe? Hij noemde, behalve opa die zijn absolute favoriet was, iedere andere man papa.
Zijn papa zag hij immers ook niet zoveel, dus het woord papa associeerde hij gewoon met een man. Met iedere man.
Soms, als ik hem naar zijn bedje bracht om lekker te ukkele-tukkelen (hoef je niet googelen, is een woord van mij en Kyl) zong ik ‘Mijn grootvaders klok’ voor hem.
Een liedje dat op het repertoire stond van oma, opa maar ook zijn vader zong het wel eens voor hem , maar dan de Engelse versie.
Zodoende kwam ook ik daar niet onderuit.

Op een avond bleef hij na het liedje als gebiologeerd naar de muur kijken die ons scheidde van buurman.
‘Wat zie je dan?’
Kyl wees met zijn handje naar de muur waar niets te zien was, behalve een ingelijste poster van 101 Dalmatiërs, maar daar wees hij niet naar.
Hij wees gewoon naar niets.
‘Papa’.
Ik had een heel naar gevoel gekregen. Een gevoel alsof je bespied wordt.
‘Welnee, daar is niets hoor, geen papa’.
Kyl bleef wijzen. Zeker van zijn zaak.
‘Papa, papa, papa!’
Kyl had ik die nacht bij mij in bed genomen.

Nog zoiets geks. De klok stond al weken stil. Het was best een dure klok geweest. Hij sierde de schoorsteen. Batterijtjes verwisselen hielp niet zodat ik uiteindelijk met mijn klok naar de juwelier Kuijper was gegaan.
‘Niets aan de hand hoor, gewoon het batterijtje’.
Eenmaal thuis had het rotding het gewoon weer vertikt.

Het speelde allemaal door mijn hoofd. Allemaal rare vreemde dingen waar ik verder geen aandacht aan had besteed omdat het gewone leven als werkende meestal alleenstaande moeder al meer dan genoeg energie al opslokte.

Het klopte van geen kant.
‘Ik besloot de jongen van de garage eens te polsen. Daar kenden ze buurman ook wel.
Kyl kon wel heel even alleen in de box.
‘Nee, nou je het zegt’

Samen gluurden we door de vergeelde vitrages naar binnen.
De tv stond aan.
De kachel brandde.
Verder niets.
‘Ik bel de politie’.
De jongen vond dat een goed idee en ging weer aan het werk.

De politiemannen kwamen, belden bij buurman aan, gluurden naar binnen en liepen even later achterom.
Het glas van zijn keukenraam sneuvelde.
Gerinkel.
Dan een ‘Godverdomme’.
Even daarna stond een van de politiemannen over te geven in het rozenplantsoen voor de huisjes.
Ik wist genoeg.

Toen ik Kyl net in zijn bedje had gelegd belde de politie aan.
‘Recherche’.
Wel zitten. Geen koffie.
‘We hebben uw Buurman dood gevonden in de keuken’.
Op nog geen meter afstand waar ik met San pannenkoeken had staan bakken voor onze zoontjes.
Ik had er gezeten.
Naast gezeten.
‘Waarom heb ik niets geroken?’
Ik werd misselijk van de gedachte.
‘Het is koud geweest’.
Kattenpies! Dat had ik geroken. Ik had er zelfs mijn mooie rode hoogpolige kleed voor weggedaan.
De lucht was nog een tijdje blijven hangen.

‘Hij had de dop van de fluitketel in zijn hand’.
Opeens wist ik het weer.
‘Hij had het gas gelukkig nog niet opengedraaid’.
Die avond.
Rond negenen.
Ik lag te lezen in bed.
Baantjer geloof ik.
Toepasselijk.
Een harde bons.
‘Hartaanval vermoedelijk.
De schouwarts is nog bij hem’.

Er volgden veel vragen.
‘Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?’
Opeens schoot mij de kerstkaart te binnen.
Ja, ik wist het zeker, ik had hem gehad!
Toen leefde hij dus nog.

‘Kent u de familie?’
Ik vertelde dat de band niet zo best was.
Verdories, waarom had ik het nou niet goed onthouden.
Waarom waren ze ook al weer in onmin?
‘Zouden we zijn broers hier vanavond mogen ontvangen?’
Ik vond het best.
Ik was benieuwd.

De broers kwamen samen met de schoonzussen.
Al snel was mij duidelijk dat ze mijn buurman nogal beneden hun stand vonden.
Ze hadden hem al zeker een half jaar niet gezien.
‘Contact met moeder heeft hij wel’.
Maar de moeder is ziek en dement, hoor ik even later.

‘Gaat het?’ vraagt de rechercheur als de familie vertrokken is.
Hij geeft me zijn kaartje.
‘Bel maar als je nog wat te binnen schiet. Of als je er gewoon nog even over wilt praten’.

Toen was ik alleen.
Ik belde S.
‘Wil je alsjeblieft bij me komen slapen?’
Ik vertel wat er is gebeurd.
‘It’s to late’.
Ik ging naar boven.
Gewoon
naar bed
terwijl
de stilte naar me schreeuwde
en de atmosfeer me de adem zowat benam.

Alsof ik op de kermis stond, zoveel indrukken kwamen er binnen.
Ik voelde opluchting.
Ik voelde angst.
Het greep me zo bij de keel
dat ik dacht te gaan stikken
Ik knipte het licht weer aan.
Het was rond half twaalf.

Opeens drong het tot me door dat dit niet mijn emoties waren, maar de zijne.
Verdories, al die weken heeft hij gewoon geprobeerd om me te vertellen dat hij daar lag.

Er volgden nog meer emoties.
Boosheid was er een van.
Verwarring een goede tweede.
Beneden klapte er iets tegen het raam van mijn achterdeur.
Diep dook ik weg onder mijn dekbed.
Stel je niet aan.
Uiteindelijk viel ik in een onrustige halfslaap.
Ik droomde dat mijn dekbed boven mij zweefde.
Ik lag naakt.
Met een ruk trok ik mijn dekbed over me heen.
Ik moest hier weg. Nu.

Rond half twee stapte ik uit bed, kleedde me aan, tilde Kyl op uit zijn bedje die -lekker handig- zijn slaapzak al aan had en rende met hem onder mijn arm mijn huis uit.
Met Kyl naast me in zijn stoeltje reed ik langs de Zaan op weg naar mijn ouders.
Trillend als een rietje kwam ik daar aan.
‘Mag ik alsjeblieft hier slapen?’

De dagen daarna zamelde ik bij de buren geld in voor een advertentie.
Ze wilden allemaal horen wat er was gebeurd.

De broers hadden er geen ruchtbaarheid aan willen geven verder.
‘Hij zal in besloten kring worden begraven’.
Een datum heb ik nooit gekregen.
Ik vraag me af of ze er eigenlijk zelf bij zijn geweest.
De volgende dag verscheen de volgende regel in het Noord-hollands Dagblad.
***********************************
“‘Buurman H. rust zacht
Duizend orgels voor jou'”
***********************************

De weken daar na logeerde ik half om half bij de vader van Kyl en mijn ouders.
Als ik af en toe in mijn huisje kwam om iets te halen voelde ik ‘het’ al bij binnenkomst.
Ik was niet alleen. De haartjes op mijn rug en armen stonden als bewijs fier rechtop. De keuken was kouder dan de kamer. Bij de trap was het ook doodeng. Boven had ik het gevoel alsof er iemand tegen me stond te schreeuwen die ik niet kon horen.

‘Ga mee naar Australië. Dan kan Kyl zijn halfzus zien’.
Hoewel de relatie tussen S en mij niet goed was besloot ik mee te gaan.
Ik besefte wel degelijk dat ik op de vlucht was.
Maar voor wat?
Mijn eigen fantasie?

Kylian is twee als we terug komen.
Zijn verjaardag hebben we gevierd met pannenkoeken op Rottnest Island.
Ik besloot dat het maar eens over moet zijn met ‘die onzin’.
Ik liet me toch zeker niet mijn eigen huis uit jagen?

Een collega bracht me in contact met een paragnost die me uitlegde dat de doden nog dezelfde intelligentie hebben als toen ze leefden.
‘Kijk, het is allemaal erg logisch.
Toen hij leefde kwam hij ook bij jou voor hulp.
Dat deed hij toen hij daar dood lag ook’.
Er zat wat in natuurlijk.
‘En nu weet hij het gewoon niet.
Hij ziet geen licht waar hij heen kan, hij begrijpt nog niet dat hij echt dood is.
Je kunt hem helpen door…..’.

Samen met mijn moeder zette ik de volgende dag zeezout in de hoeken.
Alle hoeken. Boven en beneden.
We brandden wierook en zetten daarna alle ramen en deuren open.
Door de schone ramen scheen het zonlicht vrolijk op mijn nieuwe knalgele kussentjes.
Verse bloemen, verse planten, de koelkast was schoon en gevuld.
Chris Rea wisselde Toots af ‘on the beach’.
Een was draaide.
Een pan stond op het vuur.

Maar
alle dingen ten spijt:
Ik deed er geen oog meer dicht.
De energie was zo onvoorstelbaar beladen.
En er gebeurden nog steeds rare dingen.

Ik vluchtte uiteindelijk weer mijn huis uit.
En heb met Kyl een half jaar dan weer bij S. en dan weer bij mijn ouders geslapen
tot ik van de woningbouw vereniging een grote benedenwoning kreeg aangeboden, waar ik met heel veel plezier en zonder lugubere spook-acties heb gewoond tot ik uiteindelijk – samen met Rem- ben verhuisd naar waar we nu wonen.
Een huis wat er overigens ook al langer dan een eeuw staat, maar wat me past me als een comfortabele jas.

Gister passeerde ik de oude groene huisjes langs de Zaan.
Ik reed daar met mijn ouders. We kwamen uit het ziekenhuis.
‘Kijk pap, opgeknapt he?’

Strak in de verf, bijna volledig gerenoveerd stonden Links en Rechts trots naast elkaar, bijna klaar voor de verkoop.
Nee.
Ze worden toch niet gesloopt.
Volgens mij staan ze inmiddels op de monumentenlijst.

Er zullen spoedig weer nieuwe mensen hun intrek nemen.
Nu met cv en geïsoleerde muren.
En tuindeuren zelfs, zag ik laatst.
Het uitzicht vanuit de dakkapel zal nog onveranderd mooi zijn.

Mijn mannetje in de deur stond al te wachten zag ik.
Hij had er zin in volgens mij.
Echter, van de deur van Rechts ontbrak nog steeds ieder spoor.
Al sinds ze onbewoonbaar zijn verklaard, niet lang nadat nadat ik definitief vertrok, staat er slechts een houten plaat voor de deur.
Dicht gespijkerd
genageld of geklonken.
De gordijntjes boven waren inmiddels weg.
Er viel niets meer aan beweging te bespeuren.

Het zag er zo bijna vredig uit.

Advertenties

Spookverhaaltje?

Ergens in Oktober een jaar of wat terug.

‘Hoi mam, hoe is het?’
Een beetje schuldig voel ik me wel, want het is zeker wel een maand geleden dat ik zomaar even spontaan voor de gezelligheid langs ben gekomen
in plaats van het ‘hoi en doei’ wat ik de afgelopen weken zoveel had laten zien bij het ophalen en brengen van Kylian.
‘Goed hoor kind.
Koffie?’

‘Je vader is op de begraafplaats.
Hij zal zo wel komen’.
Het is rotweer buiten.
Met moeite had ik zojuist mijn autodeur dicht kunnen krijgen.
‘Waar hij zin in heeft met dit weer’.
Pap hielp sinds hij met pensioen was als vrijwilliger de oude begraafplaats weer op te knappen.
Een voor een takelde hij daar de grafzerken weer onder de aarde vandaan die in de loop der jaren de oude graven had bedekt.
Een heidens werk was het.
‘Vrijdag is het Lichtjesavond op de begraafplaats’
zegt mam.

‘Gister gebeurde er trouwens iets heel vreemds daar.’
Mijn interesse is direct gewekt.
‘Hoezo?’
Mam pakt haar kopje, en neemt een slok.
‘Vertel, je maakt me nieuwsgierig!’
Ze kijkt op de klok.
‘Hij zal zo wel komen’.

Terwijl ze dit zegt gaat de poort al open.
Ons kent ons.
Daar is hij.
Nat.
Zijn vierkante handen sterk en koud om mijn warme.
‘Hè Nadda, even mijn regenpak uit doen hoor’.

Pap wil ook wel een bakkie.
‘Vrijdagavond moet het af zijn’
vertelt hij.
‘Ja voor Lichtjesavond toch?’

‘Wat was er gister nou gebeurd?’
vraag ik als hij achter zijn koffie zit.
Pap kijkt naar mam.
Gepikeerd.
‘We hadden toch afgesproken dat je niets zou zeggen?’

‘Toe nou pap, vertel’.
Ik dring voorzichtig wat aan.
‘Nou, vertel jij het dan maar, jij bent er ook over begonnen’, zei pap uiteindelijk.

‘Je vader was gister helemaal alleen aan het werk op de begraafplaats’, begint ze.
‘Het waaide gister natuurlijk ook best hard’.
Ze steekt een sigaret op.
‘Hij was bezig met het graf van de familie Laan.
Je kent het misschien wel, dat grote familiegraf met die ketting eromheen en die engel in het midden?’

Ik heb het niet zo op met begraafplaatsen.
Zeg ik.
Pap wel.
Die vind het er zelfs wel fijn geloof ik.
Een paar weken terug had hij
er zelfs met Kylian kastanjes gezocht.
Omgetoverd met wat stokjes en wolletjes in spinnetjes en andere beestjes stonden ze nu gezellig op de rand van de schouw.
Het werk van oma en Kyl.

‘Maar je weet wel wie dat zijn toch?’ Ging ze verder.
‘Zo’n beetje’.
Het was een oude directeuren familie die menig fabriek in de Zaanstreek heeft opgericht.
Deed het ter zake?
‘Vertel verder mam’.

‘Nou, je vader was net bezig met een krik en een liertje om die steen omhoog te krijgen..’
Pap onderbreekt haar.
‘Niet waar, zo was het niet’.
Er volgt een lang, saai en zeer technisch verhaal waar mam en ik de ballen van snappen.

‘In ieder geval, opeens komt die grote stenen engel langzaam naar beneden vallen’.
Het wordt weer spannend.
Ik zie het zo voor me.
‘En toen pap?’
‘Nou, dat zal ik je vertellen.
Met mijn rechter had ik natuurlijk nog dat (….) vast, dus met mijn linker ving ik die engel op.
Maar ik kon natuurlijk geen kant meer op’.
Ik zit inmiddels op het puntje van mijn stoel.
Mam ook.
‘En toen?’

‘Je zal het niet geloven.
Ik zat te denken wat ik nou moest toen er opeens zomaar uit het niets een kerel naast me stond’.
Hij wacht even.
Vragend kijk ik hem aan.
‘Lang en mager.
In een lange zwarte jas.
Met een zwarte baret op’.
Ik schiet in de lach.
‘Echt waar?
Had je die niet zien aankomen dan?’
Pap reageert heftig.
‘Nee, ik weet zeker dat hij er niet was’.
Met zijn knokkels op tafel zet hij zijn woorden kracht bij.
‘Ik was helemaal alleen, echt waar hoor Nadda’.

‘En toen pap?’
‘Nou, toen vroeg die vent of hij mij misschien kon helpen’.
Pap ziet het gebeuren zo te zien weer voor zich.
‘Maar hij sprak ook raar hoor.
Zo deftig’.

‘En? Wat zei je toen?’
Pap is weer terug in het nu.
‘Nou’, zei ik, ‘Graag meneer’.
‘Als u nou effe die engel tegenhoudt dan kan ik (…) ‘
Zo gezegd zo gedaan.
‘Aardige vent, zeer beleefd’.

‘Jee, wat een geluk dat die man net langs kwam pap’.
Dan schuift ook pap weer naar het puntje van zijn stoel.
‘Maar weet je wat nou zo raar was Nadda?’
Ik voel hem al aankomen.
‘Op het moment dat ik die vent wil bedanken is hij gewoon weg.
Helemaal weg.
Dat kon helemaal niet.
Ik dus zoeken’.
Hij tikt weer op tafel.
‘Helemaal weg-was-die!’
Dan laat hij zich met zijn handen omhoog achterover vallen in zijn stoel.

‘Vast een geest geweest pap’.
Mam valt me bij.
‘Ja, dat zei ik ook al.
Vast een Laantje’.

Pap wordt een beetje boos.
‘Nou zie je nou?
Ik zei toch, hou je mond er nou over?’

Mam en ik schieten onbedaarlijk in de lach.
Pap gaat een broodje maken.

‘Jullie altijd met die onzin.
Spoken bestaan gewoon niet!’

Maar raar was het wel.
Dat wel.
‘Heel raar’.

Rode wijn met spruitjes

San en ik besluiten net om wijntje nummer drie op een zonnig en behaaglijk terras op de Dam te bestellen als ik twee gemiste oproepen zie.
‘Shit’.

‘Mam, oma heeft gebeld, opa is helemaal niet lekker, hij moet steeds overgeven’.
Ik bel haar snel terug.
Dokter is al geweest verteld ze.
Huisarts X dit keer.
Spruitje was te druk.
Nu moet je weten dat ik niet al te veel vertrouwen stel in dr.X
En mijns inzien niet geheel ongegrond.

Immers, mijn vader heeft haar
(voorheen zijn eigen huisarts) al meerdere keren bezocht met zijn darmklachten die door haar iedere keer weer werden afgedaan als zijnde prostaatklachten.
Tja, en als de dokter dat zegt…

Van een afsluitend gesprek met haar heeft hij afgezien.
‘Laat het maar rusten. Wat heb ik er nou nog aan? Ze deed het vast niet expres’.

Ik draai mijn wijn rond in mijn glas.
Verdories, ik zit hier zo lekker.
‘Wil je dat ik nu kom mam?’
Nee, dat hoeft niet.
‘Morgen komt de dokter weer even kijken’.
Ze zucht er van.
Het is me ook wat allemaal.
‘Blijf maar lekker daar hoor kind, en doe de groetjes aan San’.

Als ik wakker wordt bel ik gelijk de praktijk.
Ja, mijn lab-uitslagen zijn inmiddels binnen.
‘De dokter belt u straks zelf wel even’.
Ik vraag de assistente of ze ook kan zien hoe laat Spruitje langs gaat bij me ouders.
‘Ik zie niets staan hoor, in zijn agenda’.
We spreken af dat dokter om 13:00 even langs gaat en ik haar zal bellen als ik het straks niet vertrouw.

Om half elf ben ik er.
Mam doet open.
Pap zit op de bank in zijn pyama.
‘Hoi pap’.
Hij lijkt langs me heen te kijken.
Ik zwaai mijn handen voor zijn ogen.
‘O hallo Nadda’.

‘Het gaat slecht’
zegt hij, en zijn bleke gezicht beaamt dat volmondig.
Maar gisteravond heeft hij toch nog een beetje yoghurt gegeten.
‘Maar zijn bloedsuiker was gisteravond 4.4’ verteld mam.
Ik schrik.
‘Dat is toch helemaal niet goed?’
Ze verteld dat ze van dr. X de huisartsenpost moest bellen als hij onder de 5. of boven de 15 kwam.
‘En? Wat zeiden ze daar?’
‘Nou, ik heb ze niet gebeld want het bandje bij de huisarts ging veel te snel en ik trilde zo dat ik het nummer niet kon opschrijven’.

Mijn mobiel had ze geprobeerd.
Ik had hem weer niet gehoord.
Niet zo gek als het geluid uit staat.
Wat dom van me.
Ons thuisnummer had ze niet gebeld.
Had ze niet aan gedacht.
‘Pap heeft toen maar wat bij gespoten’.

Op dat moment rinkelt de telefoon.
Het is dr. spruitje himself!
-Gelukkig-

Pap doet een nogal wazig verslag.
En verteld dat zijn beschuitje er in is gebleven.
‘7.4’ antwoord hij als we het over de bloedsuikers gaan hebben.
Mam neemt de hoorn even over en verteld over gisteravond.
‘Dat mag u nooit meer doen hoor, u had wel een hypo kunnen krijgen’.
Ze spreken af dat ze direct zullen bellen als pap weer spuugt.
En dokter belt vanmiddag ook nog even.

‘Ik had wel dood kunnen zijn’ zegt pap als hij neer heeft gelegd.
Ik voel me schuldig omdat
ik ondertussen lekker in Zaandam aan mijn wijn zat te lurken.
Met koeien letters schrijf ik het nummer van de huisartsenpost op het blaadje naast de telefoon.

Dan gaat mijn mobiel.
Wat verrassend: dr. Spruitje.
Terwijl pap wat kreunt en steunt op de achtergrond nemen we mijn labuitslagen door.
‘Geen Lyme, maar dat wil niet zeggen dat…’
Hij zal een second opinion aanvragen in Woerden.
‘Of weet u een goede hier meer in de buurt’.
Hij zegt dat ik dan bij ‘Reade’ terecht komen waar de reumatoloog die mij nu heeft beoordeeld ook bij aangesloten is.
‘Niet echt een Second Opinion dan’.
Nee, ik hoef niet te bellen.
Uitnodiging valt vanzelf op de mat.
‘Verwijzing en relevante informatie ligt vanmiddag klaar bij de balie’.

Elf uur.
Daar is de thuiszorg.
Fijn dat er toch nog even iemand komt met een beetje verstand van zaken die hem ook even kan beoordelen.
Ik ga ondertussen boodschappen doen.
Voor mij en voor mam die ook niet lekker is.
Als extra koop ik bietensap en opkikker voor pap en Ferro roosvicee, verse jus, bananen en chocolademelk met slagroom voor mam.

Als ik terugkom is de thuiszorg net weg.
Pap eet twee beschuitjes – op hoop van zegen.
Na een glaasje water vertrek ik weer.
‘Boodschappen opruimen, en even zuigen’.
Ze belooft me te bellen als het niet gaat of pap spuugt.
‘Dan zal hij wel weer naar het ziekenhuis moeten denk ik mam’.

Om half drie belt ze.
Ik schrik.
Nee toch?
Maar gelukkig geen slecht nieuws.

‘Dokter is geweest’.
Ze klinkt wat beter.
‘Best lang hoor,
en hij heeft een lijstje achter gelaten met wat ik moet doen en wie ik moet bellen ‘in geval van’.
Wat ben ik weer blij met hem.

Thuis kruip ik met warme chocolademelk en speculaas op de bank en kijk ik ‘de Dikkertjes’ van gisteren terug.
Daarna ‘Robinson’.
Even rust in de tent.
Ik mag het hele weekend weer werken.

Drie maal raden wat we vanavond eten.
Ze staan al klaar in de pan,
-Overigens zonder kruisjes in hun kont-.)

Koken met klunzen: Tonijn A la Narda

Zojuist kwam ik op de blog van Ingrid een ommeletrecept tegen zonder toeters en bellen.
Nou moet je weten dat ik (ook) gek ben op recepten die makkelijk en snel te bereiden zijn.

Zoals bijvoorbeeld mijn geheime, zelfverzonnen, onovertrefbare, tongstrelende, enzovoorts:

‘Tonijn A la Narda’
Of ‘tonijn Beaunino’.
Ook best leuk.
Je komt er wel uit.

Nodig:
-10 velletjes bladerdeeg (zou absoluut de roombotervariant nemen)
-2 blikjes tonijn in groenten
-1 klein blikje mais
-1 ei

Eventueel:
-knoflook
-beetje Vietnamese loempiasaus
-wat gedroogd groens voor door je eitje.

Bereiding:
1. Zet de bladerdeeg plakjes op hun zijkant tegen je rechthoekige bakblik om te ontdooien.

2. Flikker de inhoud van de drie blikjes bij elkaar, voeg eventueel nog wat van dat ‘eventueels’ toe.

3. Klop het ei.
Eventueel met wat van dat gedroogd groens als je uit wilt pakken.

4. Leg de bladerdeeg plakjes op de bodem van je blik.
Let op: Wel eerst even de papieren velletjes verwijderen!!

5. Pleur de tonijnsmurrie erover.

6. Pak je pizza snijder en snij de overige velletjes in reepjes van een halve cm (of zo) tot 1 cm van de rand.

7. Dek hiermee de smurrie af.

8. Strijk het losgeklopte ei erover.

9. Minuut of 20 op 200 graden.
Zelf kijk ik af en toe even.
Bruin korstje = klaar.

10. (Voor als je een keer echt iets hebt goed te maken):
Snij een tomaat in plakjes en leg deze dakpansgewijs op het bord.

Ben benieuwd of jullie het eens gaan proberen. En dan met name natuurlijk of jullie het ook ze lekker vonden.
Maar HO!
STOP!!
Voor jullie nou massaal met z’n allen naar de supermarkt rennen…

Wat is jullie favoriete snelle makkelijke recept?

Grand theft auto 5

Kylian zijn fiets staat nog precies zo voor het keukenraam als waar hij hem gistermiddag heeft geparkeerd.
Ik raap de post van de mat en leg mijn sleutels op het aanrecht.
Verdories.
Had hij nou niet even?
En die theeglazen staan er ook nog.

‘Kyyyyyl?’
Ik hoor boven sirenes en
gierende autobanden.

Drie hongerige katten dralen om mijn voeten.
Haan Lummel priemt door het zijraam met zijn ene oogje hongerig naar binnen.

‘Verdories KYYL!’

Boos hang ik mijn tas aan de trap.
De sirenes stoppen.
Dan opent een deur.
Zijn deur.
‘O, hoi mam, ben je al thuis?’

‘Al?’
Het is vijf over vijf.
Ja gister was het pas zes uur.
Dat is waar.
‘Kom jij eens naar beneden vakantieganger’.
Dat dat nou weer zo moet.
Bah!
Zo geen zin in nu.
‘Nee, niks ‘ja maar’. NU!!’

‘Had je niet even….?’
‘Hebben de kippen…?’
‘Toch een kleine moeite om…’

Kyl gaat sla halen voor de kippen.
‘Sorry mam’.
Hij pakt mijn portemonnee.
‘Daar komt buurman aan’.
Kyl laat hem binnen.
Die komt iets vertellen
zie ik direct.

‘Wilt u koffie?’
Dat hoeft niet.
Maar we gaan wel even aan tafel zitten.

‘Heb je nog wat nodig mam?’
Buurman ziet bleekjes
‘Behalve sla?’
En mager.
‘Nee, ga maar snel’.

Dan hoor ik woorden
die ik niet wil horen.
‘Tumor’
‘Darm’
‘Scan’
en zie ik de rode randen
om zijn ogen.
‘Hoe gaat het met buurvrouw?’
Buurvrouw kan alleen maar huilen.

Ik zet mijn stem op standje bas en draai het volume wat omhoog.
‘1 van uw kinderen moet maandag met u mee gaan hoor buurman’.
Zijn kinderen werken dan
of hebben geen rijbewijs.
Morgen gaat hij alleen.
Alleen naar de ct scan.
Arme dappere oude buurman.

Buurman vertrekt.
Ik geef zijn lange magere lijf onhandig een knuffel.
‘Maandag kom ik even bij u langs hoor’.

Dan belt Rem.
‘Het wordt wel negen uur vanavond.
Gaan jullie maar vast eten’

Kyl is al weer terug
met de sla.
Hij zet zijn fiets netjes in de schuur.

Eerst de katten maar.
Shit.
Kattenvoer op.
‘Ik vroeg het nog zo mam…’
Ik vul de bordjes met harde brokken
En besluit dat ik absoluut geen zin heb in roerbakgroenten zonder Rem.

‘We gaan wat bestellen.’
Kyl is wel in voor een
vette hap.
Samen snorren we ons laatste contante centjes bijeen.
Dertientachtig.
‘Zullen we wachten
tot we echt honger krijgen?’

De sirenes loeien alweer.
Na mijn bad ga ik maar eens kijken
of ik ook eens mag.

‘Tuurlijk mam’.
Hij schuift een stukje op en klopt op zijn bed.
‘Ga maar lekker zitten.’
Kyl ‘cheet wel even 5 minuten levens’ voor me
zegt hij,
samenzweerderig.
En een sportvliegtuig.
‘Of heb je liever een Lamborghini?’

Bram komt luidkeels klagen
over koude saaie harde brokken.
‘Vandaag eet je verder niets Bram.
Vandaag ben je na-me-lijk-op di-eet!
Net als baasje’
We schieten in de lach.
Bram kijkt boos
en druipt af.

Dan ren ik in een stoer pakje door de virtuele stad.
Maai hier een voetganger neer met mijn rechtse, sla daar voor de aardigheid wat verkeersborden in elkaar, gooi wat granaten naar de politie en en steel een motor op de vlucht voor ik uiteindelijk met mijn vliegtuig het reuzenrad van Los Santos ram…

Kyl kijkt me zijdelings onderzoekend aan.
Bram stampt op en neer op de trap.
Spook wil water vers uit de tap
en Minoes naar buiten.

‘Je mag best nog wel een keer hoor mam.’