(Zeer lang uitgevallen) Spookverhaaltje

Ergens langs de rivier de Zaan staan sinds jaar en dag twee donkergroene houten huisjes. Arbeidershuisjes.
Ze horen bij elkaar. Het linker heeft alleen het huisnummer, het rechter nog de toevoeging ‘A’.
Ik zal ze Links en Rechts noemen.

Er hebben natuurlijk al heel veel mensen in de huisjes gewoond.
Er zijn mensen geboren en mensen overleden.
Dat voel je ook als je er binnen komt.
Nou ja. Ik wel.
Ik geloof dat er ooit een groenteboer met zijn grote gezin woonde, en later een van de broers van het leuke winkeltje op de Zaanweg.
Tenminste dat heb ik van horen zeggen.
Weet niet meer van wie.

Op een goede dag mocht ik huisje links het mijne gaan noemen.
‘Eigenlijk staat het op de nominatie voor de sloop, maar tot die tijd mag jij er dan wel wonen’, zei de directeur van de Woningbouwvereniging die bevriend was met mijn ex.
We gingen na zes jaar samen weer ieder ons weegs.
Ik was 26.

Op een ochtend waren mijn ex M. en ik aan het klussen in mijn nieuwe huisje toen er opeens een man in de woonkamer stond.
‘Wie bent u?
En wat doet u hier?’ vroeg ik door mijn schrik nogal bits.
Hij keek me lang aan voor hij iets zei.
Lichtblauwe waterige ogen.
Grijs haar. Met wat geel.
Hij stonk
‘Ik ben uw buurman’
naar drank
naar zware shag
naar heel lang ongewassen.
En klonk als een vonnis.

M. verscheen op het toneel met uitgestoken hand.
‘Goeiendag, en u bent?’
Met schijnbaar tegenzin liet buurman mijn ogen los.
Toen was het mijn beurt.
Ik wilde niet.
Een weke koude hand greep de mijne
en hield hem vast
‘Ik ben H.’
tot ik hem resoluut terug trok.

‘Getsie M., wat een engerd.
Ik weet niet of ik hier nog wil gaan wonen hoor’, zei ik terwijl
ik mijn handen goed onder de hete kraan waste.
‘Ah, je moet gewoon ook de deur op slot draaien’.

Ja, want zo’n huisje was het.
Met een ouderwetse voordeur met een klink en een grote oude sleutel.
Het was een authentiek Zaanse deur met een raampje en een klein kunstig wit smeedijzeren luikwerkje daarvoor met de afbeelding van een mannetje die leunde op een paraplu of zo. ‘Mijn man die altijd thuis op mij wacht’, zo stelde ik hem wel eens voor aan mijn gasten.

Achter de voordeur bevond zich een lange gang met een lambrisering van witte schrootjes die een beetje afliep.
Je rolde bij wijze van spreken zo naar binnen.
Aan het einde van de gang was een diepe okergele kast onder de trap.
Vlak voor het einde kon je links de woonkamer in.

Net als de hal liep ook de woonkamervloer af richting de keuken die aan de achterkant zat.
In de keuken stond een pieplein zwart opklapbaar tafeltje met twee stoelen.
Het gasfornuis stond onder een oud schouwtje.
Door de keuken kwam je – rechtsaf- in de bijkeuken waar mijn wasmachine en koelkast stonden. Ook was daar een douche, de achterdeur die toegang gaf tot het kleine plaatsje waar mijn hangmat hing, en de enge steile houten trap naar boven.

In mijn grote slaapkamer zat een dakkapel. Van daar had ik een fantastisch uitzicht over de Zaan en zijn boten.
Mijn bed stond onder het schuine dak naast het zijraam, dat uit keek op het golfplaten asbest dakje van het steegje van mijn buren aan de andere kant. Als ik tenminste de luxaflexjes opende. Isolatie had het huisje niet. Het kozijn van dat raam was rot. Op een goede dag prikte ik zo met mijn vingers door het hout. Tussen de binnenmuur van hardboard en de houten buitenmuur zat een ruimte van 2 cm.
In de loop der jaren heb ik deze muur eigenhandig geïsoleerd met plastic zakken van de Dekamarkt.

Boven was nog een klein kamertje met een piepklein deurtje waarvoor zelfs mijn moeder moest bukken. Eerst was dit mijn wasdroog-kamer, later hebben mijn vader en ik het kamertje met indianenrood en gatenkaasgeel omgetoverd in een fleurig ‘Paddington’ babykamertje. Kyls ledikantje stond onder het dakraam zodat hij – als ik tenminste het gordijntje openschoof- kon kijken naar de sterretjes. -Nou, zeg nou zelf, welke baby heeft dat nou?-
Boven had ik geen water. (Wat best wel om te janken lastig was in geval van spuit luiers)
De gaskachel stond in de woonkamer. De zwarte hoekbank van de ‘Supermeubel’ voor het raam.

Ik raakte geleidelijk gewend aan de buurman en gehecht aan mijn huisje. Met kerst kreeg ik altijd een handgeschreven kaart van hem terug waar hij met grote onhandige letters zijn naam op had geschreven.
Als er sneeuw lag veegde hij mijn straatje.
Het een was gewoon onlosmakelijk verbonden met het ander.
Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat de huisjes natuurlijk enorm gehorig waren met die flinterdunne muurtjes:
Zijn fluitketel zong ’s avonds rond negenen.
En iedere ochtend rond elven werd mijn huis gevuld met de klanken van zijn orgelmuziek.
Allemaal lang vergeten oud Hollandse deuntjes.

De winters waren er koud en nat.
In januari ’95 stond het water in de Zaan zo hoog dat ik amper durfde te gaan slapen.
Doordat de houten muren erg veel vocht opnamen, bevroren ze tijdens de vorstperiode die daarop volgde.
Eenmaal ontdooit vielen er grote stukken stukwerk van de muur. Om die grote kale plekken schilderde ik gouden randjes alsof het wolken waren.

In december 1996 was het zo koud dat mijn leidingen bevroren. Ik kon niet meer wassen en niet meer plassen zeg maar.
Ik was zes maanden zwanger en de meeste tijd alleen. (Maar dat is een heel ander verhaal).
’s Avonds vulde ik mijn grote soeppan met water en zette hem op de kachel zodat ik ’s morgens warm water had om me te wassen.
Met mijn dikke buik onder een deken en de gebreide pantoffels aan mijn voeten die ik van mijn oma had gekregen, zag ik toe hoe in de vroege ochtend van 4 januari ’97 duizenden mannen met de schaatsen in hun hand een weg baanden naar de Dokkumer Ee. Liters warme anijsmelk verslond ik die winter, afgewisseld met warme zelfgemaakte chocolademelk om maar enigszins warm te blijven in mijn tochtige houten huisje.

Begin april ’97 werd Kylian geboren.
Natuurlijk nodigde ik buurman uit voor de kraamvisite.
Zenuwachtig draaide hij een shaggie.
‘Als u even kunt wachten buurman dan leg ik hem eerst even in zijn bedje hoor’
Hij had niets op met baby’s, dat zag ik al snel.
Zelf was hij al jaren alleen, nooit getrouwd geweest, geen kinderen, vertelde hij even later, toen Kyl veilig en wel tussen de lakentjes lag.
Nee werken deed hij ook al jaren niet meer.
‘Drank’.
Hij had jaren gewerkt bij de Vlaar enveloppen.
‘Wat kunt u trouwens prachtig orgel spelen buurman’.
Voor de eerste keer zie ik hem verlegen lachen.
Had hij mij even mooi tuk:
‘Dabennik nie, dassain kassettu-bandjusss!’

Na mijn verlof ging ik weer aan de slag. Ik werkte toen 24 uur, maar wel verdeeld over vier dagen. Met mijn reistijd erbij opgeteld was ik best wel veel weg.
Buurman sprak ik sporadisch.
Mijn oude autootje stond in de zijstraat links zodat ik eigenlijk nooit zijn huis passeerde. En hoewel ik recht van overpad had, maakte ik daar nooit gebruik van, mijn fiets stond in de gang. (Ja, het was een beetje een ‘Pippi’ huisje).
Maar een enkele keer had hij mij nodig voor het een of het ander.
Meestal maakte hij dit kenbaar door een enkele harde bons op het raam te geven ondanks mijn herhaaldelijk ‘Dat moet u nu niet meer doen hoor, ik schrik me iedere keer het leplazarus’.

Op een zekere zondag avond was hij een beetje in paniek.
‘Kom even binnen buurman’.
Het was rond een uur of negen. Het regende en het was donker. Kylian lag boven te slapen.
‘Wat is er aan de hand?’
Met zijn gele vingers probeerde hij een shaggie te draaien.
Het lukte niet.
‘Kom maar’.
Zoiets verleer je nooit.
‘Ik ben mijn huissleutels kwijt’.
Hij inhaleerde diep de rook.
‘Heeft er iemand reserve sleutels?’
Die had zijn moeder, maar die zat in het verpleeghuis in Zaandam.
‘En de sleutel van mijn brommer zat erán’.
Ik dacht even na.
‘Heeft u geen andere familie die u even naar Zaandam kan brengen?’
Ik was echt niet van plan om de deur uit te gaan nu Kylian boven sliep.
‘Ik heb twee broers maar die willen me niet meer zien…..kouwe kak’
Ik bood aan de politie te bellen.
Zelf had hij geen telefoon.
Dat leek hem wel wat.

‘Nee, mevrouw, dat doen wij niet, maar als u nou even ‘dit en dat nummer’ belt dan komen ze zo langs.
Ja, dat moet hij wel betalen’.

Dat laatste was niet naar de zin van buurman.
‘Weet u buurvrouw, de wc zit bai mai aan de zaikant. En daar zit een raampje boven waar jaj misschien wel door ken’.
Ik liet me overhalen om even te gaan kijken.
‘Sorry buurman, nee.
Dat is veel te gevaarlijk, daar begin ik niet aan’.
Ik had eigenlijk allang al in mijn bed willen liggen in plaats van hier in de regen te staan.
Toch maar doen dan?
Nee.
Stel je voor dat ik mijn been zou breken?
Ligt Kyl alleen.
Buurman weet echt niet wat hij moet doen dan.
Ik nam afscheid.
‘We kunnen dat nummer bellen, u kunt de bus nemen naar uw moeder in Zaandam. Verder weet ik het ook niet hoor’.

Even later hoorde ik een harde bons op de vloer. Hij was kennelijk geland.
Hopelijk niet in de pot.
Vlak daarna volgde de bekende bons op mijn raam.
‘Het is gelukt hoor!’
Godzijdank.

Ik denk dat het niet veel weken later was toen ik wederom werd opgeschrikt door een harde bons op de vloer.
Ik lag in bed te lezen.
‘Wat krijgen we nou weer?’
Er volgde geen bons op het raam.
Zeker dronken.
Even later was ik gaan slapen en vergat ik het hele voorval.

Eind februari ’99 werd Kylian ziek.
Hij had oorpijn.
Deze keer besloot oma, mijn moeder, naar mij toe te komen om op Kylian te passen.
Ik had die dag namelijk geen vrij kunnen krijgen van mijn werk.
Toen ik rond zes uur thuis kwam, zag Kylian er gelukkig al een stukje beter uit.
‘Ik heb de hele middag liedjes gezongen’, vertelde mam. ‘Zo raar, ineens wist ik al die teksten weer van die oud-Hollandse liedjes’.
Die had buurman natuurlijk gespeeld, dacht ik.
Hoewel, nu ik erover nadacht had ik hem al een tijdje niet gehoord.

Mam ging op de fiets naar huis.
Ik ging de feiten nog eens na.
Want het was toch wel vreemd eigenlijk.
Ik had die fluitketel ook al in geen tijden meer gehoord.
En laatst was de sneeuw ook al niet van het stoepje geveegd.
Niet dat dat moet, maar raar was het wel.

En in mijn huis waren de laatste tijd ook al van die vreemde dingen gebeurd.
-Kaarsen die niet uit wilden gaan, of gewoon spontaan weer aangingen.
-een enge steekvlam uit een waxinelichtje van zeker 20 cm hoog.
-de radio die een keer spontaan aan was gegaan.
-de tv idem dito en wel op het sneeuwkanaal.
Dat was een verhaal apart.

Daar was het eigenlijk een beetje mee begonnen.
Die avond was ik op de bank in slaap gevallen.
De tv was niet aan geweest, ik had lekker liggen lezen.
Toen ik sliep droomde dat ik daar lag.
Op die bank.
Alsof de werkelijkheid mijn droom was.
Of mijn werkelijkheid de droom.

Er stak opeens een harde wind op in mijn huis.
Een wind zo sterk dat ik zo vanaf de bank werd gewaaid.
Richting de keuken.
Ik probeerde me aan alles vast te grijpen, maar de wind was eenvoudig te sterk.
Uiteindelijk hield me vast aan mijn saloondeurtjes die tussen de kamer en de keuken hingen.
Terwijl ik horizontaal in de wind hing klapperden al mijn kastjes en pannen.
Uiteindelijk was ik badend in het zweet wakker geworden.
Met de tv dus op zendertje sneeuw.

En dan Kylian.
Deed die ook niet zo raar af en toe? Hij noemde, behalve opa die zijn absolute favoriet was, iedere andere man papa.
Zijn papa zag hij immers ook niet zoveel, dus het woord papa associeerde hij gewoon met een man. Met iedere man.
Soms, als ik hem naar zijn bedje bracht om lekker te ukkele-tukkelen (hoef je niet googelen, is een woord van mij en Kyl) zong ik ‘Mijn grootvaders klok’ voor hem.
Een liedje dat op het repertoire stond van oma, opa maar ook zijn vader zong het wel eens voor hem , maar dan de Engelse versie.
Zodoende kwam ook ik daar niet onderuit.

Op een avond bleef hij na het liedje als gebiologeerd naar de muur kijken die ons scheidde van buurman.
‘Wat zie je dan?’
Kyl wees met zijn handje naar de muur waar niets te zien was, behalve een ingelijste poster van 101 Dalmatiërs, maar daar wees hij niet naar.
Hij wees gewoon naar niets.
‘Papa’.
Ik had een heel naar gevoel gekregen. Een gevoel alsof je bespied wordt.
‘Welnee, daar is niets hoor, geen papa’.
Kyl bleef wijzen. Zeker van zijn zaak.
‘Papa, papa, papa!’
Kyl had ik die nacht bij mij in bed genomen.

Nog zoiets geks. De klok stond al weken stil. Het was best een dure klok geweest. Hij sierde de schoorsteen. Batterijtjes verwisselen hielp niet zodat ik uiteindelijk met mijn klok naar de juwelier Kuijper was gegaan.
‘Niets aan de hand hoor, gewoon het batterijtje’.
Eenmaal thuis had het rotding het gewoon weer vertikt.

Het speelde allemaal door mijn hoofd. Allemaal rare vreemde dingen waar ik verder geen aandacht aan had besteed omdat het gewone leven als werkende meestal alleenstaande moeder al meer dan genoeg energie al opslokte.

Het klopte van geen kant.
‘Ik besloot de jongen van de garage eens te polsen. Daar kenden ze buurman ook wel.
Kyl kon wel heel even alleen in de box.
‘Nee, nou je het zegt’

Samen gluurden we door de vergeelde vitrages naar binnen.
De tv stond aan.
De kachel brandde.
Verder niets.
‘Ik bel de politie’.
De jongen vond dat een goed idee en ging weer aan het werk.

De politiemannen kwamen, belden bij buurman aan, gluurden naar binnen en liepen even later achterom.
Het glas van zijn keukenraam sneuvelde.
Gerinkel.
Dan een ‘Godverdomme’.
Even daarna stond een van de politiemannen over te geven in het rozenplantsoen voor de huisjes.
Ik wist genoeg.

Toen ik Kyl net in zijn bedje had gelegd belde de politie aan.
‘Recherche’.
Wel zitten. Geen koffie.
‘We hebben uw Buurman dood gevonden in de keuken’.
Op nog geen meter afstand waar ik met San pannenkoeken had staan bakken voor onze zoontjes.
Ik had er gezeten.
Naast gezeten.
‘Waarom heb ik niets geroken?’
Ik werd misselijk van de gedachte.
‘Het is koud geweest’.
Kattenpies! Dat had ik geroken. Ik had er zelfs mijn mooie rode hoogpolige kleed voor weggedaan.
De lucht was nog een tijdje blijven hangen.

‘Hij had de dop van de fluitketel in zijn hand’.
Opeens wist ik het weer.
‘Hij had het gas gelukkig nog niet opengedraaid’.
Die avond.
Rond negenen.
Ik lag te lezen in bed.
Baantjer geloof ik.
Toepasselijk.
Een harde bons.
‘Hartaanval vermoedelijk.
De schouwarts is nog bij hem’.

Er volgden veel vragen.
‘Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?’
Opeens schoot mij de kerstkaart te binnen.
Ja, ik wist het zeker, ik had hem gehad!
Toen leefde hij dus nog.

‘Kent u de familie?’
Ik vertelde dat de band niet zo best was.
Verdories, waarom had ik het nou niet goed onthouden.
Waarom waren ze ook al weer in onmin?
‘Zouden we zijn broers hier vanavond mogen ontvangen?’
Ik vond het best.
Ik was benieuwd.

De broers kwamen samen met de schoonzussen.
Al snel was mij duidelijk dat ze mijn buurman nogal beneden hun stand vonden.
Ze hadden hem al zeker een half jaar niet gezien.
‘Contact met moeder heeft hij wel’.
Maar de moeder is ziek en dement, hoor ik even later.

‘Gaat het?’ vraagt de rechercheur als de familie vertrokken is.
Hij geeft me zijn kaartje.
‘Bel maar als je nog wat te binnen schiet. Of als je er gewoon nog even over wilt praten’.

Toen was ik alleen.
Ik belde S.
‘Wil je alsjeblieft bij me komen slapen?’
Ik vertel wat er is gebeurd.
‘It’s to late’.
Ik ging naar boven.
Gewoon
naar bed
terwijl
de stilte naar me schreeuwde
en de atmosfeer me de adem zowat benam.

Alsof ik op de kermis stond, zoveel indrukken kwamen er binnen.
Ik voelde opluchting.
Ik voelde angst.
Het greep me zo bij de keel
dat ik dacht te gaan stikken
Ik knipte het licht weer aan.
Het was rond half twaalf.

Opeens drong het tot me door dat dit niet mijn emoties waren, maar de zijne.
Verdories, al die weken heeft hij gewoon geprobeerd om me te vertellen dat hij daar lag.

Er volgden nog meer emoties.
Boosheid was er een van.
Verwarring een goede tweede.
Beneden klapte er iets tegen het raam van mijn achterdeur.
Diep dook ik weg onder mijn dekbed.
Stel je niet aan.
Uiteindelijk viel ik in een onrustige halfslaap.
Ik droomde dat mijn dekbed boven mij zweefde.
Ik lag naakt.
Met een ruk trok ik mijn dekbed over me heen.
Ik moest hier weg. Nu.

Rond half twee stapte ik uit bed, kleedde me aan, tilde Kyl op uit zijn bedje die -lekker handig- zijn slaapzak al aan had en rende met hem onder mijn arm mijn huis uit.
Met Kyl naast me in zijn stoeltje reed ik langs de Zaan op weg naar mijn ouders.
Trillend als een rietje kwam ik daar aan.
‘Mag ik alsjeblieft hier slapen?’

De dagen daarna zamelde ik bij de buren geld in voor een advertentie.
Ze wilden allemaal horen wat er was gebeurd.

De broers hadden er geen ruchtbaarheid aan willen geven verder.
‘Hij zal in besloten kring worden begraven’.
Een datum heb ik nooit gekregen.
Ik vraag me af of ze er eigenlijk zelf bij zijn geweest.
De volgende dag verscheen de volgende regel in het Noord-hollands Dagblad.
***********************************
“‘Buurman H. rust zacht
Duizend orgels voor jou'”
***********************************

De weken daar na logeerde ik half om half bij de vader van Kyl en mijn ouders.
Als ik af en toe in mijn huisje kwam om iets te halen voelde ik ‘het’ al bij binnenkomst.
Ik was niet alleen. De haartjes op mijn rug en armen stonden als bewijs fier rechtop. De keuken was kouder dan de kamer. Bij de trap was het ook doodeng. Boven had ik het gevoel alsof er iemand tegen me stond te schreeuwen die ik niet kon horen.

‘Ga mee naar Australië. Dan kan Kyl zijn halfzus zien’.
Hoewel de relatie tussen S en mij niet goed was besloot ik mee te gaan.
Ik besefte wel degelijk dat ik op de vlucht was.
Maar voor wat?
Mijn eigen fantasie?

Kylian is twee als we terug komen.
Zijn verjaardag hebben we gevierd met pannenkoeken op Rottnest Island.
Ik besloot dat het maar eens over moet zijn met ‘die onzin’.
Ik liet me toch zeker niet mijn eigen huis uit jagen?

Een collega bracht me in contact met een paragnost die me uitlegde dat de doden nog dezelfde intelligentie hebben als toen ze leefden.
‘Kijk, het is allemaal erg logisch.
Toen hij leefde kwam hij ook bij jou voor hulp.
Dat deed hij toen hij daar dood lag ook’.
Er zat wat in natuurlijk.
‘En nu weet hij het gewoon niet.
Hij ziet geen licht waar hij heen kan, hij begrijpt nog niet dat hij echt dood is.
Je kunt hem helpen door…..’.

Samen met mijn moeder zette ik de volgende dag zeezout in de hoeken.
Alle hoeken. Boven en beneden.
We brandden wierook en zetten daarna alle ramen en deuren open.
Door de schone ramen scheen het zonlicht vrolijk op mijn nieuwe knalgele kussentjes.
Verse bloemen, verse planten, de koelkast was schoon en gevuld.
Chris Rea wisselde Toots af ‘on the beach’.
Een was draaide.
Een pan stond op het vuur.

Maar
alle dingen ten spijt:
Ik deed er geen oog meer dicht.
De energie was zo onvoorstelbaar beladen.
En er gebeurden nog steeds rare dingen.

Ik vluchtte uiteindelijk weer mijn huis uit.
En heb met Kyl een half jaar dan weer bij S. en dan weer bij mijn ouders geslapen
tot ik van de woningbouw vereniging een grote benedenwoning kreeg aangeboden, waar ik met heel veel plezier en zonder lugubere spook-acties heb gewoond tot ik uiteindelijk – samen met Rem- ben verhuisd naar waar we nu wonen.
Een huis wat er overigens ook al langer dan een eeuw staat, maar wat me past me als een comfortabele jas.

Gister passeerde ik de oude groene huisjes langs de Zaan.
Ik reed daar met mijn ouders. We kwamen uit het ziekenhuis.
‘Kijk pap, opgeknapt he?’

Strak in de verf, bijna volledig gerenoveerd stonden Links en Rechts trots naast elkaar, bijna klaar voor de verkoop.
Nee.
Ze worden toch niet gesloopt.
Volgens mij staan ze inmiddels op de monumentenlijst.

Er zullen spoedig weer nieuwe mensen hun intrek nemen.
Nu met cv en geïsoleerde muren.
En tuindeuren zelfs, zag ik laatst.
Het uitzicht vanuit de dakkapel zal nog onveranderd mooi zijn.

Mijn mannetje in de deur stond al te wachten zag ik.
Hij had er zin in volgens mij.
Echter, van de deur van Rechts ontbrak nog steeds ieder spoor.
Al sinds ze onbewoonbaar zijn verklaard, niet lang nadat nadat ik definitief vertrok, staat er slechts een houten plaat voor de deur.
Dicht gespijkerd
genageld of geklonken.
De gordijntjes boven waren inmiddels weg.
Er viel niets meer aan beweging te bespeuren.

Het zag er zo bijna vredig uit.

Spookverhaaltje?

Ergens in Oktober een jaar of wat terug.

‘Hoi mam, hoe is het?’
Een beetje schuldig voel ik me wel, want het is zeker wel een maand geleden dat ik zomaar even spontaan voor de gezelligheid langs ben gekomen
in plaats van het ‘hoi en doei’ wat ik de afgelopen weken zoveel had laten zien bij het ophalen en brengen van Kylian.
‘Goed hoor kind.
Koffie?’

‘Je vader is op de begraafplaats.
Hij zal zo wel komen’.
Het is rotweer buiten.
Met moeite had ik zojuist mijn autodeur dicht kunnen krijgen.
‘Waar hij zin in heeft met dit weer’.
Pap hielp sinds hij met pensioen was als vrijwilliger de oude begraafplaats weer op te knappen.
Een voor een takelde hij daar de grafzerken weer onder de aarde vandaan die in de loop der jaren de oude graven had bedekt.
Een heidens werk was het.
‘Vrijdag is het Lichtjesavond op de begraafplaats’
zegt mam.

‘Gister gebeurde er trouwens iets heel vreemds daar.’
Mijn interesse is direct gewekt.
‘Hoezo?’
Mam pakt haar kopje, en neemt een slok.
‘Vertel, je maakt me nieuwsgierig!’
Ze kijkt op de klok.
‘Hij zal zo wel komen’.

Terwijl ze dit zegt gaat de poort al open.
Ons kent ons.
Daar is hij.
Nat.
Zijn vierkante handen sterk en koud om mijn warme.
‘Hè Nadda, even mijn regenpak uit doen hoor’.

Pap wil ook wel een bakkie.
‘Vrijdagavond moet het af zijn’
vertelt hij.
‘Ja voor Lichtjesavond toch?’

‘Wat was er gister nou gebeurd?’
vraag ik als hij achter zijn koffie zit.
Pap kijkt naar mam.
Gepikeerd.
‘We hadden toch afgesproken dat je niets zou zeggen?’

‘Toe nou pap, vertel’.
Ik dring voorzichtig wat aan.
‘Nou, vertel jij het dan maar, jij bent er ook over begonnen’, zei pap uiteindelijk.

‘Je vader was gister helemaal alleen aan het werk op de begraafplaats’, begint ze.
‘Het waaide gister natuurlijk ook best hard’.
Ze steekt een sigaret op.
‘Hij was bezig met het graf van de familie Laan.
Je kent het misschien wel, dat grote familiegraf met die ketting eromheen en die engel in het midden?’

Ik heb het niet zo op met begraafplaatsen.
Zeg ik.
Pap wel.
Die vind het er zelfs wel fijn geloof ik.
Een paar weken terug had hij
er zelfs met Kylian kastanjes gezocht.
Omgetoverd met wat stokjes en wolletjes in spinnetjes en andere beestjes stonden ze nu gezellig op de rand van de schouw.
Het werk van oma en Kyl.

‘Maar je weet wel wie dat zijn toch?’ Ging ze verder.
‘Zo’n beetje’.
Het was een oude directeuren familie die menig fabriek in de Zaanstreek heeft opgericht.
Deed het ter zake?
‘Vertel verder mam’.

‘Nou, je vader was net bezig met een krik en een liertje om die steen omhoog te krijgen..’
Pap onderbreekt haar.
‘Niet waar, zo was het niet’.
Er volgt een lang, saai en zeer technisch verhaal waar mam en ik de ballen van snappen.

‘In ieder geval, opeens komt die grote stenen engel langzaam naar beneden vallen’.
Het wordt weer spannend.
Ik zie het zo voor me.
‘En toen pap?’
‘Nou, dat zal ik je vertellen.
Met mijn rechter had ik natuurlijk nog dat (….) vast, dus met mijn linker ving ik die engel op.
Maar ik kon natuurlijk geen kant meer op’.
Ik zit inmiddels op het puntje van mijn stoel.
Mam ook.
‘En toen?’

‘Je zal het niet geloven.
Ik zat te denken wat ik nou moest toen er opeens zomaar uit het niets een kerel naast me stond’.
Hij wacht even.
Vragend kijk ik hem aan.
‘Lang en mager.
In een lange zwarte jas.
Met een zwarte baret op’.
Ik schiet in de lach.
‘Echt waar?
Had je die niet zien aankomen dan?’
Pap reageert heftig.
‘Nee, ik weet zeker dat hij er niet was’.
Met zijn knokkels op tafel zet hij zijn woorden kracht bij.
‘Ik was helemaal alleen, echt waar hoor Nadda’.

‘En toen pap?’
‘Nou, toen vroeg die vent of hij mij misschien kon helpen’.
Pap ziet het gebeuren zo te zien weer voor zich.
‘Maar hij sprak ook raar hoor.
Zo deftig’.

‘En? Wat zei je toen?’
Pap is weer terug in het nu.
‘Nou’, zei ik, ‘Graag meneer’.
‘Als u nou effe die engel tegenhoudt dan kan ik (…) ‘
Zo gezegd zo gedaan.
‘Aardige vent, zeer beleefd’.

‘Jee, wat een geluk dat die man net langs kwam pap’.
Dan schuift ook pap weer naar het puntje van zijn stoel.
‘Maar weet je wat nou zo raar was Nadda?’
Ik voel hem al aankomen.
‘Op het moment dat ik die vent wil bedanken is hij gewoon weg.
Helemaal weg.
Dat kon helemaal niet.
Ik dus zoeken’.
Hij tikt weer op tafel.
‘Helemaal weg-was-die!’
Dan laat hij zich met zijn handen omhoog achterover vallen in zijn stoel.

‘Vast een geest geweest pap’.
Mam valt me bij.
‘Ja, dat zei ik ook al.
Vast een Laantje’.

Pap wordt een beetje boos.
‘Nou zie je nou?
Ik zei toch, hou je mond er nou over?’

Mam en ik schieten onbedaarlijk in de lach.
Pap gaat een broodje maken.

‘Jullie altijd met die onzin.
Spoken bestaan gewoon niet!’

Maar raar was het wel.
Dat wel.
‘Heel raar’.

Rode wijn met spruitjes

San en ik besluiten net om wijntje nummer drie op een zonnig en behaaglijk terras op de Dam te bestellen als ik twee gemiste oproepen zie.
‘Shit’.

‘Mam, oma heeft gebeld, opa is helemaal niet lekker, hij moet steeds overgeven’.
Ik bel haar snel terug.
Dokter is al geweest verteld ze.
Huisarts X dit keer.
Spruitje was te druk.
Nu moet je weten dat ik niet al te veel vertrouwen stel in dr.X
En mijns inzien niet geheel ongegrond.

Immers, mijn vader heeft haar
(voorheen zijn eigen huisarts) al meerdere keren bezocht met zijn darmklachten die door haar iedere keer weer werden afgedaan als zijnde prostaatklachten.
Tja, en als de dokter dat zegt…

Van een afsluitend gesprek met haar heeft hij afgezien.
‘Laat het maar rusten. Wat heb ik er nou nog aan? Ze deed het vast niet expres’.

Ik draai mijn wijn rond in mijn glas.
Verdories, ik zit hier zo lekker.
‘Wil je dat ik nu kom mam?’
Nee, dat hoeft niet.
‘Morgen komt de dokter weer even kijken’.
Ze zucht er van.
Het is me ook wat allemaal.
‘Blijf maar lekker daar hoor kind, en doe de groetjes aan San’.

Als ik wakker wordt bel ik gelijk de praktijk.
Ja, mijn lab-uitslagen zijn inmiddels binnen.
‘De dokter belt u straks zelf wel even’.
Ik vraag de assistente of ze ook kan zien hoe laat Spruitje langs gaat bij me ouders.
‘Ik zie niets staan hoor, in zijn agenda’.
We spreken af dat dokter om 13:00 even langs gaat en ik haar zal bellen als ik het straks niet vertrouw.

Om half elf ben ik er.
Mam doet open.
Pap zit op de bank in zijn pyama.
‘Hoi pap’.
Hij lijkt langs me heen te kijken.
Ik zwaai mijn handen voor zijn ogen.
‘O hallo Nadda’.

‘Het gaat slecht’
zegt hij, en zijn bleke gezicht beaamt dat volmondig.
Maar gisteravond heeft hij toch nog een beetje yoghurt gegeten.
‘Maar zijn bloedsuiker was gisteravond 4.4’ verteld mam.
Ik schrik.
‘Dat is toch helemaal niet goed?’
Ze verteld dat ze van dr. X de huisartsenpost moest bellen als hij onder de 5. of boven de 15 kwam.
‘En? Wat zeiden ze daar?’
‘Nou, ik heb ze niet gebeld want het bandje bij de huisarts ging veel te snel en ik trilde zo dat ik het nummer niet kon opschrijven’.

Mijn mobiel had ze geprobeerd.
Ik had hem weer niet gehoord.
Niet zo gek als het geluid uit staat.
Wat dom van me.
Ons thuisnummer had ze niet gebeld.
Had ze niet aan gedacht.
‘Pap heeft toen maar wat bij gespoten’.

Op dat moment rinkelt de telefoon.
Het is dr. spruitje himself!
-Gelukkig-

Pap doet een nogal wazig verslag.
En verteld dat zijn beschuitje er in is gebleven.
‘7.4’ antwoord hij als we het over de bloedsuikers gaan hebben.
Mam neemt de hoorn even over en verteld over gisteravond.
‘Dat mag u nooit meer doen hoor, u had wel een hypo kunnen krijgen’.
Ze spreken af dat ze direct zullen bellen als pap weer spuugt.
En dokter belt vanmiddag ook nog even.

‘Ik had wel dood kunnen zijn’ zegt pap als hij neer heeft gelegd.
Ik voel me schuldig omdat
ik ondertussen lekker in Zaandam aan mijn wijn zat te lurken.
Met koeien letters schrijf ik het nummer van de huisartsenpost op het blaadje naast de telefoon.

Dan gaat mijn mobiel.
Wat verrassend: dr. Spruitje.
Terwijl pap wat kreunt en steunt op de achtergrond nemen we mijn labuitslagen door.
‘Geen Lyme, maar dat wil niet zeggen dat…’
Hij zal een second opinion aanvragen in Woerden.
‘Of weet u een goede hier meer in de buurt’.
Hij zegt dat ik dan bij ‘Reade’ terecht komen waar de reumatoloog die mij nu heeft beoordeeld ook bij aangesloten is.
‘Niet echt een Second Opinion dan’.
Nee, ik hoef niet te bellen.
Uitnodiging valt vanzelf op de mat.
‘Verwijzing en relevante informatie ligt vanmiddag klaar bij de balie’.

Elf uur.
Daar is de thuiszorg.
Fijn dat er toch nog even iemand komt met een beetje verstand van zaken die hem ook even kan beoordelen.
Ik ga ondertussen boodschappen doen.
Voor mij en voor mam die ook niet lekker is.
Als extra koop ik bietensap en opkikker voor pap en Ferro roosvicee, verse jus, bananen en chocolademelk met slagroom voor mam.

Als ik terugkom is de thuiszorg net weg.
Pap eet twee beschuitjes – op hoop van zegen.
Na een glaasje water vertrek ik weer.
‘Boodschappen opruimen, en even zuigen’.
Ze belooft me te bellen als het niet gaat of pap spuugt.
‘Dan zal hij wel weer naar het ziekenhuis moeten denk ik mam’.

Om half drie belt ze.
Ik schrik.
Nee toch?
Maar gelukkig geen slecht nieuws.

‘Dokter is geweest’.
Ze klinkt wat beter.
‘Best lang hoor,
en hij heeft een lijstje achter gelaten met wat ik moet doen en wie ik moet bellen ‘in geval van’.
Wat ben ik weer blij met hem.

Thuis kruip ik met warme chocolademelk en speculaas op de bank en kijk ik ‘de Dikkertjes’ van gisteren terug.
Daarna ‘Robinson’.
Even rust in de tent.
Ik mag het hele weekend weer werken.

Drie maal raden wat we vanavond eten.
Ze staan al klaar in de pan,
-Overigens zonder kruisjes in hun kont-.)

Koken met klunzen: Tonijn A la Narda

Zojuist kwam ik op de blog van Ingrid een ommeletrecept tegen zonder toeters en bellen.
Nou moet je weten dat ik (ook) gek ben op recepten die makkelijk en snel te bereiden zijn.

Zoals bijvoorbeeld mijn geheime, zelfverzonnen, onovertrefbare, tongstrelende, enzovoorts:

‘Tonijn A la Narda’
Of ‘tonijn Beaunino’.
Ook best leuk.
Je komt er wel uit.

Nodig:
-10 velletjes bladerdeeg (zou absoluut de roombotervariant nemen)
-2 blikjes tonijn in groenten
-1 klein blikje mais
-1 ei

Eventueel:
-knoflook
-beetje Vietnamese loempiasaus
-wat gedroogd groens voor door je eitje.

Bereiding:
1. Zet de bladerdeeg plakjes op hun zijkant tegen je rechthoekige bakblik om te ontdooien.

2. Flikker de inhoud van de drie blikjes bij elkaar, voeg eventueel nog wat van dat ‘eventueels’ toe.

3. Klop het ei.
Eventueel met wat van dat gedroogd groens als je uit wilt pakken.

4. Leg de bladerdeeg plakjes op de bodem van je blik.
Let op: Wel eerst even de papieren velletjes verwijderen!!

5. Pleur de tonijnsmurrie erover.

6. Pak je pizza snijder en snij de overige velletjes in reepjes van een halve cm (of zo) tot 1 cm van de rand.

7. Dek hiermee de smurrie af.

8. Strijk het losgeklopte ei erover.

9. Minuut of 20 op 200 graden.
Zelf kijk ik af en toe even.
Bruin korstje = klaar.

10. (Voor als je een keer echt iets hebt goed te maken):
Snij een tomaat in plakjes en leg deze dakpansgewijs op het bord.

Ben benieuwd of jullie het eens gaan proberen. En dan met name natuurlijk of jullie het ook ze lekker vonden.
Maar HO!
STOP!!
Voor jullie nou massaal met z’n allen naar de supermarkt rennen…

Wat is jullie favoriete snelle makkelijke recept?

Grand theft auto 5

Kylian zijn fiets staat nog precies zo voor het keukenraam als waar hij hem gistermiddag heeft geparkeerd.
Ik raap de post van de mat en leg mijn sleutels op het aanrecht.
Verdories.
Had hij nou niet even?
En die theeglazen staan er ook nog.

‘Kyyyyyl?’
Ik hoor boven sirenes en
gierende autobanden.

Drie hongerige katten dralen om mijn voeten.
Haan Lummel priemt door het zijraam met zijn ene oogje hongerig naar binnen.

‘Verdories KYYL!’

Boos hang ik mijn tas aan de trap.
De sirenes stoppen.
Dan opent een deur.
Zijn deur.
‘O, hoi mam, ben je al thuis?’

‘Al?’
Het is vijf over vijf.
Ja gister was het pas zes uur.
Dat is waar.
‘Kom jij eens naar beneden vakantieganger’.
Dat dat nou weer zo moet.
Bah!
Zo geen zin in nu.
‘Nee, niks ‘ja maar’. NU!!’

‘Had je niet even….?’
‘Hebben de kippen…?’
‘Toch een kleine moeite om…’

Kyl gaat sla halen voor de kippen.
‘Sorry mam’.
Hij pakt mijn portemonnee.
‘Daar komt buurman aan’.
Kyl laat hem binnen.
Die komt iets vertellen
zie ik direct.

‘Wilt u koffie?’
Dat hoeft niet.
Maar we gaan wel even aan tafel zitten.

‘Heb je nog wat nodig mam?’
Buurman ziet bleekjes
‘Behalve sla?’
En mager.
‘Nee, ga maar snel’.

Dan hoor ik woorden
die ik niet wil horen.
‘Tumor’
‘Darm’
‘Scan’
en zie ik de rode randen
om zijn ogen.
‘Hoe gaat het met buurvrouw?’
Buurvrouw kan alleen maar huilen.

Ik zet mijn stem op standje bas en draai het volume wat omhoog.
‘1 van uw kinderen moet maandag met u mee gaan hoor buurman’.
Zijn kinderen werken dan
of hebben geen rijbewijs.
Morgen gaat hij alleen.
Alleen naar de ct scan.
Arme dappere oude buurman.

Buurman vertrekt.
Ik geef zijn lange magere lijf onhandig een knuffel.
‘Maandag kom ik even bij u langs hoor’.

Dan belt Rem.
‘Het wordt wel negen uur vanavond.
Gaan jullie maar vast eten’

Kyl is al weer terug
met de sla.
Hij zet zijn fiets netjes in de schuur.

Eerst de katten maar.
Shit.
Kattenvoer op.
‘Ik vroeg het nog zo mam…’
Ik vul de bordjes met harde brokken
En besluit dat ik absoluut geen zin heb in roerbakgroenten zonder Rem.

‘We gaan wat bestellen.’
Kyl is wel in voor een
vette hap.
Samen snorren we ons laatste contante centjes bijeen.
Dertientachtig.
‘Zullen we wachten
tot we echt honger krijgen?’

De sirenes loeien alweer.
Na mijn bad ga ik maar eens kijken
of ik ook eens mag.

‘Tuurlijk mam’.
Hij schuift een stukje op en klopt op zijn bed.
‘Ga maar lekker zitten.’
Kyl ‘cheet wel even 5 minuten levens’ voor me
zegt hij,
samenzweerderig.
En een sportvliegtuig.
‘Of heb je liever een Lamborghini?’

Bram komt luidkeels klagen
over koude saaie harde brokken.
‘Vandaag eet je verder niets Bram.
Vandaag ben je na-me-lijk-op di-eet!
Net als baasje’
We schieten in de lach.
Bram kijkt boos
en druipt af.

Dan ren ik in een stoer pakje door de virtuele stad.
Maai hier een voetganger neer met mijn rechtse, sla daar voor de aardigheid wat verkeersborden in elkaar, gooi wat granaten naar de politie en en steel een motor op de vlucht voor ik uiteindelijk met mijn vliegtuig het reuzenrad van Los Santos ram…

Kyl kijkt me zijdelings onderzoekend aan.
Bram stampt op en neer op de trap.
Spook wil water vers uit de tap
en Minoes naar buiten.

‘Je mag best nog wel een keer hoor mam.’

Bye bye, zwaai zwaai

Zaterdagochtend.
Rem is net te laat beneden voor de telefoon.
Het waren vast mijn ouders.
Hoe laat we ze op komen halen straks.
Ik bel gelijk terug.
‘Je vader is weer terug naar bed gegaan’.
Ik hoor aan haar stem dat ze bloednerveus is.
‘Hij is helemaal niet lekker’.
Wat jammer nou.
‘Geeft niks hoor mam, gaan we toch gewoon met ons drietjes.
Kylian gaat ook mee. Het komt goed. Blijf jij maar lekker thuis’ .

Als we een dik uur later bij mijn ouders komen staan ze toch allebei klaar.
Pap mager en bleek.
‘Het gaat wel hoor’.
Mam op van de zenuwen.

Kyl en ik gaan alvast.
Wij moeten namelijk door de polders van Uitgeest naar Castricum.
Ik durf niet over de grote weg te rijden.
‘Heb jij ook zo’n zin?’ vraag ik Kyl?
‘Zullen we gewoon lekker naar huis gaan en de band leeg prikken of zo?’
Ik knipoog erbij.
Ik weet dat hij er ook als een berg tegenop ziet.

Op de camping is Rem al druk in de weer.
Mam is in de stress omdat ik laatst wel het deurtje van de koelkast in de caravan had opengezet en er handdoeken had voorgelegd, maar vergeten was het ding uit te zetten.
Ontzettend stom van me natuurlijk.
Er puilt een grote bulk ijs naar buiten.
‘Doe ik zo wel oma’.

Ik begin de kastjes leeg te halen.
Waarvan ik denk dat het mee moet stop ik in de tassen, wat moet blijven zet ik klemvast met handdoeken.
Rem haalt onder supervisie van pap de voortent leeg.
Twee kapiteinen.
Als dat maar goed gaat.
Rem laat het allemaal geduldig over zich heen komen.

Daar komen de eerste kennissen al aan.
Ik parkeer mijn moeder -die al een kwartier wezenloos wat heen en weer loopt met een leeg emmertje en een sponsje- in een van de tuinstoelen die ik even verderop gezellig om de tafel heb gezet.
‘Zo, ga jij nou maar lekker een sigaretje roken’.
Ze moet nog ergens een flesje port hebben
zegt ze.
‘Doe er maar wat meer in hoor’.

De buurman haalt wat biertjes.
Pap haalt gezellig zijn Nutridrink voor de dag.
Een voor een komen ze langs, de buurtjes, de kennissen.

Kyl hakt ijs
Rem breekt de tent af
en ik vind mezelf met een borstel in mijn hand boven een emmer sop met tentharingen.
‘ Er zitten meer haringen hier in de grond dan in de Noordzee’
had Rem me zo-even al toevertrouwd.
‘Nee Nadda, Die haringen moeten in dit zakje, en Die moeten daarbij’.
Mijn vader is – ook een maagd.
Rem en hij zijn notabene op dezelfde dag geboren.

‘Wat is het goed je te zien Klaas’.
Pap fleurt er helemaal van op.
Mam koestert zich ook een beetje in de aandacht.
Ondanks dat het zachtjes regent blijven ze gezellig zitten, of staan ze er met een drankje bij.

Kyl is intussen klaar met de koelkast en ontfermt zich met de harde bezem over de onderkant van het grondzeil.
Ik haal de vitrages er een voor een af en leg de bedden plat.

Na drie uur zijn we klaar.
‘Komen jullie nog wat bij ons drinken?’
Pap ziet in en in bleek.
‘Als jullie nog niet weg willen Rem?’ vraagt pap toch.

Even later drinken we gezellig
nog wat onder de luifel van de buren verderop.
‘Tuurlijk komen jullie volgend jaar weer’.
Mam ziet het weer even zitten.
‘We komen volgende week ook nog even hoor’, doet pap een duit in het zakje.
Die extra fentanylpleister doet zo te zien wonderen.
Rem reageert direct.
‘Hoezo Klaas, alles is opgeruimd, hij is helemaal klaar voor transport’.
‘Ja maar…’
De buren vallen Rem bij.

Dan gaan we.
Naar huis.
‘Morgen leeg ik de auto’s’ zegt Rem.
‘Zet de koffie dan maar vast klaar’.

De buren staan al klaar om te zwaaien.
‘Nog even naar het toilet hoor’.
De buurman laat hem niet alleen gaan.
‘Ik ga gelijk even met je mee hoor Klaas’.

Ik vertrek maar vast met Kyl.
‘Via de polders, vandaar!’
Rem zal zo met mijn ouders volgen in de auto van pap.
‘Dag schat, voorzichtig’.
Een kus
ook voor pap
en voor mam.
‘Dag hoor!’

Dan rij ik weg.
-Slagboom open
slagboom dicht-

Hoe zwaai je
in godsnaam

de laatste keer?

Basisschool en kerk in de jaren ’70 (deel 1)

Naast de flat waar we woonden stonden drie kleuterschooltjes die elk weer uit twee klassen bestonden van zo’n 25 kinderen. Zus zat op het schooltje het dichts bij de flat en ik kwam op ‘de Zevensprong’ terecht. Dit was het achterste schooltje vanaf de flat dat naast de basisschool stond waar zus toen al naar de eerste klas ging.

Mijn eerste juf heette Eva. Ze had zwart haar dat ze vaak in een speels knotje bond achter op haar hoofd.
In de klas stonden tafeltjes in groepjes van vier.
Ik was blij toen ik eindelijk vier werd en ook met het ‘echte leven’ mee mocht gaan doen.
Tenminste, ik kan me de verveling nog erg goed herinneren van de periode dat ik drie was en thuis bij mijn moeder moest blijven, en het allereerste afscheid van mijn moeder totaal niet.

Hoe de klas er uit zag?
Er hing een schoolbord aan de muur met daarnaast een lange poster of plaat van de Giraf van ‘Dikkertje Dap’.
Onder het schoolbord stond een oude pick-up, maar dat kan ook best wel eens een bandrecorder geweest zijn.
Aan de straatzijde stonden de potjes plaksel, flessen verf in de primaire kleuren en kwasten in van die grote appelmoes potten op de vensterbank.
Er was daar ook (heel modern) een aanrecht-eilandje.
Als we gingen verven droegen we een oud overhemd van onze vaders. Naast plakken en schilderen werd er natuurlijk voorgelezen en gezongen in de kring. Ik weet nog goed hoe lullig ik me voelde dat ik de tekst van ‘de Mosselman’ niet kende. Iedereen wist wat hij moest zingen, welke kant we op dansten in de kring, behalve ik.
Het zou best eens kunnen dat dat een van mijn eerste dagen op de kleuterschool was.

Buiten de klas waren twee kinderwc’tjes en 1 toilet voor de juf. Meestal aten we halverwege de ochtend een liga of een banaan en een beker drinken. -Als er nog wat in je beker zat tenminste want die krengen lekten als de ziekte-.

Zodra het weer het toeliet speelden we natuurlijk veel buiten. Op het schoolplein stond een schuurtje waaruit van alles getoverd werd.
Autobanden, roze- rode plastic scheppen, skelters, noem maar op.
Ik kan me nog een moment helder voor de geest halen.
Ik zat met mijn witte nep-bont muts op met van die heule lange oren op de rand van de zandbak een beetje om me heen te kijken naar de andere kinderen.
De lucht was kraak-helderblauw, de zon scheen, er zat vorst in de lucht.
Het zal februari of maart geweest zijn denk ik.
Alle kinderen waren druk in de weer toen het geluid van een helicopter langzaam aanzwol vanuit de verte. Unaniem stopten ze allemaal met spelen en tuurden ze naar de strakblauwe lucht of ze hem al zagen.
Even later vloog hij boven ons en alsof het afgesproken werk was begonnen we , eerst zachtjes maar steeds luider, te zingen van ‘Helicopter, helicopter mag ik met je mee omhoog?’

Een vast vriendinnetje had ik niet. De meeste meisjes vond ik maar jankerds en vadertje en moedertje spelen in poppenhoek was niet zo aan mij besteed.
-Of misschien ook wel, maar dan ‘real live’ in de bosjes met Edwin G.-

Op zomerse dagen was het pret.
Dan haalde de juffen de tuinslang te voorschijn en renden we daar met ons allen onderdoor in onze onderbroek.

In september 1973 mocht ik eindelijk naar de ‘Grote School’ die pal naast mijn kleuterschool stond. Zus ging toen alweer naar de derde.

De Sint Nicolaas school was een katholieke basisschool.
Je begon onderin achteraan waar juf Butter je de geheimen van de letters verklapte met behulp van een ouderwetse leesplank.
Aap, noot, Mies.
Ja hoor, zo deden we het in die jaren dus ook nog.
Ook gebruikte we van die terracotta kleurige kartonnen lettertjes die werden bewaard in van die Strepsil blikjes waarmee ik trots ‘ut heus’ legde op een leesplankje, want ik was natuurlijk zo zaans als het maar kon.

Op een goede dag had ik het geluk op een of andere manier een lieveheersbeestje te vangen in een jampotje.
In die periode zaten we met zes meisjes aan een tafeltje, zo’n beetje dezelfde als de aanwezigen van de verjaardagspartijtjes: A, J, F, B, S. en ik, zes giebels bij elkaar.
Het was die dag geloof ik dierendag dus ik besloot het potje mee naar school te nemen. Natuurlijk kon ik niet het geduld opbrengen om te wachten, dus ik opende het potje en liet het lieveheersbeestje alvast wat kunstjes doen: Het liep over mijn potlood naar buiten, het potje uit.
Als hij het einde had bereikt draaide ik het potlood weer om en begon hij weer aan de tocht naar boven. We vonden dat natuurlijk enorm grappig en nadat juf ons meermalen had gezegd stil te zijn moest ik voor straf de klas uit en me melden bij juffrouw de Rooij van de tweede.
Zo’n beetje het ergste wat je overkomen kon die tijd. -Nou ja, oké, buiten een bezoek aan tandarts Visser dan.-
Juf de Rooij was namelijk een voormalig (SS?) non wiens genoegen er voornamelijk uit bestond weerloze kindertjes het leven zuur maken.

De kennismaking tussen juf de Rooij en mij was dus niet -je van het- geweest, wat er vast aan heeft bijgedragen dat we al met een flinke antipathie jegens elkaar aan het nieuwe schooljaar begonnen.
Het leek me derhalve verstandig mijn plekje een beetje onopvallend achteraan in de klas te zoeken, pal tegenover A. die wijs, zoet en verschrikkelijk leergieriger was.
Bovendien was haar vader misdienaar of hulppastoor in de kerk wat A. bepaald geen windeieren legde; ze was het lieverdje van de juf.
Van menig juf.
Niet dat ze een slijmerd was, dat helemaal niet.
Ze was gewoon zo.
Als kers op de taart kon A. ook nog eens prachtig binnen de lijntjes schrijven, waar ik haar enorm om benijdde. Aan mijn fijne motoriek schortte namelijk nogal het een en ander, tot grote woede van mijn juf.

Op een goede dag kreeg ik zelfs een brief mee van de juf waarin zij mijn moeder verzocht mij eens mee te nemen naar de opticien.
Mijn moeder was des duivels, maar gewoon niet bij machte om hier tegen in het verweer te gaan.
Dus ik onderging op een goede dag in de herfst een ogentest bij de opticien.
-Ik weet nog goed dat we George Baker die ochtend nog tegen kwamen op de Zaanbocht, maar dit terzijde.-

‘En nu?
Zie je nu iets?’
Ik zag geen pukkel.
De opticien draaide nog wat.
‘Nu dan?’
‘K zie niks hoor’.
En net toen mijn moeder dacht: ‘mijn hemel, mijn kind is stekeblind’ bleek het iets van een dopje te zijn wat voor de lens zat.
Zoiets.
Of de klep van mijn pet.
Kan ook.
In ieder geval konden we juf meedelen dat er niets aan mijn ogen mankeerde.

Het was in die tweede klas wederom een blok van zes tafels waar we weer met zo’n beetje dezelfde zes meisjes aanzaten.
Op goede dag moest S. nodig plassen tijdens het voorlezen.
S. was ook al een lief en gehoorzaam meisje dat er altijd uit zag alsof ze nieuw uit de winkel kwam. Ze bezat een soort van kraagjes zonder bloesje er aan. Die droeg ze dan onder een gehaakt vestje, keurig net. Ik was flabbergasted geweest toen ik dat voor het eerst zag. Dat zoiets bestond!

S. stak keurig haar vingertje op.
Het duurde zeker vijf minuten voor juf zei: ‘ja?’
‘Ik moet zo nodig plassen juf’, zei S. zacht.
Helaas pindakaas, ze mocht echt niet hoor.
Niet lang daarna hoorden we zachtjes de eerste druppels op het zwarte linoleum vallen.
Ik keek onder tafel. Er vormde zich al een grote plas onder haar stoel.
Daarna verbrak het snikken van S. de doodse stilte.

Op een dag ging er een of andere hoge kerkpief dood.
Een deken of zo.
En wat wilde het toeval?
De uitvaartdienst zou gedaan worden door onze eigen pastoor van het Hart.
-Zo heette hij echt ja-
Je begrijpt dat juf hier kostte wat het kostte bij wilde zijn.
Op een goede middag togen we dus gezellig met de hele klas naar de kerk om vooral maar niets te hoeven missen van het hele spektakel.

Het was mijn allereerste uitvaartdienst die ik bijwoonde. Ik vond het dood en dood eng.
Die vent daar , dood in zijn kissie in dat middenpad, die pastoor die zo eng praatte en achterlijk liep te zwaaien met natte plee borstel om die kist heen.
De stank van de wierook die nog uren in mijn neusgaten bleef hangen.
Ik moest er allemaal niets van hebben.
Sterker: ik heb er later veel nachtmerries van gehad.
Hoe oud waren we nou eigenlijk?
Zeven!

In die tijd was ik vaak verkouden.
Zo verkouden dat het water gewoon in straaltjes uit mijn neus liep.
En nu had ik natuurlijk niet altijd zakdoekjes bij me, dat soort dingen vergat ik gewoon, dus snoot ik mijn neus in van die beige zachtkartonnen handdoekjes.
Je kunt je vast wel voorstellen hoe mijn neus er in die tijd uitzag.
Knalrood, gezwollen en met de vellen er aan ja.
Juf vond echter maar dat ik met ‘die aanstellerij’ de orde verstoorde.
Het moest dus maar eens over zijn met dat gesnif en gesnuif. Als ik nog maar een keer mijn neus snoot of maar nieste moest ik op de gang staan.
Ik heb dus heel wat uurtjes op die gang gestaan.

Ik weigerde gewoon in haar stramien te passen.
Of was het de stramien van de school?
Zus had er beduidend minder moeite mee zich aan te passen.
Waar ik de nachtmerrie was van de meesters en juffen droeg zij nog net geen aureooltje boven haar mooie hoofd.

In de tweede klas mag je voor je ‘Eerste communie’ gaan.
Geen flauw idee meer wat het precies allemaal inhield, maar je mocht in ieder geval pas een hostie als je je eerste communie had afgelegd.
Dan hoorde je ‘erbij’.
Voor een ruimdenkend kind als ik was dat natuurlijk tamelijk onbegrijpelijk. ‘Hoor ik er nu niet bij dan? Maar God is toch voor alle mensen juf?’
Mijn vragen werden niet zo op prijs gesteld.
Afijn.
Voor onze eerste communie moesten we een of ander ‘leuk’ boekje maken, met tekst en tekeningen. Op een bladzijde werd ik geacht een tekening te maken van het plekje in huis waar ik het liefst verpoosde.
Waarheidsgetrouw tekende ik – zo goed en zo kwaad als ik kon- dus een toiletpot met een pracht van een drol daarin natuurlijk.
Die dag moest ik nablijven.

Ik heb mijn moeder zelden zo furieus gezien als toen.
Meestal zei ze dingen als: ‘Je moet ook gewoon maar luisteren naar de juf, doe maar gewoon wat ze zegt’.
Ze was zelf doodsbang voor het mens en niet bij machte iets aan de situatie te veranderen.
Mijn vader is in al die zes jaren nog nooit op school geweest, enkel twee keer in de kerk, dus daar had de juf ook al weinig van te duchten.

Maar goed.
Die dag van die drol moest ik dus nablijven.
Mijn moeder wist van niets en werd uiteindelijk zo ongerust dat ze uiteindelijk naar school is gegaan. ‘Als mijn kind moet nablijven dan wens ik daarvan op de hoogte te worden gebracht.
En als u vraagt naar haar lievelingsplek in huis dan is daar geen woord aan gelogen.
Wat betreft die drol: het is maar een kind. Kinderen doen dat soort dingen. Dat zou u toch moeten weten’.

Aan het eind van het jaar werd de klas wegens een lerarentekort opgesplitst in tweeën.
Toen bleek dat ik weer onder de hoede zou komen van juffrouw de Rooij – dat zou zogenaamd goed zijn voor me, een beetje een strakke hand of zo- heeft mijn moeder gezegd mij van school te halen als dat zou gaan gebeuren.
Het is een godswonder dat ik door al die uurtjes op de gang aan het eind van het jaar mijn tafels kende en überhaupt over mocht naar de derde.
Maar uiteindelijk mocht ik dan toch naar de klas van meester Mink.
Een hele verademing maar mijn vertrouwen in leraren en het schoolsysteem was toen inmiddels al voor de rest van mijn leven vergald denk ik.
——————————

Jaren later is de Sint Nicolaas school gefuseerd met de St. Josefschool naast de katholieke kerk op de Marktstraat.
De naam werd gewijzigd in het jolig klinkende ‘de Toermalijn’ maar het bleef een katholieke basisschool.
Toen ik voor Kylian destijds een school moest kiezen, wilde ik deze school natuurlijk een eerlijke kans geven.
Er waren inmiddels dertig jaren verstreken, kom op Nar!
Kylian was niet gedoopt of zo, maar ik had gedacht dat een beetje kerkgedoe misschien zijn blik wat zou kunnen verbreden.
Weet ik veel wat ik eigenlijk dacht.

Tijdens de kennismaking werd mij verteld dat er met bordjes werd gewerkt.
Rode en groene die je op kon steken.
‘Heel handig’, zei de juf van de voorlichting.
Jaja.
Tijdens de rondleiding waren er geen kinderen aanwezig.
Toen mij tot slot werd mij meegedeeld dat de kinderen in acht jaren slechts 1 vulpen werd uitgereikt, en dat er heel veel belang werd gehecht aan netjes leren schrijven ben ik heel hard weggerend.
Ik moest me beheersen de deur niet met een klap dicht te gooien.

Kylian is dus lekker gaan ‘pionieren’ op de Kerkstraat.
Ik was zo betrokken als ik maar kon.
Schoolreisjes, klassenouder, excursies, luizenmoeder, feestdagen committee, als het even kon (ik werkte 24 uur per week) deed ik dat, of was ik daarbij.

De kerk heeft Kyl volgens mij nooit gemist.
Ik heb hem wel eens meegenomen naar de kindermis op kerstavond.
‘Waarom mogen wij niet zo’n tostie? Wij horen er toch ook bij?’

Zowel Kyl als ik hebben hele mooie herinneringen aan de leraren en ‘de Pionier’.
In plaats van de pastoor met zijn hosties was daar het door de kinderen zelfgemaakte kerstdiner.
Zingen deden we niet in koude kerkbanken maar rond vijf of zes kampvuren en met warme chocolade melk voor alle kinderen en gluhwein voor de ouders na.

ieder jaar weer zongen de kleinste kleuters met hun sprookjesachtige zachte twinkel-twinkel- stemmetjes het eerste kerstliedje.
Daarna de oudere kleuters, de eerste klas, de tweede en zo verder tot de achtste klassers als laatste luidkeels eindigden met ‘Jingle bells’.
Tot slot zongen we met een paar honderd mensen nog ‘We wish you’ voor we elkaar de handen schudden, de kinderen de laatste kerstkaart uitdeelden en we allemaal met onze eigen vuile vaat verdwenen in de donkere winteravond op weg naar onze eigen boom.

En weet je?
We hoorden er allemaal bij.
Van klein naar groot.
Van meegebrachte peuters tot aan de opa’s en oma’s.
Zelfs Nino, onze Bordeauxdog, die met zijn kerstlampjes-muts op aan het einde nog even met zijn vele fans van de glijbaan mocht.

Denk nou niet dat ik tegen het, of welk geloof dan ook, ben.
Zo is het namelijk niet.

Het zijn slechts
sommige mensen
die verboden zouden moeten worden.

———————————-
Over de laatste basisschooljaren vertel ik wel een andere keer.
Anders wordt het maar zo lang hè;-)?

Vrijdag: Spruitjesdag

‘Zo….
En hoe gaat het met u?’
Dr. Spruitje en ik weten nog steeds niet of we elkaar nu zullen tutoyeren of niet.
‘Mwah, het gaat’, antwoord ik, terwijl ik mijn nieuwe roze hoesje van mijn telefoon open en mijn notities erbij pak.
‘Zullen we de tijd maar efficiënt besteden?’
Hij glimlacht.
‘Vertel’.

Ik steek van wal bij punt 1.
‘Geen psoriasis’.
Dat had hij inmiddels al begrepen.

‘Misschien kunnen we eerst B12, schildklier en Lyme prikken?’
Spruitje tuurt mee op het schermpje van mijn I phone en denkt even na.
Het staat hem.
‘Ja dat kunnen we wel doen, hoewel een negatieve uitslag op Lyme natuurlijk ook geen uitsluitsel is. Daarentegen weten we wel wat je hebt met een positieve uitslag’.
Hij pakt mijn laatste labuitslagen er voor de volledigheid even bij.
‘Da’s allemaal wel een tijdje terug ja’.
Hij ziet er strijdbaar uit
in zijn legergroene overhemd.
Er rolt al een labformulier uit de printer.

Dat is dat.
Over naar punt 2.
Mijn ouders.
Hun verwachtingen
en hoop.
En
de realiteit
die mi daar zo weinig mee strookt.

‘Ik was al van plan vanmiddag even bij ze langs te gaan tussen 1 en 3’.
Ik neem het formulier van hem aan.
‘Dan zorg ik dat ik er ben, misschien is mijn zus er dan ook nog wel’.

Ik ga gelijk bloed laten prikken.
Het is nog voor elven, dus het kan nog net.
Dan fiets ik langs de apotheek waar ik een voorraad diclofenac ophaal waar je U tegen zegt.
Neen, Spruitje neemt geen halve maatregels.
Thuis ruim ik snel de boodschappen op, eet een broodje en zuig de boel links en rechts voor het oog wat aan kant.

Zus is er nog.
In een rood Schots mini rokje met zwarte netpanty’s daaronder zit ze op de bank.
Aan haar voeten zweven lange zwarte laarzen die het midden houden tussen moonboots en Uggs.
Erboven een zwart t- shirt met kapmouwtjes.
Haar dreadlocks heeft ze in een staart bijeengebonden, ze is zowaar al helemaal klaar.
(Nu hoor ik je zowat denken. ‘Hmmm, is dat niet een wat aparte combi?’
Wees gerust: al trekt ze een vuilniszak aan, het staat haar!)
‘Dokter komt zo, wel fijn dat jij er ook nog bent’.
‘Heet hij uhh…echt dr. Spuitje?’

Pap zit net aan zijn broodje.
Mam zit aan de grote tafel achter te roken.
‘Dokter komt straks ook nog even langs’
roep ik nog maar eens
in het algemeen nu.
De vitrages zijn weer wit.
De ramen helder.
Ik ben aangenaam verrast.

Zus showt een soort ‘voetsiersel’, wat ze zelf heeft gemaakt met een lapje leer en een perforeertang van het Kruidvat.
Echt wat voor haar.
‘Wat leuk, en wat knap gemaakt’ zeg ik gemeend.
Zus heeft alle creatieve genen voor ons beiden geërfd.
Ze kan prachtig tekenen en schilderen.

‘Heb ik nou al een broodje gegeten?’ vraagt pap.
‘Ja net toch’.
Hij denkt na.
‘Wat zat er op dan?’
‘Kaas pap’.
‘O ja’.

‘Daar is de dokter’
roept pap opeens zo hard dat ik me van schrik bijna in mijn koffie verslik.
Ik sta op om de deur open te doen.
In eerste instantie had ik de link met de BMW motor en Spruitje nog niet gelegd.
Dan doet hij zijn helm af.

Alsof het de Sint in hoogsteigen persoon betreft wordt de dokter verwelkomd.
Mijn moeder strooit nog net niet met witte rozenblaadjes.
‘Ga zitten dokter’.
Zo te zien is ook Spruitje bloednerveus.

Nou kun je veel van mijn familie zeggen maar een ding waar je ons niet van kan beschuldigen is dat men zich bij ons ongemakkelijk voelt.
Binnen no- time zit Spruitje dus gezellig onderuit gezakt op zijn gemak.

Dan volgt een moeilijk en openhartig gesprek met veel herhalingen (Spruitje) en direct daarachteraan een Jip en Janneke vertaling van mij die slechts op enerlei wijze is uit te leggen.
Met subtiliteiten komen we immers niet zo ver, merkt ook dr. Spruitje alras.
Zus knikt en knikt.
Zichtbaar blij met het verloop in het gesprek.
Mam zit naast me op de bank.
Ik kan haar gezicht niet zien.
Haar handen liggen bevend in haar schoot.
‘Goed, ik zal er over nadenken’.

Spruitje en ik slaan samen nog een paar spijkers met koppen.
‘Pap, wanneer ben je het laatst naar de diabetesverpleegkundige geweest?’
Begin september was dat, weet ik.
De laatste afspraak had hij zelf afgezegd.
Een inkoppertje voor Spruitje.
Hij belt haar vanmiddag nog met de vraag of ze volgende week bij pap langs gaat.

‘Pap, je hebt wel meer pijn nu hè?’
‘We verhogen de fentanyl’
is zijn antwoord.
Ik vertel hem gelijk maar even dat de oxinorm op is.
Spruitje schrijft al.

Dan is mam aan de beurt.
‘Ik ben aangekomen hoor dokter.
Ik weeg nu 44 kilo en dat was 42,5,’ zegt ze trots.
Ja, de oxazepam slikt ze ook nog, maar dat werkt pas na een paar uur verteld ze.
‘Dat kan niet’, zegt de dokter.
‘Dat kan wel’, zegt mam.
‘Of het werkt, Of het doet niets voor u’, houdt hij voet bij stuk.
Komt vast door dat legershirt.
Hij kent mijn moeder echter nog niet.
Ik wel.
‘Wel waar’.
‘Is effexor niets voor mijn moeder?’
gooi ik er snel tussendoor voor het uit de hand gaat lopen.
‘Komt ze misschien ook wat van aan’.
-Zes kilo schoon aan de haak had die troep me destijds opgeleverd-
Mam kijkt me nieuwsgierig aan.
Ik zie haar denken.
‘Dat is misschien wel wat voor u ja’.
Spruitje wikt
Spruitje weegt
‘Aan de andere kant, de eerste weken kan ze zich dan juist wat slechter voelen’.

Dokter staat op.
‘Weet u wat, dinsdag kom ik weer, en dan hebben we het er nog wel even over’.
‘Maar ik weet het antwoord al hoor dokter’.
Hij vertelt nogmaals dat effexor er de eerste weken voor kan zorgen dat ze zich juist nog onrustiger voelt.
Misschien zelfs angst of paniek aanvallen kan krijgen.
‘Doe maar hoor, die ‘Effect hoor’.
Mam hoort alleen maar die kilo’s
volgens mij.
Is ze eindelijk van dat gezeur af
denkt ze vast.
Hoe dan ook lijkt Effexor me een win-win situatie voor ons allemaal.

Dan vertrekt hij.
Pap zwaait hem gezellig uit.
Ik ben af.
Maar blijf nog even
gezellig
samen
zitten
stilzwijgen.

‘Zal ik je zo naar het station brengen?’ vraag ik dan.
Niet nodig.
Zus loopt liever.

Dan ga ik maar
weer
naar huis.

Dag pap
Dag mam
Tot morgen.

Dag zus.
Dikke
Kus.

Bakkie leut

Pap doet de deur al open als ik nog bezig ben mijn fiets op slot te zetten tegen de boom.
‘Hoi pap’.
Zus staat op van de bank en legt haar zware shaggie in de asbak.
Ik krijg een knuffel.
Een zussendezussenknuffel.

‘Ik wassuh aan ’t zuigen’.
De nieuwe stofzuiger staat midden in de woonkamer, als stille getuige.
Ook pap krijgt een zoen.
‘Hoe gaat het pap?’
Hij wiegt heen en weer.
‘Buikpijn’.

‘Sorry maar ik zag je berichtjes pas gisteravond laat in de trein’.
Er schijnt een 1 of andere stilzwijgende afspraak te bestaan dat ik de smessen die zus stuurt over de vorderingen van haar treinreis doorbel naar mijn ouders.
Ze zou om 17:53 stipt aankomen
(Sms 1, 15:20).
Maar daarna was er nog een aanrijding (sms 2, 16:57).

‘Hoe was het in het ziekenhuis van de week?’
Binnenkort krijgt ze een uitnodiging voor de allergie test , begrijp ik even later.
Bij mijn weten hadden ze die inmiddels allang al gedaan.
‘Nou, dan maar hopen dat E. dan toevallig kan hè?’
E. is een buurman die tegenwoordig met haar meegaat naar het ziekenhuis.
Dat wil zeggen, als hij kan.
‘Hij schildert stenen wit op kamp Westerbork’.

‘En moet nog keer bloed prikken’.
Ze wordt een beetje boos en kan niet goed uit haar woorden komen als ze me probeert uit te leggen dat ze dat laatst al gedaan heeft, maar nog steeds geen uitslag heeft gekregen.
‘De huisarts toch wel?’, probeer ik.
Ze schudt driftig haar hoofd en kijkt me met grote ogen aan alsof ik het mijn schuld is.
‘NEE….NEE!
Ik denk wel eens, ik ben proefkonijn’.
Pap is er opeens weer helemaal bij.
‘Ja, dat denk ik ook wel eens’.

‘Waar is mama?’
Pap verstaat me niet.
‘Boodschap doen’ zegt zus.
‘Al uur weg’.
Ja, mam neemt het er natuurlijk even van.
Gelijk heeft ze.

Pap gaat naar het toilet.
‘Ik heb eenneh vouwfiets’ zegt zus, als ik een stuk van de banketstaaf die ik voor de gezelligheid mee heb gebracht voor haar af snij in de keuken.
Pap ook een piepklein stukje.
Met warme melk.
‘Eenneh zwarte. Metteh briefbus voorop’.
‘Een mandje bedoel je?’
‘NEE. Eenneh BRIEFBUS zeg ik!’
Ik kijk ondertussen nergens meer van op.
‘Heeft X voor me gemaakt’.
X is een kunstenaar die in een botenhuis woont, begrijp ik even later.
‘Heel groot’.
‘Komt ‘ie mee met kerst?’
Ze bloost er bijna van.
‘Niet uit de oven?’
Ze kijkt me misprijzend aan alvorens ze een flinke hap neemt van de koude staaf.

‘Weet je. Misschien, ik kan straks niet lopen. Niet dansen. Geen…’, zegt zus als haar mond eindelijk leeg is.
Ik schiet in de lach om haar directheid.
‘Wat zeg je?’
Pap is er weer even bij hoor.
Zus antwoord niet.
‘Waar blijft je moeder toch?’

Er valt een stilte.
Waarin we het zo te zien dus niet ook even over mij gaan hebben.

‘Ga je vrijdag al weer weg?’ vraag ik uiteindelijk.
‘Ja. Moet naar Hans Sanders.
Nieuwe billen.
1 voor dag,1 voor nacht’.
Is aanbieding.
Zondag voorbij’.
Ik knik begrijpend.
‘Een rode’.
‘Ja leuk, zal je goed staan’.

‘Het is niet goed voor je rug hoor’.
O.
Gaan we het toch nog even over mij hebben?
‘Wat pap?’
‘Nou, voor Kylian.
Dat staan.
Hij had zo’n pijn in zijn rug van de week’.
‘Ik ook’, zegt zus.
‘Kyl heeft een lichte scoliose’, antwoord ik.
‘Ik ook’ antwoord zus.

Ha, daar is mam.
‘Wat ben je laat!’ zegt pap
‘Hoi mam’ zeg ik.
‘Ik blijf niet lang hoor, ik ben hier al even’.
Ze trekt haar jas uit.
Ik geef haar een zoen.
‘Vanavond nachtdienst.
Ik ga straks maar proberen wat slapen’.
Dat ik werkelijk geen flauw idee hoe ik de komende nacht een beetje redelijk moet gaan doorkomen zeg ik maar niet.
Het is er maar 1 gelukkig.

Maandag was ik zo ellendig uit mijn werk gekomen dat ik – hondsmoe, kotsmisselijk en met een drukkende hoofdpijn- gewoon niets anders kon doen dan languit op de bank en wachten tot Rem om zeven uur thuis kwam om de bloemkool te maken.
Vrijdag heb ik een date met Spruitje.
Tien voor tien.

‘Misschien kunnen we morgenavond nog wat afspreken?
Kom je met de fiets naar mij?’
Ik kijk zus verwachtingsvol aan.
‘Ik ga morgen lappen’, antwoord ze.
O ja.
Tuurlijk.
Fijn.
‘Maar morgenavond toch niet?’
Ze staat op.
‘We zien wel oké?’
-Knuffeldeknuffelzus-

dag pap
dag mam
dag zus

Tot ziens?

Interview met mezelf / 100-ste blog

100!

Vandaag plaats ik hier mijn 100-ste blogje.
Eerlijkheidshalve moet ik hierbij natuurlijk vermelden dat ik pas in mei serieus met bloggen ben begonnen hoor.
De blogjes van 11 mei heb ik natuurlijk niet in 1 dag uit mijn mouw geschud. Ach-wel-nee! Die heb ik ergens uit de donkerste krochten van Hyves en FB opgediept, beetje het stof er af geblazen et voila!

Maar des ondanks vind ik dat toch een leuke reden vandaag om mezelf eens te interviewen over mijn ervaringen als blogger tot dusver.
Here we Go:

Narda, vertel me eens, wat vind je nou zo lollig aan bloggen?
Tja. Allereerst helpt het me natuurlijk ook om mijn gedachten een beetje te ordenen. Ik weet van mezelf dat ik in periodes waarin ik weinig mee maak ook vanzelf weinig schrijf. Dat zie ik terug in mijn oude dagboeken.
Daarnaast ben ik ook niet zo’n prater. Ik kan wel praten natuurlijk, maar ik voel me daar vaak veel ongemakkelijker bij als bij schrijven. En vertel ik eens een leuke anekdote, dan komt de clue absoluut niet over haha. -Als ik al zo ver kom hoor, want meestal ben ik halverwege al zonder pardon onderbroken, zonder dat iemand daar ook maar erg in heeft. Story of mij life.
Hier kan ik lekker he-le-maal uitpraten, en pas als ik klaar ben, mogen jullie haha!

En Remco, je man?
Ach, Rem kan lullen!
Hij is verbaal enorm sterk. En vaak grappig en adRem. Mijn privé entertainertje, zeg maar. Geef hem een biertje en je bent de hele avond onder de pannen.
Soms moet ik hem echt een beetje afRemmen als we op een feestje zijn. Hoewel veel mensen dat wel gezellig vinden kan ik me daar soms een beetje aan storen.
Thuis is hij vaak rustig. Gelukkig wel zeg, alsjeblieft! Maar het is een schat hoor.
En hij kan ook best goed luisteren. Als ik zeg dat hij dat moet.
Waar Rem praat, schrijf ik.
Rem is trouwens dyslectisch.

Waar wil je heen met je blog?
Soms zit je in het heden, dan weer in het nu? Vertel eens, hoe zit dat? Ik word er een beetje draaierig van allemaal.

Op het moment speelt het gezin waarin ik geboren ben – mijn ouders en mijn zus- een hele grote rol. Mijn zus heeft zes jaar geleden een heel zwaar herseninfarct gehad en heeft een aneurysma in haar hoofd waaraan ze binnenkort geholpen moet worden. Mijn vader heeft natuurlijk kanker en mijn moeder is heel (heul heul) erg mager en rookt als een ketter.
Om het hard te zeggen: ik zou niet raar opkijken als ik ze binnen een paar jaar kwijt ben.
En heb ik dan nog zin om herinneringen op te halen?
Kan ik dat dan nog opbrengen?
Wat als ik het zelf allemaal dan ben vergeten?

Wat ook mee speelt is de vraag hoe we alle vier geworden zijn wat en wie we nu zijn.
Maar natuurlijk is het gewoon ook leuk hè, gezellig oude herinneringen ophalen.
En voor Kylian is het later misschien ook erg leuk.
Ik kan natuurlijk zien op mijn statistieken dat deze categorie het meest wordt gelezen, er genieten dus meer mensen van mee.

Tot hoe ver ga je door met het vertellen over vroeger?
Ik denk dat ik uiteindelijk de cirkel rond zal willen maken.
Ik heb nog zo veel te vertellen. Verheug me nu al op de jaren ’80!

Ben je ook zelf meer blogs gaan lezen? En welke zijn blogs zijn bij jou het meest favoriet?
Ja, dat lezen gaat vanzelf. Maar ik ben wel redelijk selectief geloof ik. Mijn blogrol pas ik van tijd tot aan. Het zijn stuk voor stuk blogs die de moeite waard zijn om te volgen.
Blogs waar ik het allerallerliefste lees zijn ‘Ingrid Blogs’, ‘Zuster Klivia’, ‘Vila Kakelbont’, ‘Wondelgijn’s pennenstreken en ‘Nanda blogt’.
Nanda is trouwens mijn allereerste volger die wel eens zei: ‘Misschien moet je daar of daar eens kijken, ik denk dat je die blog wel leuk vindt’. Of ‘Misschien moet je wat meer witregels gebruiken’. Dat soort dingen. Dat had ik van te voren niet bedacht. Dat ik er zo’n fijne sfeer zou vinden. En zulke lieve mensen. Ik had niet gedacht dat bloggen zo’n sociaal gebeuren was. Echt niet. Kon me eerst echt niet zoveel schelen of ik nou 3 of 50 volgers zou hebben.
Nu merk ik dat ik die feed-back (en steun!) gewoon heel erg fijn vind.

Wat moet je nog leren in Blogland?
O zoveel. Ik zit nog zo te oetelen.
Had ik vorige week ineens per ongeluk van die deprimerende vetplantjes als front. Kan ik zo maar een uur bezig zijn om mijn blog weer terug te toveren in zijn eigen vrolijke bonte ik-je.
Of een link in een bericht plaatsen.
Weet je hoe lang het trouwens heeft geduurd voor mijn ‘Beauninoblog’ linkje doorklikte naar mijn site?
Uiteindelijk wel gelukt met veel dank aan de zuster.
Ja, ik heb nog wel wat te leren hoor.

Wat zou je nu bijvoorbeeld willen weten?

Misschien kan ik van de gelegenheid gebruik maken door aan de andere bloggers te vragen hoe ik het beste mijn berichten kan beschermen.
Kan ik mijn blog ergens kopiëren? Of maken jullie kopieën in Word?

Je schrijft nagenoeg nooit over je werk. Waarom niet? Is het zo saai daar?
Nee hoor, inspiratie te over op de werkvloer, dat zeker.
Maar ik heb al zoveel om over te schrijven dat ik daar niet eens aan toe kom. Verder vind ik dat ook een beetje eng; Waar begint de scheidslijn tussen wat je wel en niet schrijft? Die lijn ligt voor mij immers misschien ook heel ergens anders dan bij mijn werkgever, collega’s en de patiënten.
Wat ik er wel over kwijt wil: Ik heb een leuke -maar ook voor mij zware!- 32 urige (24-7) werkweek als afdelingssecretaresse in de zorg.

Waar ben je het meest trots op?
Het meest trots ben ik er op dat er mensen zijn -niet veel, ik weet het, maar ze bestaan!- die mij volgen.
Dat vind ik echt heel erg leuk en fijn. Dank jullie wel.
En ook de terugkomers van tijd tot tijd natuurlijk.
Ik voel me om eerlijk te zijn ook best een beetje vereerd dat hele populaire bekende blogsters wel eens bij me komen lezen.

Wat waren zo’n beetje de Google zoektermen waardoor lezers op je blog terecht kwamen?
Even kijken hoor. Nou, een greep:
-vliegen op hortensia
-hormoonyoga in Goes
die heeft wel erg lang moeten scrollen denk ik
-I need Coffee hemdje grijs
Wie o wie?
-doen kat alleen thuis
De kat verveelde zich kennelijk nogal.
-patchwork kussen maken
Sorry, totaal aan het verkeerde adres
-tafeltjes avond waar gaat het over?
Ach gut, en dan komt het mens bij mij terecht, vraag me af of ze überhaupt nog is gegaan?

Tevens ben ik schijnbaar ook tot een soort van medisch naslagwerk / bijbel voor mens en dier gebombardeerd door de Google zoekmachine….
-10 geboden voor Bordeauxdog
-termijngeheugen kip
-mijn Bordeaux dog eet wit brood
-onze bordeauxdog is verwend
-lekkende milt hond
-rotte tanden bij Bordeauxdog
-puppy druppelt urine aan d’r muts
-Bordeauxdog kou
-kat misselijk na wespensteek
-hondenneus schoonmaken
-Bordeauxdog en Tramadol
(?)

-wat is anafylactische shock
-gevoel dat ik op een plooi in mijn sik loop
-wespensteek word blauw
-ontsteking nek
-massage en Diazepam bij nekpijn
-pijn in zitbodje – met een D ja.
-koelelement achillespees?
-Sauna en bijholteontsteking
-waarom moet ik veel water bij heupblessure
-vannacht hele nacht steken hamstring
-heup plopt achterkant
-levensverwachting bij poly -artrose

…Alsmede soort van maatschappelijk vraagbaakje:
-Hoe kom ik in godsnaam als alleenstaande moeder uit de bijstand?

Maar de meest tot de verbeelding sprekende zoekterm voor mij was wel:
– Narda, waar hang je uit?

Is er nog iets wat je kwijt wil aan je lezers?
Neuh. Ik geloof het niet.
Ik hoop dat ze het leuk vonden om wat meer over mij te weten te komen.
Waarom ik blog en zo. En dat ik maar wat doe. En dat ik het zo leuk en gezellig vind.
O ja, en zeg maar dat ze me best een vraag mogen stellen hoor, als ze nog iets willen weten. Altijd goed.

En nu Narda, wat ga je nu doen?
Nou ehh.. Nu ga ik dit interview plaatsen, overlezen, rectificeren, weer lezen, rectificeren, douchen, aankleden, nogmaals lezen, rectificeren, broodje eten en dan net de trein en metro naar mijn werk.

Nog een tip voor je lezers misschien?
Ja, ik zou een dag of wat achter gaan lopen met mijn berichten lezen.
Scheelt een hoop stijl- en spelfouten!