Septembergelukkig

We waren het niet van plan.

Een waterig zonnetje scheen
zodat ik de verleiding niet kon weerstaan
mij nog even in mijn hangmat te vleien
spontaan.

Poes op mijn buik
Een kus op haar neus
Een beet in de mijne
En spinnen
die spinnen

tot het eerste gouden blad
ons deed herinneren
aan de tijd

waren we
eenvoudig
septembergelukkig.

We waren het niet van plan.

——————————————–

Geschreven Dubbele buurt Wormerveer, september 1993

Beveiligde berichten

Hoi  volgers,

Als je geïnteresseerd bent in het volgen van de beveiligde berichten, wil je me dan even een berichtje sturen via mijn ‘brievenbus’?

I.v.m. de privacy van mijn ouders heb ik toch besloten deze berichten voortaan te beveiligen met een wachtwoord. Ook oudere posts heb ik alsnog beveiligd.

Het voelde toch niet helemaal oké, ook al heb ik zelf nog zoveel behoefte om dit te delen.

Zoals volgens mij veel bloggers ben ik namelijk veel beter in schrijven dan in praten.

Ik heb de afgelopen paar maanden hele fijne, grappige, lieve bloggers hier een klein beetje mogen leren kennen, en ik hoop van harte dat deze mensen zich zo vrij zullen voelen om mij om mijn wachtwoord te vragen. Soms schrijf je nou eenmaal wat makkelijker voor onbekenden. (Maar voel je natuurlijk niet verplicht hoor, zo vrolijk is het allemaal niet natuurlijk;-)  Sommige hebben al genoeg aan hun eigen ellende op het moment.

Nou, zie maar!

Groetjes, Narda

Nachtbrakers

Het is nog voor enen als de telefoon gaat.
Ik hoor hem nooit
Rem hoort hem wel.

‘Pap, wat is er?’
Hij is zo duizelig en draaierig.
Durft niet meer alleen de trap op
terug naar bed
‘En je moeder slaapt’.

‘Pap, ik kom er aan
haal je de deur van de ketting?’
‘Fort Knox’ is niets vergeleken met mijn ouderlijk huis.
‘Ik zal het proberen’.

Terwijl ik lukraak wat kleren pak
bel ik het nachtnummer van de Oncologie.
‘Ik bel u zo terug’ zegt de zuster
‘Even met de arts overleggen ‘.

Als ik bij pap kom staat de buitendeur op een kier.
Goddank!
‘Gaat ie pap’.
Hij ligt op de bank.

De dokter belt.
We spreken af dat we langs komen
op de eerste hulp.

Dan maak ik zo voorzichtig als ik kan mijn moeder wakker.
Evengoed schrikt ze.

Gelukkig hadden we het tasje al ergens ingepakt.
‘Toch mam?’

Ik gris her en der wat chemopillen van de haard, oxinorm uit het medicijnkastje, zijn insuline pen van boven en meer.
O ja: bril
O ja: tv gids
Tv gids?
Ja, tv gids!

‘Kom pap, doen we je shirt gewoon over je pyjama’.

Dan zijn we zo ver.
‘Ga maar lekker samen achterin’.

De maan is bijna vol
Er staat geen zuchtje wind.
Zelfs de Zaan houdt zijn adem in.

Bij de eerste hulp rij ik direct met pap in de rolstoel naar het invalide toilet.
Datzelfde kunstje doen we die nacht nog vier keer, maar dan doet er ook een infuuspaal met ons mee.
‘Wat een team hè?’

Zuster, vochtinfuus, bloedafname,
wachten, wc, wachten,
dokter, wachten, wc, wachten.
‘Wat is het hier koud’ zegt mam.
Haar vingers zijn ijskoud.
‘Heb je mijn voeten nog niet gevoeld’.

Ha!
Daar is de dokter weer.
Pap ‘mag’ een nachtje blijven.
Zegt ze.
Straks komt de zuster van de oncologie hem even halen.
‘Met een lekker zacht bed’.

‘O, toch nog 1 vraag’
Ze komt weer dichterbij
en stelt hem
een beetje ongemakkelijk.
Hij begrijpt het niet.
Ze is ook zo subtiel.

‘Of je ge- re- a-ni-meerd wil worden!’
vertaal ik.
‘Wat?
Nu?’

Ja dat lijkt hem nog wel wat.
Ons ook.
Dan zijn we het eens
gelukkig.
‘Dag hoor dokter’.

Mam legt haar hoofd op zijn schouder.
Pap draait zijn hoofd
steeds maar weer
steeds heen en weer
en weer nog een keer.
Zijn grote hand omvat haar kleine.

Ik hoor hier helemaal niet te zijn.

Daar is het bed al
met de zuster
‘van vanavond aan de telefoon’.
O ja.

‘Nou pap, is dat niet fijn.
Een eigen kamer
voor jou alleen.
‘En kijk hier dan,
een toilet
vlak bij je bed!’
Ik val bijna in extase,
Of zo.

De paal
De bel
Het licht
Het is allemaal nieuw.
En veel.
‘Weet u wat, als u moet dan belt u mij maar even’.
Ja dat moet.

‘Ik neem je portemonnee mee hoor’.
Hij verstaat het niet.
‘Dat ik je portemonnee mee neem’.

Weet je wat, ik schrijf het wel even op in ons schriftje.
-En leg het open naast je neer.
Met je bril
de gids van thuis
en wat smintjes
voor je droge mond-

Dan gaan we.
Mam een kus.
Ik een knuf.

Dag pap
Slaap jij maar lekker uit
daar op 4 zuid.

‘K ook

‘Mam, jullie doen het al jaren verkeerd’.
Het is vrijdag.
Rem is net uit zijn werk en zit met Kyl gezellig aan tafel als ik met de paar boodschappen binnen kom, die ik direct even uit mijn werk had gehaald.

‘Een wijntje schat?’
Ik schuif gezellig aan.
Rem heeft het kacheltje gerepareerd zie ik. De vlammetjes branden gezellig.

‘Vertel, wat doen we verkeerd Kyl?’
Ik leg mijn voeten op de warme stoel van Rem die in de keuken de boodschappen uit staat te pakken.

‘Nou, zeg eens eerlijk, hoe kook jij spruitjes?’
Ik vertel dat ik eerst de kontjes er af haal, dan de schilletjes, en dat ik ze dan kook.
Rem vult vanachter de bar mijn tekst aan:
‘En als ze koken giet ik ze af en breng ik ze opnieuw aan de kook’.
Dat laatste doe ik dan weer nooit.
Ik ben meer van het scheutje melk.

‘Fout!’
Ik had al zo’n donkerbruin vermoeden.
‘Je moet ze eerst ciseleren’
We kijken hem vragend aan.
‘Even een kruisje erin maken aan de onderkant’.
O.

Terwijl ik op zijn verzoek vervolgens nog midden in mijn verhaal ben over hoe ik mijn broccoli kook, schudt Kylian al meewarend over zoveel domheid zijn hoofd.
‘Broccoli moet je B-l-a-n-c-h-e-r-e-n mam’.
We kijken hem aan.
‘Je weet wel, na het koken even in ijswater dompelen.
O.
‘Dan krijg blijft je broccoli lekker ‘el dente’.
Ow.

‘En hoe plisseer je tomaten?’
Dat weet ik toevallig.
‘Nee mam, geen vijf minuten, een minuut is genoeg’.
O.

‘Ik ga zo prei-schotel maken.
Kom je me even helpen?’
Hij is al bij de trap.
‘Kan niet, ik moet nog even …’
Ow.

‘Denk je eraan dat ik maandag mijn overhemd weer aan moet’, vraagt hij halverwege de trap.
O.
‘En kunnen we straks een beetje op tijd eten?’

Druk, druk, druk is-tie,
onze hotelmanager in de dop.

Rem en ik zuchten tegelijk.
Nog drie jaar.

En nu al af en toe zo’n ontzettende zin om hem te flamberen.

(Met dank aan Ingrid (blogs’) voor de ‘Ow’s’)

Chemo 2

Eerst even een Noot:
Ik weet dat ik een grens benader en misschien zelfs soms overschrijd door het plaatsen van deze privé aangelegenheden.
Ik hoop dat een ieder die dit leest daar dan ook zeer respectvol mee om gaat.
Heel veel plaats ik ook niet.

De reden waarom ik toch besluit mijn teksten over mijn ouders openbaar te plaatsen, is dat ik het begrip enorm nodig heb op het moment.
Begrip voor de situatie.

Zodra je je als lezer hier niet in kunt vinden, of dit niet kan begrijpen, wil ik je vriendelijk verzoeken hier voortaan niet meer te komen lezen.
Voor mij is het schrijven een uitlaatklep die ik op dit moment hard nodig heb.

Geen van mijn teksten is kwetsend of kleinerend bedoeld.
Indien dit wel zo wordt opgevat, zal dit liggen aan de interpretatie van de lezer, niet aan hoe ik het heb bedoeld.

Ik hoop dat jullie blijven komen, blijven lezen, en blijven reageren.
Privé dan wel openbaar.

Dank jullie wel.

Donderdag 12 september.
‘Wat ben je vroeg, je zou toch om 13:00 uur pas komen?’
Het is half een.

‘Hoe gaat het pap?’
Hij ligt op de bank.
‘Help me eens even’.
Ik trek hem overeind.
‘Het gaat wel hoor.
Hetzelfde’.

Ze hebben al gegeten.
Ik maak snel even een broodje voor mezelf.
Ik kom rechtstreeks bij de tandarts vandaan.
‘Wat een mooie zonnebloemen’.
‘Ja hè, van F. gehad’
Hij is er duidelijk blij mee.
En ik ook.
F is de overbuurvrouw.
Fijn dat ze een beetje weet wat er speelt.

Daarna haal ik de stofzuiger door de kamer.
Mijn hemel, wat een onding zeg.

‘Zet jij dan een bakkie pap?
We zijn rond half drie terug’.
Mam en ik gaan even een rondje doen.
Eerst even langs de Blokker voor een nieuw wc matje.
Ze hebben er geen daar.
Wel badmatten.
‘Gaan we zo wel even langs de Praxis’ , beloof ik haar.
Alsof ze daar blij van moet worden.

‘Blijf jij in de auto?’
We staan voor de apotheek.
‘Dan hoef ik geen kaartje te kopen’.
Da’s zo’n gedoe tegenwoordig.
Moet je eerst je kenteken invullen.
Alsof ik dat weet.
Kan je eerst terug naar je auto want dat kan ik natuurlijk niet lezen van zo’n afstand, dan snel uit je hoofd leren, en dan weer terug naar die automaat.
En dan nog maar hopen dat je onderweg geen bekende tegenkomt die je aanhoudt voor een praatje.
Of alleen maar hallo zegt
of hoi.
Kan je namelijk weer terug.
Ik wel.
Mam hoef ik dit soort dingen niet uit te leggen.
Ze blijft wel zitten.
Zegt ze.

‘Banaan, aardbei en het liefst ook een paar mokka’.
Die vindt mam zo lekker.
De laatste heeft ze op het moment niet.
Met een voorraad waarmee we half hongerend Afrika een jaar lang op de been kunnen houden, verlaat ik de apotheek.

Nu nog even een voorraad regelen voor mam die ze de vorige keer gewoon moest betalen, ook al was het op doktersrecept.

Gelukkig is de assistente er die ik een beetje ken.
Ze is wat ouder, en daarom misschien wat geduldiger dan de meeste andere assistentes.

Het is een grote praktijk.
We regelen direct met haar de overschrijving naar mijn huisarts die ook in deze praktijk zit.
‘En dan zorg ik er straks even voor dat de dokter dit even ondertekent’.
Ze wappert met iets dat er voor gaat zorgen dat mam haar Nutridrink ook gratis krijgt in het vervolg.

Als we uitgeregeld zijn lopen we naar de auto terug.
Hij staat bij de kazerne.
Wat is dat lang geleden hè?’
Ze knikt.
Kijkt naar boven.
naar de kantine.

Via de Noorddijk rij ik naar de Praxis.
De Praxis staat midden in het weiland waar ik als kind vroeger op uit keek vanuit ons slaapkamer raam.
En de Gamma daarnaast misschien wel precies op het geitenhutje waar we stiekem wel eens gebruik van maakten.

We passeren eerst het nieuwe uitvaartcentrum.
‘Als ik ooit dood ga wil ik hier liggen’.
zeg ik.
Mam kijkt me aan.
‘Ja. Daar ben ik toch geboren?’
Ik wijs naar links.
Naar de flat.
‘Dan is het toch mooi dat ik ooit afscheid neem op de plek waar ik vroeger als kind zo vaak over uitkeek?’

Ik weet niet waarom ik het zei.
Flapuit die ik ben soms.
‘Ja, dat is wel mooi’.
beaamd mam.

We rijden de parkeerplaats op.
‘Pap wil naar het Schoolpad’.
zegt mam dan.
‘En de kerk?’
vraag ik.
‘Geen kerk’.
‘Fijn om te horen’
zeg ik.
Pap had niet zo veel met de kerk.
Het had niet geklopt.
‘Maar wel een pastoor’.

Ik zet de motor uit.
‘Hij heeft zelfs zijn kist al uitgezocht’.
Ik kijk haar aan.
Dan schieten we samen onbedaarlijk in de lach.
Mijn vader is kleurenblind.
En daarbij nogal eigenwijs.

‘Mam ik lach wel, maar het zijn tranen hoor’.
Dan zegt ze dat ze er gelukkig nu ook weer een beetje om kan lachen.

In de Praxis houd ik een voor een de wc matjes omhoog.
Als we een leuke selectie hebben leg ik ze naast elkaar op de gladde vloer.
Samen doen we de anti- slip test met het puntje van onze tong uit onze mond.

Thuis staat de koffie nog niet klaar.
‘Ik was even in slaap gevallen’.
Pap kijkt op de klok.
‘Jullie zijn te laat’.

Als we aan de koffie zitten vertel ik over de appels in mijn boom.
‘Lekker Nadda, appeltaart!’
Ik beloof er zaterdag 1 voor hem te bakken.
Dan ga ik naar huis.

Zaterdag 15 september
‘He, wat leuk, ik dacht dat jullie morgen zouden komen’.
Zucht.
In ganzenmars lopen we naar binnen.
Kyl voorop met de geklopte slagroom met zoetstof.
Daarna ik met een gloeiend hete appeltaart met zoetstof.
Rem sluit de rij met de nieuwe emmer die we vanmorgen bij de kampeerwinkel hebben gekocht.

Terwijl mam koffie zet snij ik de taart.
‘Wil je een klein stukje pap, of een grote?’
Hij kiest de allergrootste.
‘En veel slagroom graag’.

Pap smult.
‘Schat, mag ik nog een beetje slagroom?’
Ik snijdt de rest van de taart in gelijke delen.
‘Twee stukjes voor morgen, en dan doe je de rest straks lekker in de vriezer mam’.

‘Merk je nog wat van die chemo pap?’
‘Nou…Ik zie een beetje waas’
‘Sinds wanneer dat dan?’ vraag ik.
‘J en A zijn op vakantie’
antwoord pap.
Mam zit op het toilet.
‘Hij heeft me vanmorgen gebeld’.
J is zijn broer.
‘Sinds wanneer zie je wazig dan? ‘.
Probeer ik nog eens.
Pap reageert een beetje kribbig: ‘Ach dat komt gewoon van al die medicijn en’.
Ik laat het erbij.

Mam is er weer bij.
‘Willen jullie nou half seizoen, heel seizoen of niets?’
Ik ben ondertussen het spoor volledig bijster geraakt wat de kampeerplannen voor volgend jaar betreft.
Is natuurlijk ook moeilijk voor ze nu.
Maar ik moet het toch een beetje zeker weten binnenkort.

Nog maar vijf weken geleden moest het hele spul stante pede op Marktplaats.
En daar heb je natuurlijk eerst mooie foto’s voor nodig, dus wij op naar Bakkum.
Aldaar bleek dat we misschien beter eerst even een sopje konden maken en de boel een beetje aanvegen voor we aan de fotoshoot begonnen.
Eenmaal weer thuis moest er natuurlijk een pakkende tekst onder de foto’s komen (ik) en de overige bijzonderheden opgesomd (Rem).
Kortom, we waren er een hele dag mee zoet geweest.
‘Moet er niks op de tent dan?’
vroeg pap, die wij telefonisch verslag uitbrachten.
De volgende dag hing er reclame aan de voortent.

We besluiten een optie voor volgend jaar te nemen.
‘Ja, want die .X.. zit te azen op mijn plekkie hoor!’
X is een kennis.
X zag ons nummer aan de voortent
X belde mij een week of wat terug.
‘Het nummer van mijn ouders geef ik u liever niet, maar ik zal vragen of hij u belt’.
Ze hebben X nooit gebeld.
‘Die zit alleen maar te azen.
Al jaaaaren!’

Ik beloof morgen even bij de receptie naar binnen te wippen.
We moeten er toch even heen om de koelkast te ontdooien en vast wat slaapzakken te halen.
Bovendien twijfelde ik over het dakraampje.
Stond dat nou wel of niet op een kier?

We nemen een borrel.
Behalve pap.
Die drinkt bijna nooit.
Hooguit eens een maltje.
Ik neem een rood wijntje, Rem een pilsje.
Kyl maait ondertussen het gras voor opa.

‘Wat een rotstofzuiger hè?’
begint mam opeens.
Pap zit op het toilet.
‘Je vader stofzuigt altijd.
Ik kan niet met dat rotding overweg’.
Ik ook niet.
‘Mam waarom koop je niet gewoon een nieuwe?’
Ze zucht.
‘Deze is nog van zijn moeder geweest, het is echt een rotding hè?’
vraagt ze me nog maar eens.
‘Bij de Blokker zagen we van die mooie compacte zwarte in het middenpad, weet je nog!’
Ze weet het nog.
‘Zullen we van de week nog even kijken samen?’

Daar is pap.
Hij doet het rolgordijn dicht en trekt zijn shirt uit.
O ja. De nieuwe pleister.
‘Goed aandrukken pap’
Pap zucht heel diep.
Nee, je hoeft niet te zuchten.
Ik duw mijn duim terug op de pleister.
‘Ook weer gebeurd’.

Kyl is klaar.
We bewonderen alledrie zijn werk.
Opa gelooft het wel.
‘ J. en A. gaan morgen op vakantie’
zegt mam die net op het toilet zat toen we het er eerder over hadden.
‘Wie?’
vraagt pap.
‘J. Je broer! ‘
Schreeuwt mam.
‘O ja?
Waarheen?’
‘Naar Toscane’ roepen we in koor.

Dan gaan we ‘maar weer eens’.
De soep moet nog gemaakt.
‘Wat, nu nog?’

Ik schrijf nog even in het schriftje dat ik woensdagochtend uit de nachtdienst kom, en dat ze dus Rem op zijn mobiel moet bellen als er wat is.

Vandaag, maandag 16 september:

‘Mam, met mij.
Denk je er nog even aan voor tienen te bellen met de oncologie verpleegkundige over dat waas zien’.
Mam antwoord dat ze ook een nummer heeft voor na tien uur.
‘Ja, dat weet ik, maar nu is het telefonisch spreekuur, weet je wel?’

Als ik een half uurtje later bel neemt pap op.
‘Hoezo bellen?
Nee hoor, met mij is niets aan de hand.
Nou ik moet nu naar het toilet.
Dag hoor’.

Tut tut tut.

Wat we zoal aten in de jaren ‘ 70

Natuurlijk aten we net als nu vaak gewoon aardappels met groenten.
Meestal met (door)gekookte groenten zoals andijvie en witlof die mijn moeder steevast aanmaakte met een papje van maïzena. Ook voor de bloemkool maakte ze vaak een papje van maïzena.
Echt, ze zou volgens mij niet geweten hebben wat ze zonder maïzena had moeten beginnen.

Rauwkost aten we niet veel. Wel bladsla, aangemaakt met een eitje, een tomaatje en slasaus die uit een fles kwam waarop ‘slasaus’ stond.
Broccoli, courgettes, aubergines kende ik nog niet hoor, in die tijd.

We aten de groenten van het seizoen. In de zomer dus vaak tuinboontjes en snijboontjes die we zelf hadden moeten helpen plukken in de moestuin van een van onze vele ooms.
En massa’s andijvie die we van de onderbuurman op de eerste etage kregen. Hij had een moestuin pal naast het kerkhof bij de Watering wat vast en zeker heeft meegeholpen aan de rijke oogst die hij ieder jaar had.
Verder aten we gekookte bietjes en mierzoete rabarber in de zomer, en rode-groene- en spitskool in de winter.
Daarnaast aten we de stamppotten zoals we die nu nog kennen. Gewoon met worst en uitgebakken spekjes, lekker.

Zoals de meeste kinderen hield ik niet van spruitjes en zuurkool.
De laatste aten we met een stuk spek met het zwoerd er nog aan en grote plakken gebakken bloedworst. Hoef ik Kylian echt niet voor te schotelen, maar wij moesten het gewoon opeten. Zonder pardon. Nou ja, en zonder zwoerd dan.

Waar ik ook zo van gruwde was lever! Getverjasses!
Kippenlevertjes met gebakken uitjes waren dan wel weer lekker.

Vleesproducten zoals Gelderse schijven, cordonbleu en dergelijke verkocht de Spar ook niet toen.
Wel speklapjes, slavinkjes, karbonaadjes, draadjesvlees en gehakt natuurlijk. En af en toe een biefstukje.
Op vrijdag aten we vaak gekookte vis met worteltjes. Soms stoofde mijn moeder de paling die mijn vader gevangen had, heerlijk!

Nasi kenden we wel, de Chinees had inmiddels zijn intrede gedaan in Wormerveer, daar heb ik eerder over geschreven. Maar een pizzeria kende ik in mijn lagere schooltijd nog niet, laat staan de spareribslijn, of een broodje Shoarma.

Zo’n beetje een keer per week aten we macaroni.
Zakjes of potten met kant en klare saus bestonden volgens mij ook nog niet begin jaren ’70 dus we aten net als heel veel andere mensen de macaroni met een blikje Smak, een blikje tomatenpuree, wat geraspte kaas daarover, klaar en smullen maar!

Heel af en toe maakte mijn moeder ‘Jan in de zak’ ofwel ‘broeder’. Dit was een soort meelbal die gekookt werd in een katoenen zak.
Vervolgens sneed ze deze op tafel in plakken die we overgoten met stroop en boter saus. Wat overbleef bakten we de volgende dag tussen de middag op en dan was het nog lekkerder.
Bruine bonen aten we ook met stroop. Veel stroop. We aten veel en veel te veel suiker in die tijd. Over de yoghurt gingen minstens twee scheppen suiker.

Boerenkool en hutspot bakten we ook wel eens op tussen de middag. Net zo lang tot er een lekker bruin korstje op zat. Dat vond ik heerlijk op een sneetje witbrood met dik boter.
Restjes macaroni trouwens ook.
Of gewoon gebakken smak.

Doordeweeks aten we altijd een broodje op schoot. We waren alledrie gek op lezen, mijn moeder en zus nog veel meer als ik.
Het was dus ‘hup, snel een broodje maken, schenk jij de melk vast in?’ en lekker lezen. Wat dat betreft waren we drie paar handen op 1 buik.

Voor het dessert maakte mijn moeder wel eens Saroma pudding. Ook was ik gek op warme custardvla. Met zo’n dik vel, heerlijk. Nog steeds trouwens hoor!
Wat ik echt niet te hachelen vond was bloempap en lammetjespap.
Verschrikkelijk!
Meestal was het echter yoghurt en op zondag een fla-vlip.

Op zaterdag aten we tussen de middag meestal soep terwijl we luisterden naar de ‘Dik Voormekaar show’. Wie luisterde daar nou niet naar hè?!
Die soep werd altijd vers gemaakt. Gewoon met een mergpijp en soepvlees. De groenten sneed ze ook helemaal zelf!

Er was dan ook helemaal nog niet zo veel ‘kant en klaar te koop in de Spar.
Ik kan me wel herinneren dat er (’74?) vier kleine ronde bakjes met geconcentreerde soep in glazen werd verkocht. Die moest je dan aanlengen in dat glas met kokend water. Volgens mij was het even een ware hype.
Er waren wel pakjes gedroogde soep te vinden, maar dat was dan meer iets voor op de camping of zo.

Op zaterdagavond aten we meestal een broodje aan tafel met een beker warme anijsmelk. Dat moest dan eerst 1 broodje met vleeswaren zijn, of makreel, daarna mocht ik iets zoets zoals gestampte muisjes.

1 keer in de week kregen we chips en cola. Verder was het doordeweeks een koekje, een dropje of een halve sinaasappel met limonade (of perensap).
Een enkele keer mochten we iets kopen voor een dubbeltje. Meestal kozen we voor een schuimblok waar je , als je zuinig was zo een uur mee kon doen. Heel soms kozen we een drie Musketiersreep, een smile die we op een knijper deden, of een zwart op wit knots.
Waar we ook gek op waren was ‘Spoetnik’. Ken je dat nog? Koffiemelk, suiker en gazeuse?
Geweldig leuk om te maken, probeer maar eens.

Als ik ziek was maakte mijn moeder heel soms knappertjes-met-een-likje -boter en een kopje slappe thee voor me, als ik me al iets beter voelde.
Nog steeds is dit een beetje troost eten voor me. Net als warme anijsmelk met mijn eigen theelepeltje er in.

Op camping ‘de Oude Boomgaard’ stond op ons plekje een hele grote perenboom. Zodra we de peren geoogst hadden, braken er natuurlijk drukke tijden aan in het kleine keukentje van mam.
De weken erop aten we dan gestoofde peertjes, perenmoes en dronken we perensap tot het onze oren uit kwam. En dan had ze ook nog zakken vol weggegeven, kun je nagaan hoeveel peren de boom gaf.

Van kaassoufle’s en vlammetjes had ik ook nog nooit gehoord. Bitterballen waren er natuurlijk wel, deze at je gezellig samen met de frikadel, die je overigens gewoon zelf nog even in stukjes sneed, op aan je nieuwe bar. Ook zo’n typisch jaren ’70 fenomeen.

Aan deze bar ging je op zaterdagavond ook wel eens fonduen met leuke bruine fonduebordjes en vorkjes met een kleurtje in hun kont. Gourmetten en steengrillen kwam pas veel later in zwang.
De dipsausjes in zakjes van Calve bestonden trouwens al wel gelukkig.
Heel hip en gezellig was dat, fonduen.
Behalve dan voor mijn vader die natuurlijk doodsangsten uitstond met de poederblusser klaar voor gebruik onder zijn kruk.
We hebben maar niet zo vaak gefondued.

Met kerst aten we meestal kalkoen. Dat was best een heel gedoe. En hij mislukte altijd. De ene keer gortdroog, dan weer taai of verbrand.
Je moest mijn moeder nageven dat ze een doorzetter was op culinair gebied.

Allereerst moest er een kalkoen gekocht worden bij van der Laan, de poelier op de krommenieeerweg.
(waar nu de Mexicaan zit). Daar moest ze toch minstens wel een uur voor uit trekken.
Vervolgens moest ze, nadat ze twee uur later bij de visboer op het marktplein ook de Hollandse garnalen had gescoord, de laatste veertjes uit het beest plukken, alvorens hij van binnen en buiten grondig gewassen kon worden.
Meestal vulde ze hem -onder toeziend oog van zus en mij- met gehakt en kastanjes.
En een scheutje port.
‘Wordt ‘ie lekker sappig van’.
Ja ja.
Even later pelden zus en ik dan de garnalen op een krant, een monnikenwerk, terwijl mijn moeder de kalkoen dan weer min of meer een beetje herkenbaar als zodanig in model bond.

Met de kerst kregen we ’s morgens rond elf uur een klein glaasje (dat noemde ze dan heel onschuldig een ‘proefie’) boerenjongens ‘voor de gezelligheid’.
De Irish Coffee hadden we dan al afgeslagen.
Na de lunch volgde gezellig een kersenbonbon en een rumboon bij de thee. ‘Lekker hè meiden?’
Rond vier uur volgde de bowl.
Jaren later kwam ik erachter dat ze zoiets in Spanje Sangria noemden. ‘Toe, neem nog een beetje!’

Tegen de tijd dat we aan tafel gingen, waren we al flink lichtelijk aangeschoten.
Uiteraard kregen wij een glaasje rode wijn bij het eten. Hoorde bij onze opvoeding vond mam. En was bovendien ‘Zo feestelijk!’
Door de garnalencocktail zat natuurlijk een flinke teug whisky, en de peertjes stoofde ze volgens mij in onverdunde rode wijn.
Ook de tutti- frutti had waarschijnlijk minstens een dag in de sherry liggen weken.
‘Ach dat kleine beetje alcohol is allaaang verdampt’ riep ze dan.
‘Nog een glaasje wijn?’

Van de kerstdesserts is me bar weinig bijgebleven.
Hoogstwaarschijnlijk lag ik tegen die tijd natuurlijk allang al ladderzat onder tafel….

(Geschreven met een klein korreltje zout;-)

Wat we zoal droegen in de jaren ‘ 70

Meestal kwam er in de jaren ’70 iets in de mode en daar ontkwam je dan gewoon niet aan.
Nu zijn er vaak meerdere stijlen tegelijk die in de mode zijn, destijds vaak maar 1. Nou ja, zo herinner ik het mij.

Zo stonk Nederland begin jaren ’70 nog verschrikkelijk naar Afghaanse hippiejassen, weet je nog? Jek!

Als peuters en kleuters hadden we het begin jaren ’70 niet makkelijk wat kleding betrof.
De jurkjes hadden een truttigheidsgehalte die zijn weerga niet kende, en de maillot die je daar in de winter onder aan moest was alleen al een drama op zich want die kriebelde natuurlijk als een gek en daarbij hing het kruis zowat op je knieën. En probeer dan maar eens fatsoenlijk te rolschaatsen!
In het voorjaar en najaar droegen we witte kniekousen onder de jurkjes die om de haverklap op mijn enkels hingen, maar desondanks te prefereren waren boven de eerder genoemde maillot. Wat was ik blij als ik eindelijk ‘met blote benen mocht’.
Erover droegen we vaak onze door ‘tante Nel- van- ome -Joop’ gehaakte poncho waar we gek op waren.
Eronder droeg je vaak lakschoentjes.
Nou ja, wij wel dus 😦

Maar op de camping hadden we natuurlijk klompjes aan onze voeten.
Ik had eens hele lieve rode glimmende klompjes met witte stippeltjes die ik het liefst ook nog in bed droeg. Die hadden we gekocht met mijn vader op een markt in Heerhugowaard.

Vaak kregen zus en ik kleding van onze nichtjes. Twee keer per jaar werd er door mijn moeder en haar zusters een soort van kledingruilmiddag georganiseerd. Alles wat we niet meer paste maar er nog fatsoenlijk uitzag, werd in een vuilniszak meegenomen. Vervolgens werd alles op een hoop op tafel gegooid, er werden een paar flesjes wijn open getrokken en de pret kon beginnen.

Het was eigenlijk niet eens echt ruilen. Het ging meer zo van: ‘Ik heb hier een schattig jurkje maatje 128 voor de zomer. Wie o wie?’ En wie het eerst riep kreeg het jurkje. Het was altijd een jolige boel.
De kleding was geloof ik meer bijzaak.
Achteraf gezien.
Of geldig excuus, dat kan ook.

Meestal wist ik dus altijd ruim een half jaar van te voren wat ik de volgende zomer / winter zou moeten dragen.
En allemaal heel en keurig schoon hoor. We waren van mijn moeders kant met 13 nichtjes. Onze neven waren met zes behoorlijk in de minderheid.
Het meeste kregen we van ons nichtje H. die erg netjes op haar kleding was.
Maar eerlijk is eerlijk, ook al zat het allemaal afschuwelijk: we zagen er altijd uit om door een ringetje te halen. Dat wil zeggen: tot het foto moment natuurlijk. Van mij ging er heel weinig kleding door, en niet alleen omdat ik een van de kleinste was.

Natuurlijk kregen we ook nieuwe kleren van tijd tot tijd. In ieder geval werden we altijd met Pasen en voor Kerst van top tot teen in het nieuw gestoken. Ook in de herfstvakantie trouwens. Maar die drie keren in het jaar pakte mam het groots aan.

Hiervoor gingen we met ons drietjes met de Fiat 800 naar Zaandam. Nu was mijn moeder niet zo’n held met de auto, dus dat was al een avontuur op zich, maar dat vertel ik nog wel eens.

We gingen altijd eerst naar C & A waar we altijd eerst op het Palominopaard mochten om de trauma’s die we onderweg hadden opgelopen een beetje te vergeten.
Er stond altijd wel een bosje kinderen om het paardje heen.
Meestal kocht mijn moeder hetzelfde voor ons, maar dan wel in een andere kleurstelling.
Zus was een mooi meisje met een lichtbruine tint, bruine ogen en prachtig lang donkerbruin haar met pijpenkrullen.
Ik was meer een blond morsig schrielkipje met klitten in het haar en handen die niet helemaal in proportie waren met de rest van mijn lijf.
Wat zus dus prachtig stond, stond bij mij dus vaak, nou ja ‘net even iets anders’, zeg maar.

Toen we vijf en drie jaar waren zagen zus en ik pluche berenjasjes in het rek hangen waar we als een blok voor vielen. We pasten ze natuurlijk direct aan en renden al blatend door de kledingrekken. Andere kinderen werden natuurlijk door ons enthousiasme aangetrokken en deden ook snel zo’n jasje aan. Binnen de kortste keren renden er een stuk of tien, twaalf blatende lammetjes over de kinderafdeling van C&A.
Uiteindelijk heeft mijn moeder de jasjes maar gekocht met ons er in.

Nadat we geslaagd waren moesten er natuurlijk (gruwel o gruwel) ook nieuwe maillots komen. Daarvoor gingen wij naar de V&D. En natuurlijk gingen we daar ook naar de muziekaapjes kijken. Ken je die nog? Je moest er geloof ik een dubbeltje instoppen. Wat was dat grappig. Mam vond dat soort dingen zelf ook helemaal geweldig trouwens. Toen besefte ik natuurlijk niet hoe jong ze eigenlijk was. Ze was 21 toen ze zus kreeg, en nog maar 9 dagen 24 toen ik geboren werd.

Als we eindelijk klaar waren met winkelen, dan moest dit gevierd worden met een bolletje ijs in een zilveren schaaltje met een toef slagroom en een pauw er op bij de V&D of een halve rookworst van de Hema, die ze dan nog een keer doormidden liet snijden.

Gelukkig kregen we toen we groter werden steeds meer broeken.
Wel met van die leuke wijde pijpen van onder, dat dan weer wel ja, maar het was voor ons een hele verbetering, dat begrijp je. En als je er een gat in viel naaide je moeder gewoon een bloem op je knie. Of een hartje. Net wat je uitgezocht had op de markt.

Kun je je trouwens nog herinneren dat heel jeugdig Nederland in een boerenbonte zakdoek liep met daaronder Zweedse muilen? Dat waren van die leren slippers met dichte tenen. Ook gewone gele boerenklompen waren die dagen een hot item.
Je kunt je vast wel een beetje voorstellen hoe dat klonk op de galerijen. Tegen de tijd dat mijn eerste blaren weg trokken waren ze alweer ‘uit’, of raakten de kleppers in de mode, dat kan ook nog. Dat waren slippers van klompenhout met een rode leren band met verstelbare gesp. Kon je heerlijk op klepperen. Met je Klik-klaks stand- by in je hand voor als je nog niet genoeg herrie maakte.

Iets later kwamen de hoge laarzen met de lange ribfluwele jassen in de mode in de kleuren donkergroen, donkerblauw, bruin of bordeauxrood. Ik had een donkergroene en droeg hier dan een idioot grote rood gebreide pet-met-klep bij a la Patty van de Tina. (Moet echt geen pan zijn geweest).
De veelkleurige zelfgebreide wollen shawls waren zo lang dat je moest opletten dat je er niet over struikelde, maar dienden uitstekend als leidsel bij het paardje spelen. Bovendien schuurde dat ook wat minder onder je oksels dan het springtouw. Verder was een lange shawl natuurlijk erg handig als er iemand door het ijs zakte. (!)
Bij die lange shawls had je dan je bontkleurige beenwarmers aan die je tot aan je liezen op trok en vervolgens de hele dag lang aan het ophalen was.

Na die periode liepen we met z’n allen -dus ook de jongens- op Rootsen.
Daarboven droeg je geloof ik een legerblouse meen ik die je in het zwart, legergroen of kaki kon kopen op de markt.
Rootsen had je in vier kleuren: Zwart, donkerbruin, lichtbruin en okergeel. Als je die laatste droeg was je echt overduidelijk te laat geweest. De lichtbruine waren het populairst. Die hadden wij gekocht waar nu de sportkledingwinkel zit, vlak bij het marktplein.
Rootsen liepen heerlijk.
Rootsen waren het walhalla
na al het eerder doorgemaakte voeten -leed.
Rootsen zijn (dus!) heeeeeel lang in de mode gebleven.

Eind jaren ’70 brak de Greace periode aan.
Binnen no- time waren de strekkende meters satijn bij de stoffen-man op de markt uitverkocht en zaten onze moeders uren achter de naaimachine om wijde klok-rokken te fabriceren die we droegen met brede leren riemen met grote gespen. Satijn werkte geloof ik niet erg mee onder de naaimachine.
Maar dat kan ook aan de naaimachine gelegen hebben: een oud log ding dat niet te tillen was, maar waarvan mijn vader – die nogal zuinigjes was- altijd zei:’ Zolang hij het doet til ik hem wel voor je schat’.

Op een goede maandagavond (ja dat weet ik zo goed omdat mijn vader altijd die avond naar de kazerne was) keken zus en ik geboeid toe hoe mam iets ging maken. Ze was niet zo’n groot talent om het voorzichtig uit te drukken, en dat k****ding hielp daar natuurlijk ook niet echt aan mee, maar ze deed het toch maar. En terwijl wij met onze neus zo’n beetje onder het lampje hingen om maar niets van de voorstelling te hoeven missen, zagen we de naald helemaal in mams linkerwijsvinger verdwijnen, dwars door haar nagel geen. Ja je kon lullen wat je wilt maar dat ding was wel sterk.
Hij was natuurlijk niet voor niets legergroen.
Mam gaf geen kik.
Wij ook niet.
We keken haar aan.
Ze zat muurvast.
‘En nu?’
Rustig draaide mam het wieltje de andere kant op waardoor de naald met bloed en ander weefsel weer uit de nagel kwam.
Niet lang daarna kreeg ze eindelijk haar nieuwe naaimachine.

Even terug naar de Grease periode:
Ik was verder de hele gelukkige eigenaar van een blauw satijnen tuinpak. De jongens droegen bijna allemaal een leren jasje. Meiden trouwens ook hoor. Ik mocht er geen. ‘Te ordinair’. Ja, het was een vrolijke bonte boel in de jaren ’70.

Daarna kwamen de spijkerbroeken.
Ze waren er natuurlijk al lang hoor, maar nu werden ze ook onder de meiden heel populair.
Iedereen wilde een Lois spijkerbroek. Daar had je ook je agenda van als je een beetje ‘hip’ was.
Boven je spijkerbroek droeg je natuurlijk een stoer spijkerjack. Merkloos in mijn geval, want het kon ook te gek natuurlijk.
Verder droegen we veel ribbroeken.
De mijne vaak vaal en versleten op de knieën en je dacht toch niet dat ik daar nog bloemetjes op liet naaien.

Na Lois werd het Wranglers en daarna pas de Levi’s waarvan de 501 later nog jarenlang mijn favoriet is gebleven.
Een ribbroek heb ik later nooit meer gedragen.
Truttige jurkjes overigens wel.

20130915-150000.jpg
Oranjestraat met op de achtergrond onze Kever en mijn vader daarin.
Bij opa en oma op visite!

Ons huis in de jaren ‘ 70

Zoals ik al eerder verteld heb woonden wij in een flat. Op de derde etage – wat tevens de bovenste was- bij de wenteltrap. Van dergelijke flats stonden er twee op de Vondelstraat en vier op een rij op de Herman Gorterstraat. Bijna iedereen woonde dus in eenzelfde soort huis, dan wel in een huis dat een spiegelbeeld was van het jouwe.

De flats hadden geheel in beton gegoten galerijen met aan de ene kant de wenteltrappen, en aan de andere kant de zes aflopende banen waar ik heerlijk met mijn rieten poppenwagen af kon racen met mijn beer.

Onder de flats waren de boxen. Er liep een lange gang doorheen waaraan een donkere zijpaadje naar onze box leidde. De meeste andere boxen lagen direct aan de gang, in plaats van muren waren er wanden van ijzer gaas.
Vaak waren we daar te vinden, ook al vonden we het stiekem een beetje eng. Ik wel tenminste, maar dat zei je echt niet.
We hadden een grote fantasie, evenals de meeste kinderen en af en toe gingen er spannende verhalen in de rondte over spoken die in de spelonken van de flats rondwaarden.
We jutten elkaar daar enorm over op, en ik meen dat de wat oudere kinderen wel eens met witte lakens over hun hoofd over de galerijen liepen, maar dat weet ik niet meer zeker. Zeker de Ambonese kinderen hadden spookverhalen voor tien. Brrrr….

Aan de slootkant waren een stuk of tien garageboxen waarvan wij er 1 hadden. Mijn vader was er vaak aan het rommelen en poetsen.
Volgens mij waste hij iedere week de auto, ik kan het me nu bijna niet meer voorstellen. Het zal ook wel niet zo zijn geweest. Aan de andere kant: het was een echte maagd. Ik zal het hem eens vragen.

De galerijen stonden op het noorden en keken uit over de weilanden van boer Zwart richting West-Knollendam.
Er stond een windmolen in het weiland en soms liepen er schapen. Op de dijk verderop stonden de fabrieken ‘de Tijd’, ‘de Vlijt’ en ‘de Vrede’. Het eeuwige gezoem van de meelfabrieken hield nooit op. De koude noordenwind zorgde ervoor dat ik als kind in de winter bijna continue snipverkouden was.

Op elf november, met Sint-Maarten was het een drukte van jewelste op de galerijen. Krijg je nu hooguit 20 kinderen aan de deur, toen waren het er tien keer meer. Alle ouders zaten op een krukje in de deuropening met de taai-taaitjes op hun schoot. Het had geen enkele zin om de deur te sluiten want het was destijds gewoon lopende band -werk. Een enkeling gaf een schuimpje, een lollie of een koetjesreep. En wie niet open deed was de lul. Tegen de tijd dat het Sinterklaastijd was kwam de taaitaai zo’n beetje je neusgaten uit.

Er waren nog geen dubbele ramen, dus in de winter stonden de bloemen vaak op de ramen en hingen de ijspegels aan je neus als je wakker werd.
We hadden 1 gaskachel (eerst nog kolenkachel) die het hele huis warm moest houden.
In de winter sliepen we met een kruik en een wollen borstrok die onze oma’s hadden gebreid en waarvan zus en ik gek werden door de jeuk.
Zus en ik waren altijd vroeg wakker. Pap ook.
Hij zette de kachel lekker hoog en maakte thee voor ons met melk en veel suiker.
‘Niet zo dicht op de kachel liggen met jullie nachtjaponnetjes’. Het bleef een brandweerman.
In die tijd droegen we synthetische nachtjaponnetjes die regelrecht uit ‘Hamelen’ leken te komen. Had mam zelf genaaid. De kanten kraagjes kriebelden als een gek.
Pap ging dan na de thee weer naar bed en zus en ik speelden piraatje of zo. Dan waren onze poppendekens onze boten -hadden ze toch nog enig nut- en de grijze synthetische vloerbedekking was onze zee.
We konden daar helemaal in op gaan.
Later speelden we ook graag ‘Tita- tovenaar’ waarbij we de meest smerige dropdrankjes brouwden.

De woonkamer kon je via twee deuren bereiken. Ook de slaapkamer van mijn ouders die aan de voorkant bij het balkon lag kon je via twee manieren bereiken: de woonkamer of de badkamer, die door iedereen destijds gewoon nog badcel werd genoemd. Tot mijn vader twee van de drie kamerdeuren achter het behang plakte, konden we heerlijk achter elkaar aan rennen door het huis.
In de woonkamer stonden tot ik ongeveer zes was een typisch jaren
’60 bankstel.

Daarna kwam er een bankstel- met – oren in lichtgele/ mosgroene kleursamenstelling en een
ronde tafel met een glazen blad in de stijl van Lodewijk de veertiende.
Op de tafel stond een bewerkt smal glazen vaasje die iedere vrijdag werd gevuld met de verse anjers waarmee mijn vader na zijn werk thuis kwam.
Toen we klein waren keken we vaak voor de vensterbank naar buiten tot we onze vader aan zag komen.
Eenmaal thuis las hij zijn krant terwijl ik gymde op zijn knie tot hij mij maande stil te zitten en ik maar eens bij mijn moeder in de keuken ging kijken.

We hadden trouwens een fantastisch uitzicht. Ook aan de voorzijde.
We keken uit over de huizen voor ons met daarachter de huizen van de Ambonese buurt.
Op oudejaarsavond stonden wij met onze sterretjes (ja, je weet wel : brandweerman) in onze gestrekte armen te genieten van het vuurwerk spektakel wat daarboven verscheen. Rechts lag onze basisschool.
Als er kermis was zagen we het reuzenrad en de grote achtbaan die daar naar mijn weten slechts 1 keer stond.
Zelfs de watertoren en de kerk tegenover ‘het Wapen van Assendelft’ waren op heldere dagen goed zichtbaar.
Ons zijraam bood, behalve natuurlijk op de naast gelegen flat, zicht op de Wormertoren.

In de badkamer stond een geel granieten lavet, dat intensief werd gebruikt.
Mijn moeder deed er de was in, die vervolgens in de centrifuge werd gedaan. Het water kwam dan uit een tuitje onderaan en liep over de vloer het doucheputje in.
Toen ik een jaar of vier was kregen we een wasmachine, maar ik kan me het geluid van de centrifuge nog zo voor de geest halen.
Je kon natuurlijk ook in het lavet staan om te douchen. Dat wil zeggen : als er tenminste geen palingen in zwommen.
Op zaterdag gingen zus en ik altijd samen in bad.
Nou ja, tot ik een keer ‘een ongelukje’ had, toen was het over met de gezelligheid.
Iedere dag minstens 1 keer douchen deden we toen echt niet hoor. Soms douchten we samen met onze vader. Maar dat was meteen over toen zus na de uitleg van mijn vader op het balkon riep: ‘Ome Sjon…heeft u ook zo’n grote?’
Mijn moeder waste mij dus gewoon vaak met een washandje terwijl ik op het matje onder het elektrische kacheltje stond.

Het toilet had natuurlijk nog een zwarte bril en werd doorgetrokken met de ketting, wat niet altijd even simpel was als je klein was. Bij de buren op de lagere etages liep een buis door het toilet waardoor ons spoelwater dan vervolgens doorheen kletterde. Je schrok je dan ‘een hoedje’.

Het gezellige keukentje had een grijs zwart granieten aanrechtje met een zwart-wit geblokte gootsteen.
Boven het aanrecht hing de geiser.
Was dat vlammetje eenmaal uitgegaan, kreeg hem dan maar weer eens aan. Daar moest mijn vader aan te pas komen.
Onder het aanrecht hing een gordijntje waarachter het afwasbakje met de houten borstel stonden op een houten rekje.
De crèmekleurige houten deurtjes die mijn moeder had opgeleukt met deurstickers van rozen hadden grote ronde plastic handgrepen.
Boven het witte jaren ’60 Etna gasfornuis hing een rooster met een trekkoordje.
Als dat rooster open stond kon je precies ruiken wat ze op 1 en 2 hoog gingen eten.
In het bovenraam zat ook een ventilatieroostertje. Een afzuigkap zoals wij die nu kennen had volgens mij nog bijna niemand in de vroege jaren ’70. Niet in mijn omgeving tenminste.
Links van het aanrecht onder het raam over de volle breedte van de keuken was een plank van ongeveer 1 meter diep waarop een rond elektrisch warmteplaatje van chroom
de koffie warm hield. Ook stond er een crèmekleurig petroleum stel dat af en toe ook gebruikt werd. Vaak zat ik op die plank, en luisterde naar mijn moeder die zong terwijl ik over de weilanden tuurde om te zien of ik de roeiboot van mijn vader al zag die met zijn vriend Ber vaak aan het vissen was.
‘Ome Ber’ is in ’72 of ’73 doodgereden op het kruispunt tussen Krommenie en Wormerveer toen hij op een goede zondagmiddag vanuit café de Visser huiswaarts keerde naar zijn zwangere vrouw. Ook in die jaren was er leed natuurlijk. En van’Glaasje op, laat je rijden’ had volgens mij nog niemand gehoord.

We bakten vaak boterkoekjes naar recept van mijn moeders kookboekje uit de jaren vijftig. Daarin staat (ja, ze heeft hem nog steeds) precies beschreven hoe je oa een varken slacht en vervolgens op diverse manieren verwerkt tot de bloedworst aan toe. Maar goed, meestal hielden we het gelukkig bij de boterkoekjes. Van het deeg draaide zus bolletjes, sloeg ze plat en legde ze daarna op de bakplaat waar ik vervolgens met een natte vork een leuk streepjes motief in maakte.
De dropjes werden bewaard in een geel oranje gebloemd trommeltje dat in het linker bovenkastje stond. Zus kon daar natuurlijk een paar jaar eerder bij als ik, maar ik kreeg natuurlijk ‘ zwijggeld’, dat snap je;-)

Aan de andere kant van het aanrecht stond het keukentrapje met daarnaast een gebroken wit jaren 60 theedoekenrekje van Brabantia, in de zelfde lijn als de broodtrommel, de voorraadblikken, de schoenpoetsdoos, het kammenbakje en wat al niet meer. Er hing een doek aan met de tekst ‘de liefde van de man gaat door de maag’.

De koffie werd destijds vaak gemalen in een elektrische koffiemolen- het summum! Mijn mam had er geen. Ik meen dat ze altijd gemalen koffie kocht. En de keren dat ze per ongeluk bonen had gekocht pakte ze de antieke koffiemolen die voor de sier in de kamer stond.

Onze slaapkamer lag naast de keuken. Er paste precies 1 bed onder het raam. Het andere stond dwars daarop. Met zo’n 20 cm ertussen.
Achter dat bed aan de wand, pal tegenover het raam zat een vaste kast. Deze was voor gezamenlijk gebruik.

Zus bezat een prachtig poppenhuis met een glimmend rood dak dat tussen de kast en het zijbed stond. Ik zie het nog zo voor me. Het had dezelfde vloerbedekking als in de woonkamer lag.
De meubeltjes stonden immer netjes op de juiste plek en de popjes keurig in het gelid. Het was van een smetteloze schoonheid en pracht die natuurlijk een Onweerstaanbare aantrekkingskracht op me had.
Het was echter verboden terrein voor mijn onhandige grote handen. Ik mocht er alleen voor zitten kijken als ik mijn handjes netjes op mijn rug hield.
Toen zus naar de kleuterschool ging en mijn moeder even niet oplette (of deed alsof, daar kan ik me achteraf ook wel iets bij voorstellen want ik was een heel vermoeiend kind dat nooit ophield met vragen stellen, danwel de godganse dag liep te huppelen, dat moet haast wel op haar zenuwen gewerkt hebben) greep ik direct mijn kans.

Voor het eerst in mijn leven maakte ik die dag kennis met de ijzeren greep van zus. Dan hield ze mijn twee polsen vast met 1 hand en draaide me naar de grond tot ik om ‘genade’ riep.
Ze is altijd veel sterker en ruim een halve kop groter gebleven dan mij.
We stoeiden vaak dus ik werd daar natuurlijk zelf ook veel sterker door dan dat ik eruitzag.
(Mijn kwaliteiten lagen wat meer bij het haarborstel werpen).

Begin jaren ’70 kregen we allebei een handgemaakt make-up tafeltje. Dat van zus had een rood laatje en was iets groter. Het mijne had een groene.
Op een avond kwam oma K. – de moeder van mijn vader- op ons passen. Onze ouders waren naar het ‘Spuitfeest’ van de brandweer dat altijd eens per jaar plaats vond en altijd zeer groots werd aangepakt.
Zus en ik hadden van de buurvrouw op de camping prachtige mini lippenstiftjes gehad.
Het leek ons die avond een uitgelezen moment om daar eens wat mee te oefenen.
Wat begon met een streep voor de grap op mijn wang door zus (ze zegt nog steeds dat ik begon, we zijn daar nog niet helemaal uit) eindigde in een kamer met lippenstift op de muren, de nachtkastjes, spiegels, vloer, nou ja waar niet? Ook wij zelf zaten uiteraard helemaal onder.
‘Kijk eens oma?’

Wat later in de jaren ’70 vertrokken de nachtkastjes naar twee jongere nichtjes en verschenen daarvoor in de plaats een bureau, een visnet aan het plafond gevuld met droge zeesterren en een letterbak natuurlijk.
De wanden waren bruin of beige. Een macramé werkje hing aan een spijker voor het raam boven de cactussen op de vensterbank die we destijds massaal verzamelden. Er hing een oranje lamp van om elkaar gedraaide stukken plastic aan het plafond.
Onze dekens waren inmiddels vervangen door donzen dekbedden met fotoprints van paarden. Op deze dekens lagen zelfgefabriceerde patchwork kussentjes.
Verder hing er een poster van Shaun Cassidy, Mud en the Bay City Rollers.
Op het bureau verscheen na een verjaardag van zus de eerste cassetterecorder, gekocht bij Wastora in Zaandam.
We konden behalve afspelen onszelf opnemen en ergens bij mij op zolder moet nog een bandje liggen waarop zus met vriendin M ‘dingedong’ en ‘Willempie’ zingen.

Het viel niet mee om de kamer te delen. Het feit dat ik een enorme sloddervos was en zus een Pietje precies werkte daar natuurlijk niet aan mee.
Op gegeven moment zette ze met wit schilders-tape een streep door het midden van de kamer. Kreeg ik gelukkig nog wel ‘recht van overpad’.

In 1975 bouwde mijn vader in de achterkamer een klein slaapkamertje helemaal voor mij alleen.
In de zomer van ‘ 77 verhuisden we naar een eengezinswoning in Wormerveer.

20130915-150123.jpg

Vrijdag de dertiende

Station Krommenie 06:40
Shit.
Geen OV pas.
Had Kyl even geleend gister.
‘Stop je hem gelijk even terug in mijn tas?’
‘Even uitrusten mam, ik ben zoooow moe’.

Inmiddels in de trein.
We zijn bijna bij station Wormerveer.
Shit.
Daar heb je de conducteur
En door mijn boosheid op Kyl was ik zo afgeleid dat ik vegeten was in te checken in Krommenie.
‘Geeft niks hoor mevrouwtje, doet u nu maar even snel’.

Centraal station
Shit
Kan niet uit checken.
Wat nou weer?
‘Ach mevrouw, even zien.
U bent in Krommenie ingecheckt
en in Wormerveer weer uitgeheckt’.
We lachen samen.

Een aardige conducteur
Geld bespaart
en een aardige mevrouw van de service balie

Vrijdag de dertiende
Kom maar op
Ben er klaar voor!

Wat – we- nou -eigenlijk -deden in de jaren ’70

We hadden natuurlijk geen pc.
Geen mobiel. De zwart wit tv zond amper programma’s uit. Ik kan me voorstellen dat de jeugd van nu zich wel eens af vraagt: Wat deden jullie nou eigenlijk in jaren ‘ 70?

Wel…
Als het droog was speelden we natuurlijk na school buiten.
Alle kinderen waren buiten. Behalve als je ziek was, of gewoon ‘een stom kind’ was.

De eerste jaren van mijn jeugd speelde zich af rond de zandbak en speeltuin beneden bij onze flat. Er was een grasveld naast waar altijd wel een groepje jongens waaronder -Simon Tahamata- aan het voetballen was.
Soms was het knikkertijd, soms springtouwtijd, en dan weer waren we met alle meiden aan het elastieken, klikklakken of aan het hinkelen.
Ook speelden we vaak verstoppertje of tikkertje met de jongens.

Je was in die tijd nooit alleen buiten. Er waren ook zoveel meer kinderen dan nu.
Het feit dat er vlak bij ons om de hoek drie kleuterscholen stonden met ieder twee klassen zegt denk ik al genoeg.

Natuurlijk waren er ruzies.
Wat dacht jij? En je hoefde het echt niet te wagen om je moeder daarbij te halen hoor, want dan had je geen leven meer. Ons buurmeisje H. had bijna geen leven meer. Ik geloof dat alleen wij haar aardig vonden. Of dat alleen te maken had met de lollies, ‘de hitkrant’, of het feit dat ze iedere week een singeltje mocht kopen, geen idee. (Wij lazen zelf trouwens de Tina).
Ik was gelukkig stilzwijgend gezegend met een grote zus, en een vader die er tamelijk imposant uitzag in zijn brandweerpak. En ook al was ik een heel iel meisje, ik was nergens en voor niemand bang.

Als het regende speelden we natuurlijk gewoon binnen, maar we gaven niet zoveel om een buitje geloof ik.
Tv uitzendingen voor de jeugd waren er nog amper, behalve op woensdag en dan pas na drie uur of zo.

Vaak bouwden we dan met onze buurmeisjes hutten op onze slaapkamer met onze wollen dekens (mijn eerste dekbed kreeg ik pas toen ik 7 was) of gymden en sprongen we op de bedden.
Of we kliederden wat aan de tafel in een Poesiealbum, maar voor dat laatste had ik wat minder geduld. Zus wel. Die kon prachtig tekenen, goed leren, was meestal lief en gehoorzaam en zag er bovendien altijd beeldschoon uit.

Op de verjaardagspartijtjes in mijn kleutertijd keek je, nadat je moe was van het ‘schipper mag ik overvaren’, of ‘zakdoekje leggen’ de familie dia’s van de afgelopen vakantie op een wit laken dat voor de gelegenheid in de gang was opgehangen.
Sommige ouders hadden een heuse poppenkast met Jan Klaasen en Katrijn. Wouw!
Limonade, een pannekoek (nog zonder ‘n’) en daar ging je weer.
De feestjes bij ons waren het allerleukst.
Mijn moeder had namelijk heel veel fantasie en een geweldig ( ziek ?) gevoel voor humor.
Ik kan mij de vijfde verjaardag van zus nog heel goed herinneren ondanks dat ik pas twee en half was toen.
Zus zat op de christelijke kleuterschool. Niet omdat wij zo christelijk waren – we waren katholiek- maar dat was het enige kleuterschooltje dat er al stond. De andere waren toen nog in aanbouw.

In haar kleuterklas zaten Ronny, Tonny en Johan B. Dat waren drie Ambonese broers die in de flat naast de onze woonden. Buiten hen waren er nog meer broers en broertjes. Allemaal jongens. En er was maar 1 kinderslaapkamer hè!
Wie er verder op het partijtje ( zo heette dat) was naast deze jongens weet ik niet meer.
Ik lette denk ik alleen maar op de grote groene snottebellen die me daarom vast nog steeds zo helder voor ogen staan. En mijn moeder maar snuiten en afvegen.
We speelden ‘Schoorsteenveger ging op reis’. Mijn moeder had een stem die klonk als een klokje, zo helder en mooi.

Mam zong trouwens vaak.
Vooral ’s avonds tijdens de afwas.
Dan zaten wij op het krukje of hielpen toen we daar groot genoeg voor waren. Twee liedjes waren haar absolute favoriet:
Over de dirigent van het koor die het loodje legde. Dat ging al volgt :
‘ Laatst overleed de dirigent, een fijne man een toffe vent, wij huilen, huilen huilen man, het water wier een voetbad van!
En toen we waren uitgehuild
toen werd hij plechtig ingekuild…’
Lekker opbeurend hè?
Het tweede lied werd uiteindelijk geloof ik verboden maar ging een beetje als volgt:
(Vreselijk racistisch) Mijn moeder zong dan in perfect Surinaamse dialect:
‘Wij uit Suriname
Wij zijn allemaal werkeloos.
Denk niet dat ik lui ben
Want dan wordt ik vreeslijk boos’
Etcetera. Het refrein zongen wij dan uit volle borst mee:
‘Wij willen de Www!’
Mijn moeder was allerminst een racist. Ze zag er gewoon absoluut geen kwaad in.
Het was altijd bere gezellig in de keuken bij mijn moeder.

Toen we een jaar of negen waren gingen vriendinnetje C en ik door onze klimrek fase. (1976)
C. woonde aan een heerlijk plein nabij de Kerkstraat omringd door hoge schuttingen. Op dat plein stond ook het klimrek waarop we vanuit zitpositie op de hoogste stang drie, vier, vijf of zelfs tien keer ons zelf achterover om onze as heendraaide en vervolgens met de handen los achterover nogmaals om onze as alvorens we onze afsprong maakten. Echt, die Epke? Kinderspel!!
Vaak zaten onze handen vol blaren en waren onze knieholten tot bloedens toe open geschaafd. Dan wachtten we een weekje tot het geheeld was en dan gingen we weer….

Zus en ik speelden ook vaak met de barbie’s.
Met poppen hebben we nagenoeg nooit gespeeld.
Hele kastelen bouwden we door lp’s tegen elkaar aan te zetten samen met de dochters van de groenteboer die onze allerbeste vriendinnetjes waren, al vanaf het begin van de lagere schooltijd. Ze woonden boven de Spar.
M was net zo oud als zus, en F. een maand jonger als mij. Met hen speelden we ook heel vaak Monopoly of ‘paardje’ op de parkeerplaats achter de Spar. De lege supermarkt karren (met van die houten vlonders en elastiek) dienden dan als stallen, onze springtouwen als leidsels.
F en ik waren altijd ‘paard’.
Als je niet uitkeek stond je zomaar de hele woensdagmiddag ‘op stal’.

Als er ijs lag in de winter, was iedereen te vinden Op, Om en Bij de sloot achter. We konden niet wachten tot we er op mochten. Van tijd tot tijd zakte er natuurlijk wel weer iemand door, dat ging dan als een lopend vuurtje door Wormerveer- Noord.

Toen ik een jaar of tien was mochten we schaatsen op de Watering en s’ avonds natuurlijk op de verlichte ijsbaan in het park.
‘Iedereen’ was daar. Dik gekleed en met onze beenwarmers aan. Wat dat betreft hadden we echt geen mobiel nodig hoor. Je wist gewoon waar iedereen was.
In 1979 konden we op straat schaatsen. Zelfs de moeders deden mee. Mijn moeder bleef natuurlijk weer in een putdeksel hangen of zo en scheurde haar enkelband. Ze heeft zes weken in het gips gezeten. Zoek maar eens, zo leuk om die foto’s terug te zien.
(van het schaatsen op straat hè, niet van mijn moeder in het gips).
Ook konden we datzelfde jaar natuurlijk schaatsen op het dak van de Spar.
Ik kan me niet herinneren dat er toen 1 jaar voorbij is gegaan zonder ijs.
Of sneeuw. In 1979 zelfs zoveel dat we een iglo bouwden in de tuin. In ’77 waren we verhuist naar een eengezinswoning in de buurt van het Marktplein.

Op woensdagmiddag gingen we vaak naar de bieb (de vijf, de Kameleon) en naar balletles in Ons Huis. Dat zat naast elkaar. We mochten eerst nog niet alleen fietsen op de Zaanweg (mijn moeder ging nooit mee, zus paste altijd op mij) dus liepen wij dat hele takke- end vanaf de Herman Gorterstraat.

In het weekend waren we natuurlijk vaak op de camping. Eerst nog in Heerhugowaard, daarna de camping in Oud-Karspel en vanaf mijn tiende jaar stonden we op camping Castricum, wat nu Geversduin heet.
In de winter waren we daar natuurlijk veel minder of helemaal niet.
Dan ging ik wel eens met schoolvriendinnetjes kijken bij WFC naar de jongens van de klas.
Met F. ging ik ook een paar weekenden achter elkaar oude kranten ophalen met een winkelwagen van de Spar.
Op een keer kregen we gewoon van iemand een grote doos keiharde jaren ’70 pornoblaadjes mee die we natuurlijk met rode oortjes bekeken in de garagebox. Hoezo bloemen en bijen?
Niet normaal toch?!

Er waren uiteraard ook jaarlijks terugkerende ‘Hoogtepunten’ zoals daar bijvoorbeeld waren: De ‘Nationale boomplantdag’, de Nationale brandweerdag (Dat was gaaf, mocht je in het schuimbad), de wandeltochten van
‘De laatste loodjes’, over de dijk via West-knollendam langs fabrieken
de tijd, de vlijt en de Vrede eindigend op de parkeerplaats van WFC.
Een kilometer lang lint van ‘Potjes met vet’ zingende basisschoolkinderen.

Verder was natuurlijk ook de Sinterklaasintocht bij de Jonge Prins een absoluut hoogtepunt.
Veel kinderen van toen zitten trouwens in de Sint organisatie van nu.

Wat dacht je anders van de kermis met Pasen? Jee. De Hurly Curly!
Daarover vertel ik een ander keertje wel wat meer hoor.

20130915-145843.jpg